ECLI:NL:RBZWB:2026:1454

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444296 / JE RK 26-126
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens veiligheidszorgen

De moeder van de minderjarige is overleden, waarna de vader het ouderlijk gezag kreeg. Na een incident op 25 december 2025 waarbij de vader de minderjarige met een laptopadapter sloeg, is zij met haar broertje geplaatst bij een jeugdhulpaanbieder. De minderjarige wil niet terug naar huis vanwege angst voor seksuele ongewenste handelingen en agressie van de vader.

De vader houdt de hulpverlening buiten de deur en heeft zorgelijke overtuigingen over de seksuele ontwikkeling van zijn dochter, wat tot een kloof tussen hen heeft geleid. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

De kinderrechter oordeelt dat de veiligheid van de minderjarige in de thuissituatie onvoldoende gewaarborgd is en dat er een ernstig vermoeden bestaat dat haar ontwikkeling acuut en ernstig wordt bedreigd. Daarom wordt de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden toegekend, met directe uitvoerbaarheid, ook bij hoger beroep.

De vader verzet zich tegen de uithuisplaatsing en pleit voor een cultuur sensitieve aanpak en vrouwelijke hulpverleners, maar de rechter acht de veiligheid en het belang van de minderjarige prevalerend. De minderjarige verblijft inmiddels in een opvang en zal mogelijk doorstromen naar een gezinshuis.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe vanwege ernstige veiligheidszorgen en de wens van de minderjarige niet terug te keren naar de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444296 / JE RK 26-126
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Eindhoven,
hierna te noemen Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.T.A.G. Keller (voorheen mr. E.M.A. Leijser).
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • de beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2026 en de daarin vermelde stukken;
  • het stelbericht van mr. R.T.A.G. Keller voor de vader van 27 januari 2026;
  • de brief van mr. Keller van 28 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat;
  • twee vertegenwoordigsters van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad;
  • een tolk Franse taal voor de vader.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder van [minderjarige] is overleden. De vader is sindsdien van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont samen met haar broertje [broertje] bij de vader. Sinds 25 december 2025 verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] . [broertje] is inmiddels weer terug thuis bij de vader met veiligheidsafspraken.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 januari 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 6 februari 2026. Gelijktijdig heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 6 februari 2026. De belanghebbenden zijn daarbij niet gehoord.

3.Het verzoek

3.1.
Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft haar verzoek. Op 25 december 2025 heeft een escalatie plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige] , waarbij de vader [minderjarige] heeft geslagen met een adapter van een laptop en zij een hoofdwond heeft opgelopen. [minderjarige] heeft zelf 112 gebeld en er is een ambulance gekomen die haar naar het ziekenhuis heeft gebracht. Vervolgens is [minderjarige] diezelfde dag, samen met haar broertje [broertje] , geplaatst op een crisisplek bij [accommodatie] , met toestemming van de vader. Deze plaatsing loopt tot 22 januari 2026. [broertje] is inmiddels weer terug thuis bij de vader met veiligheidsafspraken.
4.2.
Op 22 januari 2026 verschijnt de vader op het politiebureau en maakt een verwarde indruk. Hij geeft aan dat hij [minderjarige] gaat ophalen bij [accommodatie] , omdat haar plaatsing vandaag afloopt. Op 15 januari 2026 is door de [hulpverlening] nog tegen de vader gezegd dat [minderjarige] niet terug naar huis komt. [minderjarige] wil dit zelf ook niet. De vader was het hier niet mee eens, maar heeft de plaatsing gedoogd. De vader houdt op dit moment de hulpverlening buiten de deur, omdat hij ervan overtuigd is dat de hulpverlener seks met [minderjarige] heeft gehad en dat zij nu bij [accommodatie] geplaatst is zodat andere mannen seks met haar kunnen hebben.
4.3.
De veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie bij de vader wordt onvoldoende gewaarborgd. Daarnaast is de vader van mening dat hij, zolang [minderjarige] nog geen zestien jaar is, degene is die haar mag ontmaagden in het kader van seksuele voorlichting. Ook houdt de vader sinds 20 januari 2026 de betrokken hulpverlening buiten de deur. De plaatsing van [minderjarige] bij [accommodatie] kan verlengd worden, waarna zij door kan stromen naar een gezinshuis. De vader is het hier niet mee eens. Gezien de zorgen is het thans niet in het belang van [minderjarige] om terug te keren naar de thuissituatie bij de vader, [minderjarige] wil dit zelf ook niet.
4.4.
De Raad heeft ter zitting toegelicht dat de bestaande zorgen onderzocht moeten worden. Dit begint zich nog echter in het beginstadium. Naar verwachting zal er ook naar [broertje] gekeken gaan worden. Er moet duidelijkheid komen of er incidenten zijn gebeurd die strafbaar zijn. In de visie van de Raad dient het NICHD-protocol ingezet te worden om beter zicht te krijgen op de situatie.
4.5.
Door en namens vader is ter zitting naar voren gebracht dat vader veel heeft meegemaakt in het verleden. Hij heeft [minderjarige] en [broertje] medio 2024 in Guinee opgehaald in verband met hun (on)veiligheid aldaar. Vader wil ze hier een veilig bestaan geven en goede ontwikkelkansen bieden. Zijn vaderrol heeft hij al die tijd naar zijn beste kunnen ingevuld. Er is tussen vader en [minderjarige] echter wel een kloof ontstaan over hoe zij zich goed kan voorbereiden op haar volwassenheid. De vader vindt het belangrijk dat ze vrijheden heeft en activiteiten kan ondernemen, maar heeft anderzijds ook zorgen wat deze vrijheid voor haar betekent. Vader heeft de angst dat [minderjarige] jong zwanger wordt en dat wil hij niet. Het is echter steeds meer gaan botsen hierover tussen vader en [minderjarige] met als dieptepunt het incident met Kerst. De vader heeft nu ook zorgen wat de uithuisplaatsing betekent voor de ontwikkeling van [minderjarige] in de breedste zin van het woord. Ze kan nu ook niet naar haar vertrouwde school. De advocaat van vader heeft met vader besproken dat het incident en zijn uitlatingen zeer zorgelijk zijn. De vader kan dat aanhoren en begrijpen. De vader heeft echter geen enkel vertrouwen in de mannelijke hulpverlener die bij hem thuis kwam, hij heeft dan ook de voorkeur dat een vrouwelijke hulpverleenster wordt ingezet. Daarnaast heeft de advocaat van de man aangegeven dat er een voorkeur bestaat voor een cultuur sensitieve aanpak. De vader is van mening dat de uithuisplaatsing eerder slecht dan goed is voor zijn dochter. Het is geenszins zijn intentie om [minderjarige] ongewenst aan te raken. Het ontbreken van ieder contact tussen vader en dochter is ook niet goed. De vader verzoekt dan ook het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen.
4.6.
De GI heeft reeds met [accommodatie] en vader gesproken. [minderjarige] had zij ten tijde van de zitting nog niet gesproken. [accommodatie] heeft bij de GI aangegeven dat [minderjarige] niet naar de vader wil.

5.De nadere beoordeling

5.1.
De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 22 januari 2026 moet worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat uit de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, volgt dat van het voorgaande geen sprake is en dat daarom de spoedbeslissing niet wordt herroepen en daarmee zijn werking behoudt.
5.2.
Nu ligt nog voor het resterende deel van het spoedverzoek en het aansluitende verzoek tot machtiging uithuisplaatsing.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarom is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter overweegt hierbij dat de uitlatingen van de vader zeer zorgelijk zijn. De vader vindt het erg belangrijk dat [minderjarige] maagd is/blijft en heeft de vaste overtuiging ontwikkeld dat zolang [minderjarige] geen zestien jaar oud is, seks in een veilige setting dient plaats te vinden en dat die veilige setting bij hem is. Hierdoor is steeds meer een kloof ontstaan tussen de vader en [minderjarige] , wat uiteindelijk heeft geleid tot het incident met Kerst 2025. [minderjarige] heeft zowel bij [accommodatie] alsook in haar gesprek met de kinderrechter aangegeven niet terug naar vader te willen. Ze heeft angst dat de vader seksuele ongewenste handelingen met haar verricht en/of zich nogmaals agressief gedraagt. Er dient daarom meer (in)zicht in en duidelijkheid te komen over de ontstane situatie en de zorgen die er zijn. Er is geen zicht op de thuissituatie en de vader heeft desgevraagd ter zitting ook verklaard dat hij geen hulpverlening nodig heeft. Hij houdt de hulpverlening buiten de deur. De veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie bij de vader kan daarom nog steeds onvoldoende gewaarborgd worden. Om haar veiligheid te waarborgen zal de kinderrechter het verzoek van de Raad voor het overige toewijzen en zal zij de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing uitspreken voor de verzochte duur.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 6 februari 2026 tot 22 april 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 februari 2026 tot 22 april 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).