ECLI:NL:RBZWB:2026:1485

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
C/02/442791 / JE RK 25-2194
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:262b BWArt. 810 RvArt. 810a RvArt. 807 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over afnemen NICHD-interview bij minderjarige in geschil contact en beschuldiging misbruik

De zaak betreft een geschil tussen ouders over het contact met hun minderjarige dochter en beschuldigingen van seksueel misbruik die eerder tot een sepot-01 hebben geleid. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt om toestemming voor het afnemen van een NICHD-interview bij de minderjarige om nieuwe zorgelijke uitspraken te duiden.

De vader verzet zich tegen het NICHD-interview en pleit voor een onafhankelijk multidisciplinair NIFP-onderzoek, omdat hij meent dat de uitspraken van de minderjarige mogelijk onder dwang of instructie zijn gedaan. De moeder en de GI steunen het NICHD-interview als een snelle, minder belastende en passende vervolgstap.

De kinderrechter oordeelt dat het NICHD-interview het meest passend is in het belang van de minderjarige, omdat het snel kan plaatsvinden en de stem van het kind serieus neemt zonder verdere traumatisering. Het verzoek van de GI wordt toegewezen, het verzoek van de vader wordt aangehouden in afwachting van een rapportage na het interview.

De kinderrechter verwacht dat de GI na het interview de vervolgstappen, waaronder eventueel een NIFP-onderzoek, zal overwegen. De beslissing is direct uitvoerbaar, maar niet uitvoerbaar bij voorraad, en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verleent vervangende toestemming voor het NICHD-interview en houdt het verzoek van de vader aan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/442791 / JE RK 25-2194
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2017 in ' [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.V. de Nooijer uit Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.F. Cohen uit Sittard.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 december 2025;
  • het verweerschrift van de vader tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met bijlagen, ontvangen op 2 januari 2026;
  • het verweerschrift van de GI op het zelfstandig verzoek van de vader, ontvangen op 16 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 3 maart 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 maart 2022 en tot 3 maart 2023. Deze maatregel is vervolgens steeds verlengd, voor het laatst tot 3 september 2026.
2.4.
Bij beschikking van 31 oktober 2025 zijn de verzoeken van de vrouw tot verhuizing en inschrijving van [minderjarige] op een andere school afgewezen.

3.De verzoeken

3.1.
De GI heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) een beslissing te nemen en te bepalen dat de GI bevoegd is om de volgende handelingen uit te voeren, althans de GI vervangende toestemming te verlenen voor het volgende:
- Het afnemen van een NICHD-interview bij [minderjarige] door een gedragsdeskundige van de GI;
- Het maken van beeld- en geluidsopnamen van het interview, uitsluitend voor verslaglegging en analyse, conform het toestemmingsprotocol.
Althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie juist acht.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De vader verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
Het verzoek van de GI tot het afnemen van een NICHD-interview af te wijzen als zijnde niet passend en onvoldoende proportioneel in deze casus;
De GI (op grond van artikel 810a Rechtsvordering (hierna te noemen: Rv) opdracht te geven c.q. te gelasten tot een onafhankelijk multidisplinair onderzoek door het NIFP, waarbij specifiek onderzoek wordt gedaan naar:
a. De context- en systeemfactoren in beide opvoedomgevingen die van invloed kunnen zijn op de belevingen en de uitingen van [minderjarige] ;
b. De ontstaansgeschiedenis van de uitingen en de wegingen van de bronnen (thuis, school en hulpverlening) in het licht van de procedurele voorgeschiedenis);
c. De voorwaarden waaronder contactherstel veilig en haalbaar kan worden opgebouwd.
3.3.
De GI verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen.

4.De standpunten

4.1.
De GI geeft aan dat het hoofddoel van de ondertoezichtstelling is om toe te werken naar contactherstel tussen [minderjarige] en de vader op een manier die voor [minderjarige] prettig is. Dit traject verloopt moeizaam en heeft tot nu toe veel spanning en stress bij [minderjarige] veroorzaakt. Ondanks inzet van een kindbehartiger ( [kindbehartiger] ) en methodieken zoals [hulpverlening] , is fysiek contact nog niet tot stand gekomen. [minderjarige] geeft consequent bij de kindbehartiger aan dat zij geen fysiek contact met haar vader wil, terwijl zij wel indirect contact heeft gehad via kaartjes en spraakberichten.
In de afgelopen maanden heeft [minderjarige] (opnieuw) meerdere zorgelijke uitspraken gedaan waaronder beschrijvingen van een seksueel spelletje wat volgens de uitspraken van [minderjarige] bij de vader gebeurde. [minderjarige] heeft meerdere keren aangegeven dat zij wil dat de kindbehartiger dit aan anderen doorvertelt. Ook zegt [minderjarige] : “als we niet mogen verhuizen, dan moet ik naar hem toe en dan gaat hij het weer doen en ik weet ook dat hij het weer gaat doen.” en “als ik dit vertel dan mogen we verhuizen en anders mag dat niet en mama wordt dan boos op iedereen.”
4.1.1.
[minderjarige] koppelt deze uitspraken aan haar angst voor fysiek contact met vader en zegt dat zij bang is dat ‘hij het weer gaat doen’ als zij naar hem toe moet.
De moeder geeft aan dat [minderjarige] thuis nachtmerries/flashbacks heeft en zij is met enige regelmaat afwezig (“lijkt in haar hoofd te zitten”) en dan kan niemand
meer niet tot haar doordringen. Ook laat [minderjarige] boos gedrag zien voorafgaand aan een gesprek met de kindbehartiger en achteraf in de thuissituatie. Daar komt bij dat ze sinds de start van het schooljaar iedere dinsdag buikpijn heeft (de dag dat de kindbehartiger langskomt op school).
De moeder maakt zich zorgen om het welzijn van haar dochter en wil dat [minderjarige] (en zij als
opvoeder) de juiste hulp krijgen om met haar gedrag om te gaan.
Er is eerder politieonderzoek geweest waarin de vader als verdachte is aangemerkt. Dit leidde niet tot een vervolging maar tot een sepot-01. [minderjarige] doet nu dezelde uitspraken als in het verleden. De vader ziet maar één mogelijke oorzaak die de uitspraken van [minderjarige] kunnen verklaren, namelijk dat [minderjarige] hierin door de moeder beïnvloed is en/of wordt. Hij maakt zich zorgen om het welzijn van zijn dochter en wil dat de uitspraken van [minderjarige] grondig worden onderzocht.
4.1.2.
De GI is van mening dat een NICHD-interview een passende vervolgstap is. Het NICHD-interview is een forensisch interviewprotocol waarbij kinderen een veilige omgeving geboden wordt waarin zij hun verhaal kunnen delen. Het NICHD-interview is erop gericht om op een zorgvuldige en niet-sturende manier feiten te verzamelen over de situatie waar zorgen over zijn. Dit helpt de GI om een betere inschatting te kunnen maken voor een passende vervolgstap. De vader wil hier geen toestemming voor geven. Hij vindt een NIFP-onderzoek passender. De GI is echter van mening dat het NICHD-interview een eerste, proportionele stap is. [minderjarige] wordt dan gehoord in haar uitspraken en zorgen. Daarbij komt dat het NICHD-interview op zeer korte termijn afgenomen kan worden wanneer ouders akkoord zijn. De gedragsdeskundigen van de GI zijn bevoegd om een NICHD-interview af te nemen.
De GI is van mening dat een NIFP-onderzoek op dit moment niet passend is, omdat dit een langdurig en zwaar traject is dat [minderjarige] verder kan belasten. Het NICHD-interview is een eerste, proportionele stap om meer helderheid te krijgen waarin de beleving van [minderjarige] centraal staat.
De GI acht het noodzakelijk om een NICHD-interview af te nemen bij [minderjarige] om:
- Te kunnen signaleren en duiden: de uitspraken van [minderjarige] zijn ernstig en vragen om
professionele duiding. Het interview biedt een kindvriendelijke, wetenschappelijk
onderbouwde methode om betrouwbare informatie te verkrijgen over de belevingswereld van [minderjarige] . In het interview worden zo veel mogelijk invitaties gebruikt, waarvan uit
wetenschappelijk onderzoek blijkt dat deze soort vraagstelling leidt tot betrouwbare
verklaringen.
- Verdere belasting te voorkomen: het NICHD-protocol is een forensisch interviewprotocol,
specifiek ontwikkeld om kinderen op een niet-sturende en niet suggererende manier te
bevragen, waardoor het risico op extra stress en beïnvloeding minimaal is.
- Besluitvorming te kunnen ondersteunen: de uitkomsten zijn cruciaal om meer zicht te krijgen op de (opvoed)behoeften van [minderjarige] en het vervolgens bepalen van passende
vervolgstappen.
- De stem van het kind te horen: met het NICHD-protocol wordt de stem van [minderjarige] serieus
genomen en wordt ze door een deskundige gehoord over wat ze wil vertellen.
De GI geeft naar aanleiding van het verweer van de vader nogmaals aan dat [minderjarige] bij de kindbehartiger zorgelijke uitspraken heeft gedaan. Door de situatie die nu voor ligt, heeft het nog niet tot opvolging van deze signalen kunnen komen. Naar de visie van de GI is het in het belang van [minderjarige] dat ze ervaart dat het delen van dergelijke signalen tot gevolg
heeft dat deze serieus worden genomen en dat deze voortvarend worden opgepakt.
Een NICHD-interview voorziet daarin. Het kan snel worden ingezet en richt zich op de
uitingen die [minderjarige] gedaan heeft. Vervolgens kan, op basis van de uitkomsten van het gesprek, bekeken worden wat de volgende, best passende stap is. Wat de GI betreft, is dit veel passender dan een uitgebreid NIFP-onderzoek.
De GI ziet als risico van een NIFP-onderzoek dat er mogelijk meer focus komt op de
omgeving van [minderjarige] , dan op [minderjarige] zelf. Dit kan ervoor zorgen dat [minderjarige] de veiligheid verliest om openheid te geven. Juist nu is het belangrijk dat het ‘startpunt’ bij [minderjarige] ligt en dat er middels het NICHD-interview een omgeving wordt geboden waarin [minderjarige] vrij en onbelast kan praten en waarin een professional de signalen van [minderjarige] tracht te duiden.
4.2.
Namens en door de vader is aangegeven dat in het toestemmingsformulier van de Gl voor het NICHD-interview staat vermeld: “Het doel van dit forensisch interview, namelijk het verhelderen van onduidelijke signalen die zouden kunnen wijzen op kindermishandeling en/of seksueel misbruik”. De vader geeft aan dat in de beschikking van de rechtbank van 31 oktober 2025 staat vermeld dat de beschuldigingen van seksueel misbruik van [minderjarige] door de man niet zijn komen vast te staan.
Na vier jaar van onterechte beschuldigingen en contactverlies is de vader de partij die het meest belang heeft bij de waarheid. De vader verzet zich echter tegen de inzet van het door de GI verzochte instrument (NICHD-interview). De GI motiveert het verzoek met de stelling dat er sprake is van “nieuwe zorgelijke signalen” die “geduid” moeten worden. Een analyse van de feiten, recente uitspraken van de rechtbank en de verslagen van de kindbehartiger toont echter aan dat een NICHD-interview in deze casus onvoldoende geschikt is en onvoldoende proportioneel is. Het laat juist die context- en systeemfactoren buiten beschouwing die in dit dossier herhaaldelijk als relevant zijn benoemd voor bronweging en duiding. De vader pleit daarom voor een onderzoeksroute die de rechtbank een integraal en symmetrisch besliskader biedt, waarbij ook vaders opvoedvaardigheden/ psychosociaal functioneren wordt meegewogen, in plaats van een kindgericht forensisch interview.
Een NICHD-interview is ontworpen om authentieke herinneringen op te halen. Uit de notulen van de kindbehartiger blijkt echter duidelijk dat er sprake is van scripting en instructies. [minderjarige] verklaart letterlijk tegenover de hulpverlener:
- dat er briefjes op het prikbord hingen met teksten die zij moest oefenen;
- dat zij deze teksten moest voorlezen aan de partner van moeder ( [persoon] );
- dat zij de tekst kent als een lesje: “ik kan het uit mijn hoofd wat ik moet vertellen”;
- dat er sancties volgen bij weigering: “anders moest ik zonder tandenpoetsen naar bed van [persoon] ”.
Een forensisch interview kan geen onderscheid maken tussen een herinnering en een kind dat onder dwang is gecoacht om een tekst op te zeggen. Inzet van een NICHD-interview zal in deze context slechts leiden tot validatie van de instructie, niet tot waarheidsvinding.
De contra-indicatie voor een NICHD-interview wordt door de GI zelf geleverd in het verzoekschrift op pagina 2. “ [minderjarige] heeft ook opgeschreven: als ik dit vertel, dan mogen we verhuizen en anders mag dat niet en mama wordt dan boos op iedereen”. Deze passage wijst op voorwaardelijkheid: uitingen lijken gekoppeld aan mogelijke consequenties. Dat onderstreept dat de kernvraag in deze zaak vooral de context en de herkomst van de uitingen betreft.
Alleen een breed en systemisch NIFP-onderzoek kan de hypothese dat de moeder [minderjarige] belast ‘toetsen’. Het onderzoekt niet alleen wat [minderjarige] zegt, maar ook waarom zij het zegt, wie haar instrueert en wat de impact is van de geweigerde acceptatie van de gerechtelijke uitspraken door de moeder. In een langdurig en gevoelig dossier waarin de kernvraag duiding en bronweging is, weegt onafhankelijkheid zwaar.
Daaraan voegt de vader toe dat de methodiek [hulpverlening] nog niet is ingezet. Zoals uit de verslaglegging blijkt lag de nadruk tot nu toe op voorbereidende stappen (opnieuw kennis maken/rol-duiding) en het vinden van een vorm van contact die voor [minderjarige] haalbaar is. Het is daarom onzuiver om te concluderen dat “methodieken zoals [hulpverlening] ” zijn ingezet en niet hebben gewerkt, wanneer die fase (nog) niet als doorlopen interventietraject is vastgelegd.
De GI verzuimt te vermelden dat er wel degelijk positieve interactie is. Er vinden uitwisselingen van tekst- en audioberichten plaats waarin [minderjarige] onbevangen en zonder spanningen reageert op de vader. De vader beschikt over transscripties en opnames die dit aantonen. Dit wijst erop dat de spanning contextafhankelijk is: indirect contact lijkt beter
te verdragen dan het vooruitzicht van een fysieke ontmoeting. Dat ondersteunt de noodzaak van integrale duiding van de draagkracht de context vóór nieuw kindgerichte stappen.
Er zijn positieve stappen gezet in het contact via opa en oma vaderszijde. [minderjarige] reageert positief op een cadeau van hen en nam dit mee naar huis. De vader heeft dit binnen de afgesproken route met de kindbehartiger gehouden om het traject niet te belasten en de opbouw voorspelbaar te laten verlopen. Deze punten zijn niet benoemd om de spanning te ontkennen, maar om te laten zien dat de feitelijke vooruitgang en de contextafhankelijkheid in het verzoek van de GI onvoldoende zijn meegenomen.
De vader verzoekt de rechtbank om de regie te nemen door te kiezen voor het instrument dat de oorzaak van de problematiek bloot legt (NIFP) in plaats van het instrument dat slechts het symptoom (de ingestudeerde verklaring) registreert (NICHD).
4.3.
Namens en door de moeder wordt aangegeven dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] gehoord wordt. [minderjarige] zit met enorm veel angst en daar moet traumatherapie voor ingezet worden. De moeder stuurt daar niet op aan. Een onafhankelijke professional acht dat in het belang van [minderjarige] . Het NICHD-interview kan op korte termijn starten en is het minst belastend voor [minderjarige] . De moeder verzoekt het verzoek van de GI toe te wijzen en dat van de vader af te wijzen.
De moeder geeft daarbij aan dat de opmerking van [minderjarige] dat zij gezegd zou hebben dat ze van de moeder iets moet zeggen, niet door de moeder gezegd is. De moeder betwist het. Er is IPT geweest bij de moeder en de thuissituatie is in kaart gebracht.
Het is nieuw dat [minderjarige] de opmerkingen tegen een onafhankelijk iemand heeft gezegd. Dat moet geduid worden en er moet iets ingezet worden voor de angst van [minderjarige] . De moeder vindt het een gemist kans als [minderjarige] weer niet gehoord wordt.
4.4.
De Raad geeft aan voorstander te zijn van het NICHD-interview. In veel landen wordt het standaard ingezet. Er wordt aandacht besteed aan contactopbouw met het kind en het episodisch geheugen met uitleg wat waar en wat niet waar is en met open vraagstelling. Het is ingericht om het kind zo min mogelijk te belasten. De Raad heeft begrip voor deze stap van de GI.
Er is sowieso zicht nodig om te kijken hoe het verder moet. NIFP is enorm langdradig, kan lang duren en is belastend, ook voor het kind. De Raad is niet op de hoogte van het verdere plan van de GI, maar systemische inzet klinkt goed.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter stelt vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is en acht de volgende beslissing in het belang van [minderjarige] wenselijk.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat de GI een juiste vervolgstap zet door het afnemen van een NICHD-interview. Daarbij moet de GI hetgeen [minderjarige] bij de kindbehartiger heeft gezegd laten ‘toetsen’. Dat gaat naar het oordeel van de kinderrechter dus niet alleen over de seksuele spelletjes, maar ook over de aan haar gegeven instructies. Als deze daadwerkelijk worden gegeven, is dat eveneens een vorm van kindermishandeling. Het is van belang dat er duiding komt over wat of wie er voor spanning bij [minderjarige] zorgt. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.3.
Vast staat dat [minderjarige] meerdere keren aan de kindbehartiger heeft aangegeven dat zij wil dat hetgeen zij verteld heeft, wordt doorverteld aan anderen. De GI wil daarop anticiperen door het afnemen van een NICHD-interview, omdat dit snel kan plaatsvinden en het minst belastende is voor [minderjarige] . De kinderrechter vindt het van belang dat [minderjarige] serieus genomen wordt. Dat betekent niet dat zij de verhalen die zij in het verleden verteld heeft opnieuw moet gaan beleven. Een NICHD-interview zal een kind, zoals de vader vreest, niet verder traumatiseren. Wel kan er mogelijk duiding komen. De kinderrechter vindt het NICHD-interview in vergelijking met het door de vader verzochte NIFP-onderzoek nu het meest passend en in belang van [minderjarige] , omdat dit interview snel kan plaatsvinden en het signaal aan [minderjarige] geeft dat haar zorgen serieus genomen worden.
5.4.
De kinderrechter verwacht van de GI dat er na afname van het NICHD-interview verder gekeken wordt naar mogelijke vervolgstappen. [minderjarige] lijkt nu al langdurig blootgesteld te worden aan spanningen. Als zij veel angsten ervaart, zal er meer zicht moeten komen op het systeem. De uitspraken die [minderjarige] in het kader van de verhuizing van de moeder heeft gedaan, zijn meer dan zorgelijk. De moeder heeft deze uitspraken betwist, net als dat de vader de seksuele uitspraken van [minderjarige] heeft betwist. Er is een sepot 01 gevolgd: ten onrechte verdachte. Als beide ouders de waarheid spreken, wat maakt dan dat [minderjarige] dergelijke uitspraken doet? Zeker aangezien het juist haar spanning oplevert?
5.5.
De kinderrechter verwacht van de GI dat deze de vervolgmogelijkheid van een NIFP-onderzoek serieus overweegt. Op dit moment vindt de kinderrechter dit onderzoek echter nog te voorbarig. Als uit het NICHD-interview wel bepaalde zaken, zoals bijvoorbeeld de beïnvloeding van de (partner van de) moeder naar voren komen, kan het zijn dat een andere vervolgstap passender is. De kinderrechter vertrouwt erop – zeker nu er op het gebied van contactherstel tussen [minderjarige] en de vader wel stappen gezet worden - de GI de juiste keuze voor een vervolgstap, welke in het belang is van [minderjarige] , zal nemen.
5.6.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI toewijzen en het verzoek van de vader aanhouden. De kinderrechter verwacht van de GI op na te noemen pro forma datum een update over de stand van zaken en wat het verdere voornemen is van de GI. De (advocaten van de) ouders krijgen vervolgens twee weken om op dit bericht van de GI te reageren.
5.7.
Omdat er tegen een beslissing op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek geen hoger beroep openstaat, zal de kinderrechter het verzoek van de GI om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De beslissing van de kinderrechter geldt per direct.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent aan de GI ter vervanging van de toestemming van de vader vervangende toestemming voor het afnemen van een NICHD-interview bij [minderjarige] door een gedragsdeskundige van de GI en voor het maken van beeld- en geluidsopnamen van het interview, uitsluitend voor verslaglegging en analyse, conform het toestemmingsprotocol, een ander zoals overwogen in rechtsoverweging 5.2;
6.2.
houdt de beslissing op het verzoek van de vader aan tot 13 maart 2026 in afwachting van een korte briefrapportage van de GI over het afgenomen NICHD-interview en de te maken vervolgstappen in het kader van de in te zetten hulpverlening (zoals overwogen in rechtsoverweging 5.6.).
Deze beslissing is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).