ECLI:NL:RBZWB:2026:1448

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/02/440765 / JERK 25-1835, C/02/442783 / JERK 25-2191 en C/02/443761 / JERK 26-31
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarigen met gedeeltelijke gezagswijziging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 19 januari 2026 de verzoeken van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen, geboren in 2009, 2012 en 2014. Tevens werd verzocht om gedeeltelijke toekenning van gezag aan de GI voor de aanmelding van een van de minderjarigen bij een onderwijsinstelling.

De feiten tonen dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De moeder oefent het gezag uit, maar kampt met beperkingen in het adequaat uitvoeren van haar ouderlijke taken, mede door een laag IQ en onvoldoende structuur. De minderjarigen verblijven deels bij pleegouders en grootouders. De GI stelt dat voortzetting van uithuisplaatsing noodzakelijk is vanwege problematiek, schoolverzuim en gedragsproblemen. De moeder erkent de situatie maar vraagt om beperking van de duur van machtigingen.

De rechtbank oordeelt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden voor een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste wordt verlengd bij de grootouders, terwijl voor de twee oudste een plaatsing op een behandelgroep het meest passend is, ondanks hun voorkeur om bij de grootouders te blijven. De machtigingen voor hen worden voorlopig beperkt tot vier maanden met een tussentijds toetsmoment. Daarnaast wordt het gezag over de schoolaanmelding van de oudste gedeeltelijk aan de GI toegekend om verdere leerachterstanden te voorkomen.

De besluiten zijn uitvoerbaar bij voorraad en de behandeling van resterende verzoeken wordt aangehouden tot 28 april 2026. De moeder wordt verzocht haar beschikbaarheid voor een nieuwe zitting door te geven. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarigen en kent gedeeltelijk gezag toe aan de gecertificeerde instelling voor schoolaanmelding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/440765 / JE RK 25-1835
C/02/442783 / JE RK 25-2191
C/02/443761 / JE RK 26-31
Datum uitspraak: 19 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaken van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] (België),
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 1] (België),
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 3] 2014 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende in alle zaken aan:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet uit Breda,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden in de zaken C/02/440765 / JE RK 25-1835 en C/02/442783 / JE RK 25-2191 aan:
[grootouder 1]en
[grootouder 2],
beiden wonende in [woonplaats 1],
hierna te noemen de grootouders (moederszijde), tevens pleegouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
In de zaak C/02/442783 / JE RK 25-2191 was betrokken:
[de tante] , wonende in [woonplaats 2] ,
de tante (moederszijde), tevens de voormalige pleegmoeder van [minderjarige 1] . Nu [minderjarige 1] echter niet meer bij haar woont, zal zij verder niet meer betrokken worden door de rechtbank.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

C/02/440765 / JE RK 25-1835
1.1.
Dit blijkt uit het volgende stuk:
- de beschikking van de kinderrechter van 20 november 2025 en alle daarin vermelde stukken.
C/02/442783 / JE RK 25-2191
1.2.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 8 december 2025, ontvangen op (eveneens) 8 december 2025;
- het e-mailbericht van de tante van 18 januari 2026;
- de schriftelijke verklaring van de moeder, ontvangen op 19 januari 2026.
C/02/443761 / JE RK 26-31
1.3.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 29 december 2025, ontvangen op 8 januari 2026;
- het bericht van de griffier gericht aan de Raad voor de Kinderbescherming van 12 januari 2026.
1.4.
De zaken zijn gelijktijdig tijdens de zitting van 19 januari 2026 met gesloten deuren door de kinderrechter behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI;
- de pleegmoeder.
De tante is, met voorafgaand bericht, niet op de zitting verschenen. Zij zal verder niet meer worden betrokken door de rechtbank.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tijdens de gesprekken met haar hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
Bij beschikking van 16 januari 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 24 januari 2026. Tevens is bij die beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 24 juli 2025 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI.
2.3.
Bij beschikking van 21 juli 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 24 januari 2026.
2.4.
Bij beschikking van 9 oktober 2025, opgevolgd bij beschikking van 20 oktober 2025, is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 24 januari 2026.
2.5.
Bij beschikking 20 november 2025 is de beslissing ten aanzien van het verzoek van de GI tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aangehouden voor de duur van twee maanden (bekend onder zaaknummer C/02/440765 / JE RK 25-1835).
2.6.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven op dit moment in een netwerkpleeggezin, namelijk bij hun grootouders moederszijde. [minderjarige 3] verblijft bij [accommodatie] , [groep] , in [plaats 1] .

3.De verzoeken

C/02/440765 / JE RK 25-1835
3.1.
Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de GI van 10 oktober 2025 tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.
C/02/442783 / JE RK 25-2191
3.2.
Ter beoordeling ligt voor de verzoeken van de GI van 8 december 2025 tot:
- verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar;
- verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling;
- het verlenen van toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 2] naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder op grond van artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW);
- verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling;
- verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) voor de duur van de ondertoezichtstelling,
steeds met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.
C/02/443761 / JE RK 26-31
3.3.
Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de GI van 29 december 2025 om op grond van artikel 1:265e van het BW te bepalen dat het gezag over [minderjarige 1] gedeeltelijk, namelijk voor zover het betreft de aanmelding van [minderjarige 1] bij een onderwijsinstelling, wordt toegekend aan de GI en te bevelen dat de gedeeltelijke gezagstoekenning aangetekend zal worden in het gezagsregister, met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoeken het volgende (samengevat) aangevoerd.
Hoewel ten aanzien van [minderjarige 3] inmiddels sprake is van een passende daginvulling waarbij hij volledig naar school gaat, geldt dat nog niet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] is nog niet gestart met school omdat het de moeder tot op heden niet is gelukt om hem aan te melden bij [onderwijsinstelling] . Weliswaar heeft [minderjarige 1] een daginvulling buiten school waarbij hij werkt bij [winkel 1] en bij [winkel 2] , maar dit compenseert het ontbreken van onderwijs niet. [minderjarige 2] gaat, ondanks de afspraak die met haar is gemaakt om twee uur per dag naar school te gaan, op dit moment nog steeds niet naar school. Zij laat passief gedrag zien, hangt veel op straat rond en gebruikt nagenoeg dagelijks wiet. Voor [minderjarige 3] wordt op dit moment met de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] doen wat werkt (hierna [hulpverlening 1] ) bekeken hoe hij, nu het onderwijs positief verloopt, zijn vrije tijd beter zou kunnen invullen en hoe hij buiten school positieve sociale contacten leert opbouwen.
Ten aanzien van [minderjarige 1] zijn meerdere behandeltrajecten opgestart ten tijde van zijn verblijf bij zijn tante in [woonplaats 2] , waaronder een traject delictanalyse, psycho-educatie gericht op ADHD, ODD en NAO en PMT. Deze trajecten zijn gestagneerd door zijn verhuizing van zijn tante in [woonplaats 2] naar [accommodatie] in [plaats 1] . Momenteel is jeugdreclassering Tilburg bezig met het herstarten van de behandeltrajecten in Tilburg, zodat deze voortgezet kunnen worden. Ook ten aanzien van [minderjarige 2] is door middel van diverse behandeltrajecten geïnvesteerd in haar ontwikkeling en welzijn, waaronder EMDR, Kick-start, preventie vanuit Novadic en een buddy vanuit [hulpverlening 1] . Zij lijkt op dit moment echter, met uitzondering van de begeleiding die [hulpverlening 1] haar biedt, niet open te staan voor hulp die noodzakelijk is om haar problematiek aan te pakken. Zij is herhaaldelijk niet verschenen bij therapieafspraken en heeft trajecten voortijdig beëindigd. [minderjarige 3] is begin november 2025 begonnen met traumabehandeling, maar medio december 2025 is dit traject gestopt omdat [minderjarige 3] hiervoor onvoldoende gemotiveerd was. Onderzocht wordt nu of PMT voor [minderjarige 3] helpend zou kunnen zijn om het verleden achter zich te laten. Ook [minderjarige 3] krijgt ondersteuning van een buddy van [hulpverlening 1] .
[hulpverlening 2] is betrokken bij de moeder en werkt aan een WLZ-aanvraag voor begeleid wonen, maar er is nog geen duidelijkheid over de indicatie en plaatsing. De GI heeft contact opgenomen met [accommodatie] voor een perspectiefonderzoek, maar [accommodatie] heeft aangegeven geen perspectiefonderzoek te kunnen starten omdat de moeder niet voldoet aan de basisvoorwaarden. Dit betekent dat er op dit moment geen perspectief is voor de minderjarigen om weer bij de moeder thuis te kunnen wonen. De GI acht het van belang dat het perspectief voor de minderjarigen in het komend jaar duidelijk wordt. Daarnaast wil de GI onderzoeken of de moeder bekwaam is om het gezag te behouden. In het afgelopen jaar is gebleken dat de moeder moeite heeft om haar gezag over de minderjarigen op een adequate wijze uit te oefenen en hen te begrenzen en aan te sturen. Daarnaast lukt het de moeder niet om de basiszaken rondom de minderjarigen te regelen. Uit een psychologisch onderzoek dat in januari 2024 bij de moeder is afgenomen blijkt een disharmonisch profiel met een totaal IQ van 76 (moeilijk lerend). De verwerkingssnelheid valt binnen het gemiddelde, maar de verbale vaardigheden scoren laag en het inzichtelijk vermogen laag gemiddeld. Dit sluit aan bij de begeleidings-ervaringen met de moeder, waarbij de casemanager signaleert dat de moeder overvraagd wordt en er geen balans is tussen draagkracht en draaglast. Zij heeft moeite om overzicht en structuur te behouden waardoor zij niet toekomt aan haar eigen behandel- en begeleidingsmomenten. Dit heeft directe invloed op haar ouderlijke taken. Aanmeldingen en administratieve zaken voor de minderjarigen rondom school blijven liggen, afspraken met de hulpverlening worden niet nagekomen en voorwaarden van [hulpverlening 2] worden niet consistent nageleefd.
De GI concludeert dat de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen zijn gesteld nog niet zijn behaald. De minderjarigen worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Het lukt de moeder niet om de basistaken in de opvoeding (zelfstandig) op te pakken. Verdere inzet en ondersteuning van hulpverlening in het gedwongen kader is nog nodig om de ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarigen weg te nemen en/of te verminderen. Eind 2025 heeft er een wisseling van jeugdzorgwerker plaatsgevonden. De huidige jeugdzorgwerker heeft het gevoel dat zij een goede start met de moeder en de grootouders heeft gemaakt. Gezien de moeilijkheden die de moeder ervaart in het contact met de GI, staat de huidige jeugdzorgwerker evenwel open voor een nader gesprek met de moeder met als doel nader tot elkaar te komen. De jeugdzorgwerker wil investeren in een goede samenwerking met de moeder.
Een voortzetting van de uithuisplaatsing van de minderjarigen is noodzakelijk in het kader van hun verzorging en opvoeding. De moeder is vooralsnog niet in staat de volledige zorg en verantwoordelijkheid voor de minderjarigen te dragen. De combinatie van persoonlijke problematiek, het ontbreken van structuur en het niet nakomen van afspraken maakt dat de situatie niet haalbaar en niet veilig genoeg is voor de minderjarigen bij de moeder.
[minderjarige 1] verbleef aanvankelijk bij zijn tante in [woonplaats 2] , waar hij in eerste instantie profiteerde van de structuur en steun die hem werd geboden. In de loop van 2025 ontstonden er echter ernstige zorgen. De tante trof drugs aan in zijn kamer. Ook kwamen er signalen binnen dat hij mogelijk drugs verhandelde op school. De grenzen van de tante waren bereikt en zij gaf aan dat het verblijf van [minderjarige 1] bij haar niet langer houdbaar was. [minderjarige 1] is begin oktober 2025 op basis van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing geplaatst op de crisisgroep de [accommodatie] . Binnen deze groep houdt [minderjarige 1] zich aan de afspraken, maar er zijn zorgen over zijn daginvulling omdat hij nog niet naar school gaat. Er wordt gewerkt aan een vervolgplek voor [minderjarige 1] bij [trainingscentrum] in [plaats 2] of [plaats 3] . Hoewel [minderjarige 1] sinds twee weken aangeeft bij zijn grootouders te willen wonen, wordt dit niet in zijn belang geacht. In een rapport van [jeugdhulp] van 13 oktober 2025 is aangegeven dat een kleinschalige behandelgroep voor [minderjarige 1] , gezien de bij hem aanwezige problematiek, het meest passend is. Een dergelijke groep biedt [minderjarige 1] een veilige en stabiele woonomgeving, en alleen in een dergelijke professionele setting met duidelijke structuur en consequente begeleiding wordt [minderjarige 1] in staat geacht om te werken aan zijn behandeling en het verminderen van risicovol gedrag.
Bij [minderjarige 2] is het afgelopen jaar intensief ingezet op hulpverlening, maar haar ontwikkeling verloopt grillig. Zij is herhaaldelijk weg gelopen, is veel buitenshuis zonder dat daarop toezicht is en gaat niet naar school en therapie. De grootouders en de moeder doen wisselende uitspraken over het verblijf van [minderjarige 2] bij de grootouders. Het ene moment spreken zij uit dat zij geen grip meer hebben op [minderjarige 2] en dat de zorg van [minderjarige 2] voor de grootouders teveel wordt, en het andere moment geven zij aan dat het met [minderjarige 2] goed gaat en dat zij willen dat [minderjarige 2] bij de grootouders blijft wonen. Tijdens netwerkberaden en diverse gesprekken met de GI en pleegzorg is vastgesteld dat de veiligheid van [minderjarige 2] bij de grootouders niet meer gegarandeerd kan worden. Daarnaast zijn er zorgen over haar middelengebruik en emotieregulatie. Binnen een behandelgroep kan de veiligheid van [minderjarige 2] gewaarborgd worden en kan de ontwikkeling van [minderjarige 2] beter worden ondersteund dan binnen het eigen netwerk. Op een behandelgroep is intensieve begeleiding en behandeling voor [minderjarige 2] beschikbaar. Belangrijk is dat [minderjarige 2] passende hulp krijgt voor haar middelengebruik en gedragsproblematiek. Zij is bij Crossroads aangemeld voor een plaatsing op een behandelgroep bij [accommodatie] of Amarant. Om nader te kunnen bepalen welke behandelgroep voor haar het meest passend is, is bij [minderjarige 2] een IQ-onderzoek afgenomen. Een terugkoppeling hiervan vindt op 5 februari 2026 plaats, waarna nadere beslissingen genomen kunnen worden. In afwachting hiervan is een brede machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk zodat [minderjarige 2] bij de grootouders kan verblijven totdat er een plek voor haar beschikbaar is op een geschikte behandelgroep. Hiermee vraagt de GI dus ook om toestemming om haar verblijfplaats te wijzigen. [minderjarige 2] woont al meer dan een jaar bij haar grootouders, daarom is de toestemming van de kinderrechter nodig voor een wijziging in haar verblijf.
Begin 2025 zijn er over [minderjarige 3] meldingen van overlast binnengekomen in de gemeente Rijen. Dit is besproken met de grootouders. Inmiddels is de situatie weer stabiel. [minderjarige 3] heeft bij de grootouders een veilige omgeving, waar hij zich positief ontwikkelt op school en profiteert van de vertrouwde omgeving die de grootouders hem bieden. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] bij de grootouders is noodzakelijk om de stabiliteit en continuïteit die hij nodig heeft voor zijn verdere ontwikkeling te behouden.
Vanaf 16 oktober 2025 heeft de GI naar de moeder benoemd dat zij [minderjarige 1] moet aanmelden voor school, te weten [onderwijsinstelling] . Daarbij is aangegeven dat de moeder verantwoordelijk is voor het uitvoeren van haar gezag en dat het regelen van schoolzaken hier onderdeel van is. De GI en de hulpverlening van de moeder hebben de moeder hierbij meermaals hulp aangeboden, maar de moeder blijft tot op heden aangeven dat dit niet nodig is en dat zij het zelf kan regelen. Op 18 december 2025 heeft [onderwijsinstelling] aan de GI laten weten nog steeds geen aanmeldformulieren van [minderjarige 1] te hebben ontvangen. Nadien heeft de GI van [onderwijsinstelling] geen bericht meer ontvangen. Het lijkt er dus op dat de aanmeldformulieren nog steeds ontbreken. De GI acht het van groot belang dat [minderjarige 1] zo spoedig mogelijk het onderwijs hervat om leerachterstanden zoveel mogelijk te beperken. Ondanks zijn huidige bijbanen, is het van belang dat [minderjarige 1] als zestienjarige jongen naar school gaat. Daarnaast is naar school gaan één van de doelen waaraan gewerkt wordt binnen de jeugdreclasseringsmaatregel van [minderjarige 1] . Het is de GI niet duidelijk waarom het de moeder niet lukt om [minderjarige 1] aan te melden bij [onderwijsinstelling] . Om de aanmelding in orde te kunnen maken acht de GI het noodzakelijk dat het gezag van de moeder gedeeltelijk, namelijk voor wat betreft de aanmelding van [minderjarige 1] bij [onderwijsinstelling] en/of een andere passende onderwijsinstelling, aan de GI wordt toegekend.
4.2.
Door en namens de moeder is, onder verwijzing naar haar schriftelijke verklaring, naar voren gebracht dat in de samenwerking tussen de moeder en de GI, na de wisseling van jeugdzorgwerker eind vorig jaar, frictie is ontstaan. Op dit moment draagt de huidige betrokkenheid van de GI onvoldoende bij aan het welzijn, de veiligheid en de emotionele stabiliteit van haar gezin. In plaats van ondersteuning ervaart de moeder toenemende stress, druk en onveiligheid. Dit heeft een negatieve invloed op haar functioneren als ouder en daarmee ook op de minderjarigen. Belangrijk is dat er een goede samenwerking tussen de moeder en de huidige jeugdzorgwerker komt, waarbij de belangen van de minderjarigen centraal worden gesteld.
Hoewel de moeder haar twijfels heeft over de uitvoering van de ondertoezichtstelling door de huidige jeugdzorgwerker, wordt aan de voorwaarden van een ondertoezichtstelling voor alle drie de minderjarigen voldaan. In vergelijking met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelt [minderjarige 3] zich op dit moment het meest positief. Hij gaat weer volledig naar school. Wel is zijn ontwikkeling nog enigszins fragiel. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een lastiger jaar achter de rug. [minderjarige 1] verblijft sinds begin oktober 2025 op een crisisgroep. De moeder maakt zich hierover grote zorgen. Er vindt tot op heden geen behandeling plaats, anders dan begeleiding door de jeugdreclassering. Wel is positief dat [minderjarige 1] zelf op zoek is gegaan naar een daginvulling door te gaan werken bij [winkel 1] en bij [winkel 2] . Ook is hij heel gemotiveerd om te gaan starten op [onderwijsinstelling] . Voor [minderjarige 2] was het onbekend dat zij op de vorige zitting een laatste kans heeft gekregen met betrekking tot het wonen bij haar grootouders. Haar schoolgang is tot op heden niet opgepakt, maar de vraag is of dit van haar voor nu verlangd kan worden gezien de problematiek die bij haar speelt. Belangrijk is dat duidelijk wordt wat haar belastbaarheid is en in het verlengde daarvan wat voor haar haalbaar is. Het IQ-onderzoek, waarvan de resultaten helaas nog niet bekend zijn, zou daarover meer duidelijkheid kunnen geven. In afwachting daarvan is het echter wel van belang dat voor [minderjarige 2] passende dagbesteding geregeld gaat worden. Zij moet iets om handen krijgen wat zij leuk vindt en waar haar passie ligt. Dit kan er zorg voor dragen dat zij minder geneigd is om op straat te hangen en te blowen. Het is belangrijk dat de GI, samen met de hulpverlening, op zoek gaat naar een passende dagbesteding voor [minderjarige 2] .
Aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing van alle drie de minderjarigen wordt ook voldaan. Belangrijk is dat de plaatsing van [minderjarige 3] bij de grootouders wordt voortgezet gezien de positieve ontwikkeling die hij bij de grootouders laat zien. Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft de moeder moeite met de verzoeken die de GI in dit kader heeft gedaan. De GI stelt zich op het standpunt dat een plaatsing van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] op een behandelgroep in hun belang is, maar beiden zijn daarvoor niet gemotiveerd. Zij willen bij de grootouders (blijven) wonen. Afgevraagd kan dan ook worden in hoeverre een verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een behandelgroep zinvol is. Het risico is groot dat zij gaan weglopen. Daarnaast stellen de grootouders dat het verblijf van [minderjarige 2] bij hen beter gaat. Zij houdt zich aan de huisregels van de grootouders, zoals om 22:00 uur thuis zijn. Daarnaast is er minder strijd tussen [minderjarige 2] en de grootouders en is [minderjarige 2] in de afgelopen periode niet met politie en justitie in aanraking gekomen. Gelet op het voorgaande verzoekt de moeder om de verzochte machtigingen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vooralsnog in duur te beperken tot vier maanden, onder aanhouding van het resterende deel van de verzoeken. In de komende vier maanden dient nader onderzocht te worden in hoeverre een plaatsing van [minderjarige 1] alsook een voortzetting van het verblijf van [minderjarige 2] bij de grootouders tot de mogelijkheden behoort, met inachtneming van de ontwikkelingen in de komende periode zoals onder meer de start van [minderjarige 1] op [onderwijsinstelling] , het realiseren van een passende dagbesteding voor [minderjarige 2] in het geval uit het IQ-onderzoek zou blijken dat het volgen van onderwijs op dit moment teveel voor haar is alsook de start en/of voortzetting van de voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk geachte behandel/hulpverleningstrajecten.
Verder stelt de moeder dat zij de aanmeldformulieren van [minderjarige 1] voor [onderwijsinstelling] enkele weken geleden heeft ingevuld en per post heeft verzonden naar [onderwijsinstelling] . De moeder wil graag dat [minderjarige 1] wordt aangemeld bij [onderwijsinstelling] en daar onderwijs gaat volgen. Er lopen helaas dingen langs elkaar heen. [minderjarige 1] is afgelopen week niet op intakegesprek geweest bij [onderwijsinstelling] , maar is naar de open dag gegaan. De moeder kan ermee instemmen dat het verzoek van de GI om het gezag over [minderjarige 1] gedeeltelijk, namelijk voor zover het de aanmelding van [minderjarige 1] bij [onderwijsinstelling] betreft, voorwaardelijk wordt toegekend in het geval de aanmelding van [minderjarige 1] bij [onderwijsinstelling] , ondanks de inspanningen die zij daarvoor heeft verricht, toch geen doorgang heeft gevonden.
4.3.
De oma heeft aangevoerd dat zij alles voor de minderjarigen doet en zich honderd procent voor hen inzet. Zij ervaart geen problemen met [minderjarige 3] en [minderjarige 2] thuis. Zij heeft het openbaar vervoer voor [minderjarige 2] geregeld om naar school te gaan en heeft haar geld gegeven om eten te kopen. Zij dacht dat [minderjarige 2] naar school ging, maar dat bleek niet zo te zijn. De oma vindt het belangrijk dat [minderjarige 2] geholpen wordt om van haar drugsverslaving af te komen. De oma ervaart geen andere problemen met [minderjarige 2] . [minderjarige 2] komt op tijd naar huis. De oma weet niet wat [minderjarige 2] doet als zij buiten is.

5.De beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling
Wat zegt de wet?
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
Wat vindt de kinderrechter?
5.2.
Hoewel er ten aanzien van [minderjarige 3] minder grote zorgen zijn dan ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is de kinderrechter op basis van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht van oordeel dat alle drie de minderjarigen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen zijn gesteld, zijn nog niet (volledig) behaald. [minderjarige 3] gaat inmiddels volledig naar school, maar voor hem moet nog een passende vrijetijdsbesteding gevonden worden. Ook dient nog gestart te worden met een passende traumabehandeling, zoals mogelijk PMT. Gebleken is dat EMDR op dit moment niet bij [minderjarige 3] aansluit. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan beiden al langere tijd niet naar school. De bedoeling is dat [minderjarige 1] gaat starten op [onderwijsinstelling] , maar er zijn problemen met zijn aanmelding. De door hem zelf gevonden (bij)banen bij [winkel 1] en [winkel 2] geven hem wel enige houvast en structuur, maar belangrijk is dat hij zich op cognitief gebied ook verder ontwikkelt. Daarnaast is het van belang dat de behandelingen die voor [minderjarige 1] opgestart waren in [woonplaats 2] , zo snel mogelijk herstart worden. Het is [minderjarige 2] na de zomervakantie niet gelukt om naar school te gaan. Zij is slechts drie keer op school geweest, waarbij zich tweemaal escalaties hebben voorgedaan. [minderjarige 2] hangt veel op straat rond, blowt bijna dagelijks en de voor haar noodzakelijke hulpverlening komt, met uitzondering van de hulpverlening van [hulpverlening 1] , niet van de grond. Zij verschijnt nagenoeg niet op afspraken, en houdt daarmee behandeling af.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat er nog de nodige stappen gezet moeten worden om tot een verbetering van de situatie van de minderjarigen te komen, zodat ook [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot een positieve ontwikkeling komen. Dit maakt dat de kinderrechter de betrokkenheid van de GI nog steeds nodig acht. De moeder en de grootouders doen hun best, maar zij zijn onvoldoende in staat de belemmeringen in de ontwikkeling van de minderjarigen weg te nemen. De inzet van hulpverlening in een gedwongen kader is dan ook nog steeds nodig. Bovendien dient er nog een onderzoek plaats te vinden naar het perspectief van de minderjarigen. Het is belangrijk dat daarover komend jaar duidelijkheid gaat komen.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is nog steeds nodig. De kinderrechter zal aldus het verzoek van de GI toewijzen en beslissen dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] wordt verlengd voor de duur van een jaar met ingang van 24 januari 2026 tot 24 januari 2027.
5.5.
Daarbij overweegt de kinderrechter dat zij het van belang acht dat door de huidige betrokken jeugdzorgwerker geïnvesteerd gaat worden in een goede samenwerking met de moeder. Er doen zich volgens de moeder fricties voor en dit dient zo snel mogelijk opgelost te worden. De jeugdzorgwerker heeft ter zitting aangegeven open te staan voor een gesprek met de moeder. Belangrijk is dat dit gesprek op korte termijn plaatsvindt zodat zij op goede voet met elkaar verder kunnen.
Verlengingen machtigingen tot uithuisplaatsing
Wat zegt de wet?
5.6.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c, tweede lid, van het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Wat vindt de kinderrechter?
5.7.
Allereerst overweegt de kinderrechter dat met het verzoek van de GI van
8 december 2025 om een ‘brede’ machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) én in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (zaaknummer C/02/442783 / JE RK 25-2191), het eerdere verzoek van de GI van 10 oktober 2025 om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (zaaknummer C/02/440765 / JE RK 25-1835) als het ware is ingehaald. Het belang van de GI bij een beoordeling van dit verzoek is dan ook komen te vervallen. De kinderrechter zal voormeld verzoek van de GI van 10 oktober 2025 dan ook afwijzen.
5.8.
Op basis van de stukken en de toelichting ter zitting acht de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarigen in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk. Een thuisplaatsing van de minderjarigen bij de moeder behoort op dit moment niet tot de mogelijkheden. Dit wordt door de moeder ook erkend.
5.9.
Ten aanzien van [minderjarige 3] is verzocht om een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin), meer specifiek bij de grootouders moederszijde, voor de duur van de ondertoezichtstelling. Dit verzoek van de GI wordt door de moeder en de pleegouders onderschreven. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige 3] bij de grootouders een positieve ontwikkeling doormaakt. De grootouders zijn voldoende in staat om aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van [minderjarige 3] . Belangrijk is dat zijn plaatsing bij de grootouders wordt gewaarborgd zodat voor [minderjarige 3] duidelijk is dat hij komende periode verder bij zijn grootouders opgroeit. De kinderrechter zal het verzoek van de GI toewijzen en beslissen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg, meer specifiek de grootouders moederszijde, wordt verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling met ingang van 24 januari 2026 tot 24 januari 2027.
5.10.
Ten aanzien van [minderjarige 1] wordt verzocht om een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, en ten aanzien van [minderjarige 2] is verzocht om een ‘brede’ machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin), meer specifiek bij de grootouders moederszijde, en in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor (eveneens) de duur van de ondertoezichtstelling. Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is de rechtbank met de GI van oordeel dat het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het meest is gediend bij een plaatsing op een behandelgroep, gezien de problematiek die bij hen speelt. De kinderrechter handhaaft al hetgeen zij hierover heeft overwogen ten aanzien van [minderjarige 1] in de beschikking van 20 oktober 2025 (zaaknummers C/02/440638 / JE RK 25-1814 en C/02/440315 / JERK 25-1747) en ten aanzien van [minderjarige 2] in de beschikking van 20 november 2025 (zaaknummer C/02/440765 / JE RK 25-1835). Daarbij overweegt de kinderrechter dat zij de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om bij de grootouders te (blijven) wonen begrijpelijk acht. Ten aanzien van [minderjarige 1] ligt een dergelijk verzoek van de GI echter niet voor. Bovendien is bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sprake van complexe problematiek waardoor zij op het gebied van opvoeding meer nodig hebben dan een gemiddelde opvoeder kan bieden. Daarnaast is het belangrijk dat ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de noodzakelijk geachte behandeltrajecten op gang komen. Dit kan binnen een behandelgroep beter georganiseerd en gewaarborgd worden dan bij de grootouders thuis. Ook neemt de kinderrechter mee dat de grootouders wisselende signalen met betrekking tot de zorg van [minderjarige 2] afgeven. Het ene moment geven de grootouders aan dat de zorg voor [minderjarige 2] teveel van hen vraagt en dat zij de zorg voor haar niet langer kunnen dragen, en het andere moment geven de grootouders aan dat het goed gaat met [minderjarige 2] en dat zij bij hen kan blijven wonen.
5.11.
Omdat ten aanzien van [minderjarige 2] nog duidelijk moet worden welke behandelgroep voor haar (bij [accommodatie] of Amarant) het meest passend is hetgeen nader bepaald zal worden op basis van het IQ-onderzoek dat bij [minderjarige 2] is afgenomen en waarvan een terugkoppeling van de resultaten plaatsvindt op 5 februari 2026, heeft de GI om een ‘brede’ machtiging tot uithuisplaatsing verzocht. In afwachting van een plek op een behandelgroep bij ofwel [accommodatie] ofwel Amarant acht de kinderrechter het meest in het belang van [minderjarige 2] dat zij ondertussen bij haar grootouders kan verblijven. Wel zal [minderjarige 2] moeten laten zien dat zij zich structureel aan de regels bij de grootouders houdt, de zorgen die er over haar zijn serieus gaat nemen, dat zij met behulp van hulpverlening en behandeling/therapie gaat werken aan haar problematiek en dat zij zich gaat inzetten voor een betere daginvulling. De kinderrechter sluit niet uit dat school op dit moment mogelijk teveel van [minderjarige 2] vraagt, maar dat betekent niet dat op straat hangen en het dagelijks gebruiken van wiet de oplossing is. Het is van belang dat [minderjarige 2] gaat werken aan haar toekomst en met de hulpverlening op zoek gaat naar bezigheden waar zij blij van wordt en die goed voor haar zijn.
5.12.
Ondanks dat de kinderrechter van oordeel is dat een plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een behandelgroep het meest in hun belang is, deelt de kinderrechter wel enigszins de twijfels die de moeder heeft geuit over de haalbaarheid hiervan omdat zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] daarvoor op dit moment niet gemotiveerd lijken te zijn. Belangrijk is dan ook dat aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heel duidelijk wordt uitgelegd waarom een plaatsing op een behandelgroep nodig wordt geacht en wat van hen verwacht wordt. De kinderrechter acht het van belang om de ontwikkelingen in de komende periode goed in de gaten te houden, temeer nu het op dit moment nog onduidelijk is op welke behandelgroep [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geplaatst zullen worden. De aanmeldingen lopen, maar een concrete datum is nog niet bekend. Gelet hierop ziet de kinderrechter aanleiding om de door de GI verzochte machtigingen tot uithuisplaatsingen ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in duur te beperken, te weten voor vier maanden, onder aanhouding van het resterende deel van de verzoeken tot de pro forma datum 28 april 2026. Zo wordt er een tussentijds toetsmoment gecreëerd. In haar oordeel neemt de kinderrechter mee dat de GI ter zitting heeft aangegeven hiermee in te kunnen stemmen.
5.13.
Dit betekent dat ten aanzien van [minderjarige 1] de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zal worden verlengd met ingang van 24 januari 2026 tot 24 mei 2026.
Ten aanzien van [minderjarige 2] zal naast een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) met ingang van 24 januari 2026 tot
24 mei 2026, voor dezelfde periode ook een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder worden verleend.
Daarbij overweegt de kinderrechter voorts dat de GI op grond van artikel 1:265i van het BW de toestemming van de kinderrechter nodig heeft voor de wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander dan de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. De toestemming wordt door de kinderrechter op verzoek van de GI verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt. Uit hetgeen onder rechtsoverweging 5.10. is overwogen volgt dat de kinderrechter van oordeel is dat de wijziging van het verblijf van [minderjarige 2] van de grootouders naar een behandelgroep bij [accommodatie] of Amarant noodzakelijk voor haar is op het moment dat op een dergelijke groep een plek vrij komt.
5.14.
De kinderrechter verwacht van de GI dat zij uiterlijk op voormelde pro forma datum van 28 april 2026 een schriftelijk verslag aan de kinderrechter uitbrengt over het verloop van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de ingezette hulpverlening, met toezending van een afschrift van dat verslag aan de advocaat van de moeder en de pleegouders. Tevens wordt de GI verzocht aan te geven of zij de resterende verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] handhaaft.
5.15.
Om de voortgang van de procedure te waarborgen verzoekt de kinderrechter de advocaat van de moeder om binnen een week na verzending van deze beschikking haar verhinderdata met betrekking tot de maand mei door te geven zodat vóór 24 mei 2026 een nieuwe zitting kan plaatsvinden.
Gedeeltelijke uitoefening gezag door de GI
Wat zegt de wet?
5.16.
Op grond van artikel 1:265e, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door deze gecertificeerde instelling, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Zij kan dit onder andere doen met betrekking tot het aanmelden van de minderjarige bij een onderwijsinstelling.
Wat vindt de kinderrechter?
5.17.
De kinderrechter stelt op basis van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat er onduidelijkheid bestaat over de aanmelding van [minderjarige 1] bij [onderwijsinstelling] . De moeder stelt [minderjarige 1] voor deze school enkele weken geleden aangemeld te hebben, terwijl de GI aangeeft van [onderwijsinstelling] tot op heden niet te hebben vernomen dat een aanmelding van [minderjarige 1] heeft plaatsgevonden. Ter zitting is niet duidelijk geworden wat de huidige stand van zaken hierin is. Vast staat dat [minderjarige 1] graag onderwijs wil gaan volgen bij [onderwijsinstelling] , en dat [onderwijsinstelling] door zowel de moeder als de GI als een passende onderwijsinstelling voor [minderjarige 1] wordt gezien. Belangrijk is dat [minderjarige 1] zo snel als mogelijk kan starten met school om verdere leerachterstanden te voorkomen. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is te bepalen dat het gezag van de moeder gedeeltelijk, te weten voor wat betreft de aanmelding van [minderjarige 1] bij [onderwijsinstelling] , wordt toegekend aan de GI
voor zover deze aanmelding tot op heden niet heeft plaatsgevondenen zolang de machtiging tot uithuisplaatsing loopt.
5.18.
De beslissing tot gedeeltelijke gezagsbelasting wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Een apart verzoek daarvoor is niet nodig. Daarom wijst de kinderrechter dat verzoek af.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.19.
De kinderrechter zal de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissingen alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissingen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
C/02/440765 / JE RK 25-1835
6.1.
wijst het verzoek van de GI af;
C/02/442783 / JE RK 25-2191
6.2.
verlengt, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 24 januari 2026 tot 24 januari 2027;
6.3.
verlengt, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 januari 2026 tot
24 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek;
6.4.
verlengt, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg en verleent, uitvoerbaar bij voorraad, eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 januari 2026 tot 24 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek;
6.5.
verleent, uitvoerbaar bij voorraad, de GI toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 2] ;
6.6.
houdt de behandeling van het resterende deel van de verzoeken van de GI tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan tot
28 april 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijke verslag van de GI zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.14;
6.7.
verzoekt de advocaat van de moeder om binnen een week na de verzending van deze beschikking de verhinderdata van de maand mei 2026 door te geven voor de bepaling van een nadere zitting;
6.8.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor;
C/02/443761 / JE RK 26-31
6.9.
belast, uitvoerbaar bij voorraad, de GI met het gezag over [minderjarige 1] voor zover het de aanmelding bij [onderwijsinstelling] betreft, met inachtneming van hetgeen onder rechtsoverweging 5.17 is overwogen, tot 24 mei 2026;
6.10.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op
29 januari 2026 op schrift gesteld.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.