ECLI:NL:RBZWB:2026:1462

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
25/6648
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9, eerste lid, AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslagen afvalstoffen-, riool- en zuiveringsheffing 2019 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing en zuiveringsheffing over het jaar 2019 voor een woonobject. De rechtbank beoordeelt het beroep op basis van de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 mei 2022.

De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift op 2 april 2025 is ingediend, ruim na de wettelijke termijn van zes weken die op 5 juli 2022 eindigde. Belanghebbende voerde aan dat hij pas na een beschikking van de rechtbank in januari 2023 duidelijkheid kreeg over de woonsituatie van zijn zoon en daardoor pas toen met objectieve gegevens kon aantonen dat de aanslagen onjuist waren. Ook gaf hij aan dat hij vertrouwde op de overheid en het recht, en pas na het niet tegemoetkomen van de heffingsambtenaar juridische hulp inschakelde.

De rechtbank erkent de lastige omstandigheden, maar oordeelt dat een termijnoverschrijding van bijna drie jaar een aanzienlijke periode is en dat belanghebbende het op zijn weg had liggen om eerder, eventueel met hulp, het beroep kenbaar te maken. De overschrijding is niet verschoonbaar, waardoor het beroep kennelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard. De rechtbank beoordeelt het beroep niet inhoudelijk en het bestreden besluit blijft in stand.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing en zuiveringsheffing 2019 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6648

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Moerdijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 mei 2022. Het beroep ziet op de aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing en zuiveringsheffing woonruimten over het jaar 2019 van het object [adres] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het beroep te laat ingediend?
3.2.
Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 24 mei 2022 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 5 juli 2022.
3.3.
Belanghebbende heeft op 2 april 2025 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
3.4.
Belanghebbende heeft hiervoor de volgende redenen gegeven. Belanghebbende voert aan dat hij middels een beschikking van de rechtbank, daterend 31 januari 2023, pas duidelijkheid heeft verkregen over de woonsituatie van zijn zoon. Pas op dit moment kon belanghebbende met objectieve gegevens aantonen dat de aan hem opgelegde aanslagen onjuist zijn. Nadat belanghebbende contact heeft opgenomen met de heffingsambtenaar en de heffingsambtenaar niet aan het verzoek van belanghebbende is tegemoetgekomen, heeft belanghebbende juridische hulp ingeschakeld en beroep ingesteld. Dat heeft hij niet eerder gedaan omdat hij vertrouwde op de overheid en het recht.
3.5.
De rechtbank heeft begrip voor de omstandigheden die belanghebbende heeft doorgemaakt en begrijpt dat het een lastige tijd is geweest. Een termijnoverschrijding van bijna 3 jaar is echter ook een aanzienlijke periode. Wat belanghebbende aanvoert leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende is toe te rekenen. Het had op zijn weg gelegen om op een eerder moment, eventueel met behulp van een derde, zijn beroep op de juiste manier kenbaar te maken. De aangevoerde omstandigheid leidt naar het oordeel van de rechtbank dus niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank merkt op dat zij begrijpt dat belanghebbende graag antwoord wil op zijn inhoudelijke vragen. De beroepstermijn is echter een ‘harde termijn’, en de rechtbank is niet bevoegd om een buiten de termijn ingediend beroepschrift toch in behandeling te nemen indien geen sprake is een verschoonbare termijnoverschrijding. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze
uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.