ECLI:NL:RBZWB:2026:1459

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443188 / FA RK 25-6547
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming bijzondere curator voor minderjarige bij belangenconflict met ouder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 3 februari 2026 een beschikking gegeven tot benoeming van een bijzondere curator voor een minderjarige geboren in 2015, verblijvend in Nederland. De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar er bestaat een belangenconflict tussen haar en de minderjarige, die problemen ervaart in het contact met haar moeder en niet gehoord wordt.

De minderjarige heeft in een brief en tijdens een gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij het contact met haar moeder moeilijk vindt en zelf wil bepalen wanneer en of zij contact heeft. Tevens wil zij contact met haar vader, die zij sinds haar zesde niet heeft gesproken. De minderjarige verblijft sinds mei 2025 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder op grond van een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige noodzakelijk een bijzondere curator te benoemen die haar belangen in en buiten rechte zal behartigen. De benoemde bijzondere curator zal onderzoeken wat de wensen en behoeften van de minderjarige zijn, praktische zaken inventariseren en haar vertegenwoordigen. De bijzondere curator wordt verzocht uiterlijk 17 maart 2026 schriftelijk verslag uit te brengen aan de rechtbank.

De beschikking is in het openbaar uitgesproken door rechter Duinhof en griffier Swint. Indien mogelijk kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De rechtbank benoemt een bijzondere curator om de belangen van de minderjarige te behartigen bij het belangenconflict met de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/443188 / FA RK 25-6547
datum uitspraak: 3 februari 2026
beschikking over de benoeming van een bijzondere curator ex artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van
[minderjarige] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
geboren in [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2015,
verblijvende in [plaats 1] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Eindhoven.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zit het volgende stuk:
- de brief van [minderjarige] van 18 december 2025.
1.2
De kinderrechter heeft op 3 februari 2026 gesproken met [minderjarige] .

2.De feiten

2.1
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
Bij beschikking van 25 juni 2018 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van
de GI met ingang van 25 juni 2018 en tot 15 september 2018, met afwijzing van het resterende deel van het verzoek strekkende tot voorlopige ondertoezichtstelling. Tevens is
een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 juni 2018 en tot 6 augustus 2018.
2.3
Bij beschikking van 1 augustus 2018 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 6 augustus 2018 en tot 15 september 2018.
2.4
Bij beschikking van 13 september 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 13 september 2018 en tot 13 september 2019. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 13 september 2018 en tot 13 februari 2019.
2.5
De ondertoezichtstelling is steeds verlengd, voor het laatst tot 13 september 2021. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing is steeds verlengd, tot 13 augustus 2020. [minderjarige] woonde sindsdien weer bij de moeder thuis.
2.6
Bij beschikking van 24 mei 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 24 mei 2024 en tot 24 mei 2025.
2.7
Bij beschikking van 6 augustus 2024 is een (spoed)machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 augustus 2024 en tot 20 augustus 2024, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
2.8
Bij beschikking van 13 augustus 2024 heeft de kinderrechter de spoedmachtiging
van 6 augustus 2024 herroepen met ingang van 17 augustus 2024 en het overige deel van het verzoek afgewezen.
2.9
Bij beschikking van 16 augustus 2024 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 16 augustus 2024 en tot 30 augustus 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.1
Bij beschikking van 22 augustus 2024 heeft de kinderrechter het resterende deel van het (spoed)verzoek afgewezen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 30 augustus 2024 en tot 24 januari 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.11
Bij beschikking van 7 november 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 november 2024 en tot 21 november 2024. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
2.12
Bij beschikking van 14 november 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder toegewezen met ingang van 21 november 2024 en tot 24 januari 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.13
Bij beschikking van 22 januari 2025 is de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 januari 2025 en tot 24 mei 2025.
2.14
Bij beschikking van 20 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 24 mei 2025 en tot 24 mei 2026. Hiernaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 24 mei 2025 en tot 24 mei 2026.
2.15
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde beschikking in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.De brief van [minderjarige] en het gesprek met [minderjarige]

3.1
heeft in het kader van de informele rechtsingang in haar brief geschreven en in het gesprek met de kinderrechter onder meer verteld dat ze één keer per twee weken een belmoment met haar moeder heeft, maar dat ze dit lastig vindt, omdat een groot deel van de belmomenten niet goed verloopt en er slechte herinneringen naar boven komen als ze haar moeder ziet of spreekt. Ze zou graag zelf willen bepalen, samen met haar jeugdbeschermer, of en wanneer ze contact heeft met haar moeder. Ook is [minderjarige] bang dat ze weer bij de moeder moet gaan wonen; dit wil ze niet. [minderjarige] wil graag therapie, maar de moeder is het hier niet mee eens. Hiernaast wil [minderjarige] graag contact met haar vader. Ze wil in eerste instantie met hem bellen, omdat ze hem niet meer gesproken heeft sinds ze zes jaar oud was.

4.De beoordeling

4.1
Artikel 1:250 BW Pro bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige terzake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
4.2
Gelet op de brief van [minderjarige] en hetgeen zij de kinderrechter verteld heeft, is gebleken dat zich een belangenstrijd voordoet in de zin van artikel 1:250 BW Pro. [minderjarige] ervaart problemen in het contact met haar moeder en ervaart hierin niet te worden gehoord.
4.3
De rechtbank acht het – ambtshalve en zonder voorafgaand verhoor van de moeder en de GI hierover – in het belang van [minderjarige] dat een bijzondere curator haar belangen in en buiten rechte gaat behartigen.
4.4
De rechtbank heeft mevrouw mr. [de bijzondere curator] , advocaat kantoorhoudende te [plaats 2] , bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zij zal hiertoe worden benoemd. De rechtbank heeft hierover contact opgenomen met mevrouw mr. [de bijzondere curator] , die aangaf de opdracht te aanvaarden.
4.5
De bijzondere curator dient:
- te onderzoeken wat de wensen en behoeften van [minderjarige] zijn en welke juridische stap hier het beste bij past;
- te inventariseren welke (praktische) zaken er voor [minderjarige] geregeld dienen te worden en haar hierin te ondersteunen;
- [minderjarige] in dit kader in- en buiten rechte te vertegenwoordigen.
4.6
De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met [minderjarige] . Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen die informatie over de situatie van [minderjarige] kunnen verschaffen, in overleg met [minderjarige] .
4.7
Voorts verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek in acht te nemen. Daarnaast verzoekt de rechtbank de bijzondere curator uiterlijk
17 maart 2026of zo veel eerder als mogelijk schriftelijk te rapporteren aan de rechtbank met inachtneming hetgeen hierboven in rechtsoverweging 4.5 is overwogen.
4.8
Het voorgaande brengt mee dat als volgt wordt beslist.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
benoemt met ingang van heden tot bijzondere curator over de hiervoor genoemde minderjarige [minderjarige] :
mr. [de bijzondere curator] ,
kantoorhoudende te [plaats 2] , [adres] ,
5.2
verzoekt de bijzondere curator om op uiterlijk
17 maart 2026 PRO FORMAschriftelijk verslag te doen van haar bevindingen;
5.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 door mr. Duinhof, rechter, aanwezigheid van drs. Swint, griffier en op schrift gesteld op 9 februari 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.