ECLI:NL:RBZWB:2026:1458

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443570 / JE RK 25-2335
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens vertraagde hulpverlening en noodzaak toezicht

De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds 13 februari 2025 onder toezicht staat. De kinderrechter heeft op 3 februari 2026 de zitting gehouden, waarbij de GI, ouders en hun advocaat aanwezig waren. De minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van het kindgesprek.

De GI stelt dat de gestelde doelen uit de eerdere beschikking nog niet zijn bereikt, mede doordat de hulpverlening pas laat is gestart. Er is onvoldoende zicht op de opvoedsituatie bij beide ouders en er is nog geen onderzoek gedaan naar mogelijke traumaproblematiek bij de minderjarige. Positief is dat ouders afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling en de communicatie goed verloopt. De GI benadrukt dat hulpverlening noodzakelijk is om terugval in conflicten te voorkomen en dat de verlenging van zes maanden passend is gezien de positieve stappen van ouders.

Vader accepteert de verlenging, hoewel hij het vervelend vindt, en wil dat de minderjarige zo min mogelijk wordt belast. Moeder stond aanvankelijk kritisch tegenover verlenging, maar stemt uiteindelijk in onder voorwaarde dat de hulpverlening voortvarend wordt opgepakt en ouders zorgvuldig worden betrokken. De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken. Daarom is verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk.

De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van 13 februari 2026 tot 13 augustus 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken en op 11 februari 2026 schriftelijk vastgelegd. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige met zes maanden vanwege vertraagde hulpverlening en het belang van voortgezet toezicht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443570 / JE RK 25-2335
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader middels een telefonische verbinding;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een kindgesprek. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont afwisselend week op week af bij zijn vader en moeder.
2.3.
[minderjarige] is door de kinderrechter onder toezicht gesteld met ingang van 13 februari 2025 tot 13 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat het merendeel van de gestelde doelen zoals genoemd in de beschikking van 13 februari 2025 nog niet zijn bereikt. Er is nog onvoldoende zicht op de opvoedsituatie bij beide ouders om te kunnen waarborgen dat [minderjarige] in een stabiele en veilige omgeving opgroeit. Tot op heden is de hulpverlening nog niet gestart die zicht zou moeten geven op de opvoedsituatie bij beide ouders. Een intakegesprek met vader en [minderjarige] met [praktijk] heeft pas op 23 december 2025 plaatsgevonden. Het gesprek met moeder moest opnieuw gepland worden, omdat zij de aanvankelijke afspraak was vergeten. Dit gesprek staat gepland op 8 januari 2026. Een concreet en betrouwbaar beeld van de thuissituatie en de opvoedvaardigheden van beide ouders ontbreekt dus nog. Positief is dat ouders afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling; [minderjarige] verblijft afwisselend een week bij de vader en de moeder. De communicatie tussen ouders verloopt op het moment goed. Het is nog nodig dat hulpverlening ouders ondersteunt bij het opstellen van een ouderschapsplan. Alle afspraken dienen duidelijk te worden vastgelegd, zodat terugval in conflict of chaos voorkomen dient te worden. Er is ook nog geen onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van traumaproblematiek bij [minderjarige] . De eerdere zorgen rondom basale verzorging en vermoeidheid spelen op school niet meer. Wel geeft de school aan dat [minderjarige] gebaat is bij meer individuele begeleiding, vooral bij huiswerk en bij het ontwikkelen van sociale contacten. [minderjarige] lijkt behoefte te hebben aan meer nabijheid en structuur van een volwassene die hem ondersteunt bij activiteiten die verder reiken dan gamen en hij zou meer aansluiting bij andere kinderen mogen ontwikkelen. Verder heeft de GI een MMA-melding ontvangen die betrekking heeft op moeder. De melding vereist nader onderzoek en roept vragen op over de stabiliteit en veiligheid binnen de thuissituatie. Zonder voortzetting van de ondertoezichtstelling kan dit onderzoek niet zorgvuldig en met de nodige waarborgen worden uitgevoerd. Hulpverlening in het vrijwillig kader levert te weinig op. Vooral moeder heeft een lange geschiedenis van afspraken niet nakomen, niet tijdig reageren op verzoeken en moeite met het plannen van afspraken. Dit heeft in het verleden geleid tot stagnerende hulpverlening. De verlening van de maatregel is daarom noodzakelijk. Tijdens de zitting heeft de GI benadrukt dat ouders positieve stappen hebben gemaakt en dat zij daarom een verlenging van zes maanden verzoekt in plaats van bijvoorbeeld een jaar. De hulpverlening is nog steeds niet gestart omdat de afspraak op 8 januari 2026 niet door is gegaan. Het is wel belangrijk dat de hulpverlening gaat starten en als dat goed gaat en afspraken worden gemaakt en nagekomen dat daarna de regiefunctie afgeschaald kan worden. De GI heeft de insteek om, als alles goed gaat, partijen over te dragen aan de hulpverlening in het vrijwillig kader. Daarvoor is wel nodig dat op bepaalde gebieden nog goede afspraken worden gemaakt.
4.2.
Vader accepteert een verlenging van de ondertoezichtstelling, ook al vindt hij het vervelend. Het ligt namelijk niet aan ouders dat de hulpverlening zo lang op zich laat wachten. De vader wil wel dat [minderjarige] zoveel mogelijk buiten de hulpverlening wordt gehouden en niet wordt belast met zaken waarmee hij niet belast hoeft te worden.
4.3.
Door en namens de moeder is in eerste instantie aangegeven dat ze niet achter een verlenging van de ondertoezichtstelling kan staan. Een jaar geleden was de ondertoezichtstelling echt nodig, maar nu hebben ouders positieve stappen gezet. Op school hebben ouders enkel positieve geluiden gehoord van de leerkrachten en niet dat [minderjarige] nog verdere ondersteuning nodig heeft. Verder heeft [minderjarige] volgens ouders geen last van een trauma. Beide ouders zijn zelf getraumatiseerd door hun jeugd en weten goed welke symptomen dat geeft. Ouders zien dat niet terug bij [minderjarige] . Daarbij willen ze voor [minderjarige] het beste en voeden hem liefdevol op. Ouders hebben zorgen of [minderjarige] niet teveel belast gaat worden of moet worden met een onderzoek naar een eventueel trauma. Uiteindelijk kan ook de moeder, net als de vader, instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling mits de GI er goed op toeziet dat de losse eindjes die er nog zijn met hulpverlening voortvarend opgepakt gaat worden en in gang gezet wordt. Alle zeilen moeten bijgezet worden om het binnen dit half jaar te laten slagen, anders zal de weerstand van ouders enkel groter worden. Met deze gevoelens van weerstand zal de hulpverlening ook rekening dienen te houden. Ouders moeten op een positieve wijze meegenomen worden in het proces, zorgvuldigheid en openheid richting ouders is nodig. Het is geen onwil van ouders maar onmacht.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de doelen waarop de ondertoezichtstelling ziet nog niet zijn behaald. Het is ouders te prijzen, zoals ook ter zitting meerdere malen door de kinderrechter is verteld, dat zij een zorgregeling afgesproken hebben die duidelijk is voor [minderjarige] en op het gebied van basale verzorging vooruitgang is geboekt. Ook heeft de kinderrechter geconstateerd dat ouders op dit moment goed met elkaar communiceren. Ze communiceren met elkaar als ouders over [minderjarige] en hebben beide zorgen of een onderzoek naar een eventueel trauma hem niet teveel belast. Ook dit is te prijzen dat ouders in het belang van [minderjarige] denken. Echter, er moeten nog meer duidelijke afspraken komen tussen ouders over [minderjarige] en opgenomen worden in een ouderschapsplan. Mocht er toch een terugval van ouders zijn in conflicten dan zijn er duidelijke afspraken gemaakt die nagekomen moeten worden. De hulpverlening hiervoor staat in de startblokken. Ook moet er nog meer zicht komen op de opvoedsituaties bij beide ouders (waaronder de MMA-melding aan de zijde van moeder). Verder is nog onduidelijk of er bij [minderjarige] eventueel trauma bestaat. Zoals besproken ter zitting kan het geen kwaad dat er bekeken wordt of [minderjarige] eventueel een trauma heeft. Er dient daarom nog gewerkt te worden aan een duurzame stabiele en veilige opvoedomgeving voor [minderjarige] . Alles met de insteek dat de weg die ouders nu ingeslagen zijn in deze stijgende lijn wordt voortgezet. De kinderrechter spreekt hier wel de hoop uit dat de hulpverlening in dit kader voortvarend wordt ingezet en voortgezet. Afspraken vanuit de hulpverlening zullen daarbij zoveel als mogelijk nagekomen moeten worden. De kinderrechter hoopt dat ouders na zes maanden weer zelf de verantwoordelijkheid over [minderjarige] kunnen dragen en de hulpverlening in het vrijwillig kader kan worden voortgezet. Laat dat een motivatie zijn voor ouders om de komende periode de schouders eronder te zetten. De kinderrechter geeft de GI daarin wel mee dat ouders meegenomen moeten worden in het proces en er rekening moet worden gehouden met hun gevoelens van weerstand.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan nu nog niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat in het verleden is gebleken dat hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende van de grond is gekomen. De hulpverlening is in het verleden zelfs gestagneerd doordat met name aan de zijde van moeder afspraken niet na werden gekomen.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 13 februari 2026 tot 13 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 11 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.