Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevrouw [persoon 1] , arts;
- mevrouw [persoon 2] , moeder van betrokkene.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene verblijft sinds 30 januari 2026 onder een crisismaatregel in een psychiatrische accommodatie te Breda. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om deze maatregel met drie weken te verlengen. Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, zijn betrokkene, zijn advocaat, een arts en zijn moeder gehoord.
Betrokkene gaf aan dat hij momenteel baat heeft bij rust en een goede nachtrust, maar ook dat hij door een te hoge medicatiedosering verward raakte en verbaal agressief werd. De arts stelde dat betrokkene aanvankelijk vrijwillig was opgenomen, maar door zijn gedrag een crisismaatregel nodig was. De moeder van betrokkene verklaarde dat betrokkene geen gevaar meer vormt en vooral rust nodig heeft, die zij thuis kan bieden.
De advocaat betoogde dat verplichte zorg niet effectief is en dat betrokkene niet meer ontregeld is door zijn psychische stoornis. De rechtbank concludeerde dat hoewel er sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, een voortzetting van de verplichte opname niet effectief is en zelfs contraproductief werkt. Er zijn minder bezwarende alternatieven, namelijk verblijf thuis, die hetzelfde doel bereiken.
Daarom voldoet de voortzetting niet aan de vereisten van subsidiariteit en doelmatigheid zoals bedoeld in artikel 3:3 onder Pro b en d van de Wvggz. De rechtbank wijst het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt afgewezen wegens ineffectiviteit verplichte opname.