ECLI:NL:RBZWB:2026:1441

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
11812975 \ CV EXPL 25-3756
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:272 lid 2 BWArt. 7:273 lid 2 BWArt. 7:274 lid 1 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering beëindiging huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik woning

Eiser verhuurt sinds 2019 een woning aan huurder, die daar met zijn partner woont. Na een relatiebreuk heeft eiser geen eigen woonruimte meer en vordert hij de beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik.

De kantonrechter beoordeelt of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft, of huurder passende woonruimte kan vinden en weegt vervolgens de belangen af. Hoewel eiser aannemelijk maakt dat hij dringend woonruimte nodig heeft, blijkt dat huurder binnen afzienbare termijn passende woonruimte kan vinden.

De belangenafweging valt uit in het voordeel van huurder, die de woning al jaren bewoont en een gezinssituatie heeft die het verhuizen bemoeilijkt. Eiser heeft geen bijzonder belang aangevoerd om juist deze woning te betrekken. Daarom wordt de vordering afgewezen en de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd verlengd.

Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik wordt afgewezen en de huurovereenkomst wordt voor onbepaalde tijd verlengd.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11812975 \ CV EXPL 25-3756
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser]
wonende te [plaats 1]
eisende partij
hierna te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. A.H. Videler
tegen
de besloten vennootschap
Plus Budget B.V.
in de hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [huurder]
gevestigd en kantoorhoudende te Uden
gedaagde partij
hierna te noemen: Plus Budget
gemachtigde: mr. T.M. ten Velde
De zaak in het kort
In deze zaak verhuurt eiser sinds enkele jaren zijn woning aan [huurder] . Die woont daar met zijn partner. Als gevolg van een relatiebreuk heeft eiser geen eigen woonruimte meer. Hij vordert dat de huurovereenkomst wordt beëindigd zodat hij in zijn eigen woning kan wonen. De kantonrechter wijst de vordering af.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 15 juli 2025 uitgebrachte dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van 19 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Met ingang van 1 augustus 2019 verhuurt [eiser] aan [huurder] de woning c.a. aan het [adres] .
2.2.
[huurder] bewoont de woning samen met zijn partner [partner] .
2.3.
Als gevolg van een door de kantonrechter uitgesproken beslissing tot onderbewindstelling komt het beheer van [huurder] goederen toe aan zijn bewindvoerder Plus Budget.
2.4.
In een brief van 23 mei 2025 heeft [eiser] aan [huurder] kenbaar gemaakt dat hij de huurovereenkomst opzegt wegens dringend eigen gebruik. Met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van 6 maanden zou de huurovereenkomst dan per 1 december 2025 eindigen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst die op 1 augustus 2019 werd aangegaan per 1 december 2025 dan wel per een in goede justitie te bepalen datum wordt beëindigd. Tevens vordert hij dat [huurder] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.
3.2.
Aan de beëindigingsvordering legt [eiser] ten grondslag dat hij de door hem aan [huurder] verhuurde woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. De woning is zijn eigendom. Nadat op 1 april 2025 de relatie tussen hem en zijn voormalige partner eindigde kon hij niet langer in de woning van zijn voormalige partner verblijven. Sindsdien trekt hij rond tussen de woningen van zijn beide dochters, zijn zus en zijn 90-jarige moeder, bij wie hij telkens voor een korte periode in een kleine zolderkamer verblijft. Dat is onhoudbaar.
Op 6 mei 2025 heeft hij [huurder] en diens partner [partner] geïnformeerd dat hij de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik zou gaan opzeggen. Die lieten hem weten niet met een beëindiging van het huurcontract in te stemmen. Daarop heeft hij op
26 mei 2025 aan [huurder] een brief doen bezorgen waarin hij om diezelfde reden de huurovereenkomst opzegt en aan [huurder] aanzegde dat de huurovereenkomst per
1 december 2025 eindigde. Omdat [huurder] niet in de beëindiging toestemt is hij, [eiser] , genoodzaakt om op grond van artikel 7:272 lid 2 BW Pro de kantonrechter een tijdstip te laten vaststellen waarop de huurovereenkomst eindigt.
3.3.
Plus Budget, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [huurder] , voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van diens vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Plus Budget betwist dat [eiser] de woning dringend voor eigen gebruik nodig heeft. Indien dit anders is geldt dat bij een belangenafweging het belang van [huurder] en zijn gezin moet prevaleren, aldus samengevat het verweer van Plus Budget .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] baseert zijn vordering tot vaststelling van een tijdstip waarop de tussen hem en [huurder] bestaande huurovereenkomst eindigt op het door hem in zijn opzeggingsbrief van 23 mei 2025 aangevoerde dringend eigen gebruik van de woning [1] .
4.2.
Op grond van de wet [2] kan de kantonrechter de vordering slechts toewijzen wanneer [eiser] aannemelijk maakt dat hij de woning zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, dat van hem niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd. Bij de beoordeling moet de kantonrechter de belangen van [eiser] en [huurder] tegen elkaar afwegen. Tevens moet blijken dat [huurder] andere passende woonruimte kan krijgen.
4.3.
Als eerste moet de vraag worden beantwoord of [eiser] aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Als dat het geval is komt de vraag aan de orde of [huurder] over andere passende woonruimte kan beschikken. En tenslotte moet een belangenafweging plaatsvinden om te bepalen of van [eiser] niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd.
4.4.
Uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij sinds een relatiebreuk in april 2025 geen vaste verblijfplaats meer heeft en steeds gedurende een korte periode logeert bij zijn moeder, zijn zus of bij een van zijn kinderen. [huurder] heeft dit niet weersproken. Geoordeeld wordt dat [eiser] met een dergelijk ‘zwervend’ bestaan voldoende aannemelijk maakt dat hij de woning dringend voor eigen gebruik behoeft.
4.5.
Aannemelijk is verder dat bij een ongewijzigde gezinssamenstelling [huurder] binnen een afzienbare termijn over andere passende woonruimte kan beschikken. Dit hoeft niet te betekenen dat direct voor hem (en [partner] ) in [plaats 2] een soortgelijke woning tegen een ongeveer gelijke huurprijs beschikbaar is. Voldoende is dat er op korte termijn woonruimte gevonden kan worden die, gelet op het gezamenlijke inkomen, betaalbaar is en die op een zodanige plek is gelegen dat [huurder] en [partner] hun werk en/of sociale leven zonder al te veel belemmeringen kunnen voortzetten. [eiser] heeft [huurder] gewezen op meerdere woningen die kunnen worden gehuurd. Wellicht zijn niet alle voorgestelde woningen passend maar voldoende blijkt wel dat er een ruim aanbod is van woningen die te huur worden aangeboden. Daartussen moet welhaast een passende woning beschikbaar zijn voor alleen [huurder] en [partner] . .
4.6.
Ondanks het vorenstaande valt de afweging van de belangen uit in het voordeel van [huurder] . Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd verklaard dat hij voor zichzelf niet naar andere woonruimte heeft gezocht. Als reden daarvoor gaf hij op dat hij al een woning heeft. Behalve de eigendom heeft [eiser] geen bijzonder belang aangevoerd waarom hij, in plaats van huidige huurder [huurder] , in deze woning wil wonen. [huurder] daarentegen woont al enkele jaren in de woning. Hij en zijn partner [partner] hebben in die jaren de woning tot hun thuis gemaakt. [huurder] voert bovendien aan dat op dit moment zijn dochter regelmatig bij hen logeert. Echter, haar moeder is ernstig ziek en als gevolg daarvan zal zijn dochter binnen afzienbare tijd permanent bij hem komen wonen. Dit betekent dat straks een gezin van drie personen in de woning verblijft. Daar komt nog bij dat [partner] in [plaats 2] werkt. Daartegenover staat dat [eiser] een alleenstaande is die in [plaats 3] werkt en klaarblijkelijk niet noodzakelijk in deze specifieke woning hoeft te wonen. Voor hem zal het veel gemakkelijker zijn om elders woonruimte te huren dan dat het voor (het gezin van) [huurder] zal zijn om op korte termijn te moeten verhuizen en elders opnieuw te moeten beginnen. Op langere termijn lijken zij dit overigens wel van plan te zijn maar daarvoor is de inschrijvingstermijn voor woningtoewijzing nog niet lang genoeg, aldus [partner] .
4.7.
De conclusie op grond van het bovenstaande is dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.
4.8.
In de beslissing zal worden vastgelegd dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt verlengd [3] .
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Plus Budget worden vastgesteld op:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
Totaal
576,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering van [eiser] af;
5.2.
verstaat dat de huurovereenkomst tussen [eiser] en [huurder] met betrekking tot de woning aan het [adres] voor onbepaalde tijd wordt verlengd;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:272 lid 2 BW Pro.
2.Artikel 7:274 lid Pro 1, onder c BW.
3.Artikel 7:273 lid 2 BW Pro. Zie ook Hoge Raad 19 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0219, rov. 3.4.