ECLI:NL:RBZWB:2026:1457

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444256 / JE RK 26-120
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige voor voortzetting ondertoezichtstelling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds juli 2025 in een gesloten jeugdhulpaccommodatie verbleef. De minderjarige heeft zich tijdens deze periode positief ontwikkeld en volgt nu een begeleid-wonen traject met intensieve begeleiding en dagbesteding. Terugkeer naar het gezinshuis of de vader is vanwege veiligheidsrisico's niet verantwoord.

De vader, belast met het ouderlijk gezag, stemt in met het verzoek en erkent dat terugkeer naar huis momenteel niet mogelijk is. De kinderrechter weegt het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige en concludeert dat de machtiging noodzakelijk is om de opgebouwde stabiliteit en voortgang in de behandeling te waarborgen.

De machtiging wordt verleend voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling tot 3 juni 2026 en wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de beslissing direct kan worden uitgevoerd ondanks eventueel hoger beroep. De uitspraak is gedaan op 3 februari 2026 en schriftelijk vastgelegd op 6 februari 2026.

Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444256 / JE RK 26-120
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.C. van den Doel te Zierikzee.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 22 januari 2026 en alle daarin vermelde stukken.
1.2.
Op 3 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader (via een online verbinding)
  • de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken over het verzoek.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 3 september 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI
met ingang van 3 september 2024 en tot 3 juni 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 30 mei 2025 verlengd tot 3 juni 2026.
2.3.
Bij beschikking van 11 februari 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 19 februari 2025 en tot 3 juni 2025.
2.4.
Bij beschikking van 30 mei 2025, hersteld bij beschikking van 25 november 2025,
2.5.
is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 3 juni 2025
en tot 3 december 2025.
2.6.
Bij beschikking van 7 juli 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in
een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 7 juli 2025 en tot 7
oktober 2025.
2.7.
Bij beschikking van 23 september 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te
plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 7 oktober
2025 en tot 18 november 2025.
2.8.
Bij beschikking van 14 november 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te
plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 18
november 2025 en tot 7 januari 2026.
2.9.
Bij beschikking van 22 januari 2026 is het verzoek van de GI om zonder voorafgaand horen van belanghebbende te beslissen op het verzoek van de GI afgewezen en is het verdere verzoek aangehouden tot de zitting van 3 februari 2026.
2.10.
[minderjarige] verblijft accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt, onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van de
belanghebbenden, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van
een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de
beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI geeft aan dat [minderjarige] sinds 7 juli 2025 gesloten was geplaatst bij [accommodatie] was. De therapie van [minderjarige] bij [therapeut] is gestart op 26 augustus 2025. [minderjarige] liet veel zorgelijk gedrag zien bij [accommodatie] , waardoor hij wekelijks in de herstelkamer verbleef. [accommodatie] zag dat hij in de weerstand zat en het heel erg moeilijk vond om zijn kwetsbare kanten te laten zien. Het was echt heel erg belangrijk dat [minderjarige] een switch ging maken en alle hulp die er voor hem is aan ging nemen. Alleen dan zouden de opgestelde doelen behaald kunnen worden en dan zou er zicht komen op uitstroom bij de gesloten jeugdzorg.
[minderjarige] is op 6 januari 2026 uitgestroomd uit [accommodatie] . Tijdens zijn gesloten plaatsing heeft [minderjarige] zich positief ontwikkeld: hij volgde zijn therapieën, werkte consequent aan zijn persoonlijke schema’s en toonde inzet binnen de groep. Zijn vrijheden werden gedurende zijn verblijf zorgvuldig opgebouwd, en [minderjarige] liet zien dat hij deze verantwoordelijkheid kon hanteren. Hij is regelmatig met verlof naar zijn vader gegaan en deze momenten zijn over het algemeen goed verlopen. Hoewel het contact met de vader tijdens het verlof positief verliep, is [minderjarige] altijd duidelijk geweest dat hij niet bij zijn vader wil wonen. Zijn wens was om na de gesloten plaatsing terug te keren naar het gezinshuis waar hij voor zijn opname verbleef. Vanwege eerdere incidenten en risico’s die in het verleden zijn gebleken, was het echter niet verantwoord om [minderjarige] direct volledig terug te laten keren naar het gezinshuis zonder aanvullende structuur en toezicht. Om tegemoet te komen aan zijn wens
én tegelijkertijd de veiligheid te kunnen waarborgen, is gekozen voor een constructie waarbij [minderjarige] op een begeleid-wonen-appartement binnen [gezinshuis] kon gaan wonen. Sinds zijn uitstroom verblijft [minderjarige] op deze plek. Hij ontvangt daar dagelijks drie uur 1-op-1 begeleiding, volgt vijf dagen per week dagbesteding en staat onder duidelijke voorwaarden vanuit de jeugdreclassering. Om zijn veiligheid en ontwikkeling te ondersteunen, zijn strikte afspraken gemaakt waaraan [minderjarige] zich moet houden. Deze combinatie van intensieve begeleiding, vaste dagstructuur en toezicht is essentieel gebleken om de positieve lijn die bij [accommodatie] is ingezet, voort te zetten. De huidige situatie biedt [minderjarige] rust, veiligheid en duidelijkheid. De plek sluit aan bij zijn wensen én bij wat professionals nodig achten om verdere risico’s te beperken. Zonder juridische borging van deze woonplek bestaat het risico dat de zorgvuldig opgebouwde stabiliteit wegvalt. Dat zou onmiddellijk gevolgen hebben voor zijn veiligheid, voor de continuïteit van zijn begeleiding en
voor de voortgang die hij de afgelopen periode heeft geboekt.
De machtiging is nodig om de huidige veilige situatie te behouden, de ingezette behandeling en begeleiding te waarborgen en herhaling van eerdere onveilige situaties te voorkomen. [minderjarige] heeft de afgelopen periode hard gewerkt en laat zien dat hij met de juiste ondersteuning stappen kan zetten – het voortzetten van deze plek is essentieel om die lijn vast te houden.
De GI voegt daar nog aan toe dat het heel goed gaat met [minderjarige] . Hij is aan het kijken naar opleidingen en heeft zelf een baantje geregeld. Bij [accommodatie] hield hij op het laatst afstand van ruzies en dat doet hij nu nog steeds. Dat is een goede ontwikkeling.
4.2.
Namens en door de vader is aangegeven dat de vader het liefst zou willen dat [minderjarige] terug thuis komt wonen, maar beseft dat dit niet kan. [minderjarige] zit op zijn plek waar hij nu zit. De vader kan instemmen met het verzoek van de GI en hoopt dat [minderjarige] blijft laten zien dat hij ervoor gaat.

5.De verdere beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal het onweersproken verzoek van de GI toewijzen. De kinderrechter legt dit als volgt uit. toe.
5.3.
[minderjarige] heeft tijdens zijn gesloten plaatsing bij [accommodatie] grote stappen in zijn ontwikkeling gezet. Het was na afloop van de plaatsing van [minderjarige] bij [accommodatie] niet de bedoeling dat [minderjarige] terug thuis bij de vader zou gaan wonen. Dit is ook (nog) niet mogelijk. Omdat er een ondertoezichtstelling loopt, is er – wanneer een kind niet thuis woont – een machtiging uithuisplaatsing nodig. Voor [minderjarige] is het van belang dat de huidige maatwerkplaatsing geformaliseerd wordt.
5.4.
De kinderrechter zal de machtiging verlenen voor de (resterende) duur van de ondertoezichtstelling.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 3 februari 2026 en tot 3 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 6 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.