ECLI:NL:RBZWB:2026:1461

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
25/3634
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 6.2 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding wegens overschrijding beslistermijn bezwaar schuldenlijst

Verzoekster diende bezwaar in tegen het besluit van 16 juli 2024 waarin haar schuldenlijst te laat was ontvangen, waardoor haar schulden niet in behandeling konden worden genomen. Nadat de minister het bezwaar op 3 december 2024 deels had toegewezen, stelde verzoekster beroep in wegens het uitblijven van een volledige beslissing. De minister besloot uiteindelijk op 31 oktober 2025 volledig op het bezwaar.

De rechtbank oordeelde dat de brief van 3 december 2024 een onvolledige beslissing was en dat de minister op grond van artikel 7:11 Awb Pro gelijktijdig met het herroepen van het besluit een volledige beslissing had moeten nemen. Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De minister stelde dat de beslistermijn van één jaar niet was overschreden omdat het een aanvraagsituatie betrof, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was. De minister was aan verzoekster tegemoetgekomen door alsnog volledig te beslissen. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelde de minister tot betaling van €467 aan proceskosten en €53 aan griffierecht.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht wegens overschrijding van de beslistermijn op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3634

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. C. van der Ent),
en

de minister van Financiën.

Inleiding

1. In het besluit van 16 juli 2024 staat dat de schuldenlijst van verzoekster te laat is ontvangen en dat daarom haar schulden niet in behandeling kunnen worden genomen. Verzoekster heeft op 31 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ze heeft verweerder op 20 november 2024 in gebreke gesteld, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 31 juli 2024. De minister heeft de ingebrekestelling op 25 november 2024 ontvangen.
1.1.
Op 3 december 2024 wijst de minister het bezwaar van verzoekster toe, wat betekent dat Sociale Banken Nederland (SBN) de aangemelde schulden alsnog inhoudelijk zal beoordelen.
1.2.
Verzoekster heeft op 22 juli 2025 beroep ingesteld omdat verweerder nog steeds niet heeft beslist op haar bezwaar, omdat de inhoudelijke beoordeling van de aangemelde schulden uitblijft. De rechtbank heeft dit beroep op 23 juli 2025 ontvangen.
1.3.
De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 3 december 2024 een onvolledige beslissing op bezwaar bevat. Op grond van artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had de minister tegelijk met het herroepen van het besluit van 16 juli 2024 een beslissing moeten nemen over alle door eiseres aangemelde schulden. Nadat verzoekster beroep heeft ingesteld, beslist de minister op 31 oktober 2025 alsnog volledig op het bezwaar van verzoekster. Op dat moment zijn namelijk alle aangemelde schulden van verzoekster inhoudelijk beoordeeld. [1] Naar aanleiding van de volledige beslissing op bezwaar heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van verzoeksters proceskosten.
1.4.
In zijn brief van 11 december 2025 heeft de minister aan de rechtbank meegedeeld dat hij van mening is dat de beslistermijn van één jaar niet is overschreden. De minister is namelijk van mening dat hier sprake is van een aanvraagsituatie en hiervoor geldt de maximumtermijn van één jaar, zoals opgenomen in artikel 6.2, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen. Deze termijn was op het moment van het instellen van het beroep, op 23 juli 2025, nog niet verstreken. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister van mening is dat hij niet veroordeeld dient te worden tot betaling van de proceskosten van verzoekster.
1.5.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [3]
Is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 22 juli 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet op tijd beslissen door de minister op het bezwaar van verzoekster van 31 juli 2024. De minister heeft op 31 oktober 2025 alsnog volledig beslist op het bezwaar van verzoekster. Hiermee is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Het laatste besluit waarmee op alle aangemelde schulden is beslist, is namelijk bepalend voor de vraag of op tijd op het bezwaar van verzoekster is beslist. [4] Er is hier geen sprake van een aanvraagsituatie.
Welk bedrag aan proceskosten moet de minister aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat de minister verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. [5]

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten en € 53 aan griffierecht aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 6 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 22 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2020:219, rechtsoverwegingen 4 tot en met 4.2.
2.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4.Uitspraak van de AbRvS van 22 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2020:219, rechtsoverweging 4.1.
5.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.