ECLI:NL:RBZWB:2026:1402

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/02/424729 / HA ZA 24-393 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bosters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:63 lid 2 BWArt. 3:168 lid 3 BWArt. 3:178 BWArt. 5:60 BWArt. 5:61 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verdeling mandelig perceel wegens dwingendrechtelijke mandeligheid

Eisers vorderden de verdeling van een perceel dat zij gezamenlijk in onverdeeldheid bezitten. De rechtbank stelde vast dat het perceel mandelig is, wat betekent dat het gemeenschappelijk eigendom is bestemd voor gemeenschappelijk gebruik en beheer door de eigenaren van aangrenzende percelen. Mandeligheid is een dwingendrechtelijke status die niet kan worden beëindigd door eenzijdige verdeling.

De kantonrechter had eerder vastgesteld dat het perceel mandelig is op grond van een notariële akte die is ingeschreven in de openbare registers. Eisers betoogden dat een bepaling in die akte een verdeling zou verplichten bij het vervallen van erfdienstbaarheden, maar de rechtbank oordeelde dat deze bepaling geen beheersregeling is zoals bedoeld in artikel 3:168 lid 3 BW Pro, waardoor eisers hieraan geen rechten kunnen ontlenen.

Verder kon eiser niet aantonen dat er een geldige overeenkomst bestond tussen partijen die tot verdeling zou leiden. De vordering tot verdeling werd daarom afgewezen en eisers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verdeling van het mandelige perceel af en veroordeelt eisers in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/424729 / HA ZA 24-393
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,2. [eiser 2] ,

beiden wonende te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. J.J.R. Albicher,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R. Zwamborn.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 november 2024
- de akte overleggen producties met productie 22 van [gedaagde]
- de akte overleggen producties met productie 3 tot en met 9 van [eisers]
- de akte overleggen producties met productie 23 tot en met 27 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 18 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waaraan de spreekaantekeningen van beide partijen zijn gehecht.
1.2.
[gedaagde] heeft bij dagvaarding van 13 november 2023 een procedure met zaaknummer 10815873 CV EXPL 23-3148 aanhangig gemaakt bij de kantonrechter waarin zij (in conventie) onder andere heeft gevorderd – samengevat – dat [eisers] werd verboden voertuigen te parkeren op [perceel 1] en [perceel 2] en werd veroordeeld gestorte grond te verwijderen. In reconventie heeft [eisers] – samengevat – gevorderd dat [perceel 1] wordt verdeeld, althans dat de wijze van verdeling wordt gelast. Bij vonnis van 10 juli 2024 heeft de kantonrechter bepaald dat de procedure in conventie wordt voortgezet voor de kantonrechter volgens de regels van de verzoekschriftprocedure en dat zij in de procedure in reconventie niet bevoegd is zodat deze procedure wordt voortgezet voor de handelsrechter. Dit betreft onderhavige procedure.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] en [eisers] zijn buren. [gedaagde] is sinds 24 mei 2017 eigenaar van het perceel dat kadastraal bekend staat als [kadastrale aanduiding 1] (hierna: [perceel 3] ), alsmede van de onverdeelde helft van het perceel dat kadastraal bekend staat als [kadastrale aanduiding 2] (hierna: [perceel 1] ). Dit perceel betreft een pad vanaf de openbare weg, dat langs het perceel van [eisers] naar het perceel van [gedaagde] loopt. In de akte van verkrijging van 24 mei 2017 tussen [gedaagde] als koper van voornoemde percelen en de heer [verkoper] als verkoper staat op pagina twee het volgende vermeld:
[afbeelding geanonimiseerd]
2.2.
[eisers] is sinds 29 september 2017 eigenaar van de percelen die kadastraal bekend staan als [kadastrale aanduiding 3] (hierna: percelen [perceel 4] en [perceel 5] ), alsmede van de onverdeelde helft van [perceel 1] . [eisers] heeft voornoemde (onverdeelde helft van) percelen verkregen van de heer [verkoper] .
2.3.
Daarnaast heeft TCZ Vastgoed B.V. (hierna: TCZ) op 30 juni 2022 aan [gedaagde] en [eisers] geleverd de onverdeelde helft van een strook grond, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 4] (hierna: [perceel 2] ). Dit is gedaan in het kader van een minnelijke regeling in een juridische procedure tussen [gedaagde] en [eisers] enerzijds en TCZ anderzijds. De diverse percelen zien er, zoals blijkt uit productie 2 bij de incidentele conclusie houdende incidentele vordering tot verwijzing, als volgt uit:
[afbeelding geanonimiseerd]

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert – samengevat en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • [perceel 1] te verdelen althans de wijze van verdeling te gelasten in die zin dat dit perceel over de lengteas bij helfte zal worden toegedeeld aan [eisers] en voor de andere helft zal worden toegedeeld aan [gedaagde] waarbij het gedeelte dat aan [eisers] wordt toegedeeld aansluit aan de percelen kadastraal bekend [perceel 2] ;
  • [gedaagde] te veroordelen haar volledige medewerking te verlenen aan de daarvoor te passeren akte van verdeling en de notariële levering en te bepalen dat bij gebreke van voornoemde medewerking dit vonnis in de plaats treed van de voor levering vereiste toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde] ;
  • Te bepalen dat partijen ieder de helft van de kosten van levering zullen dragen en voldoen;
  • Te bepalen dat de notariële levering dient plaats te vinden uiterlijk twee maanden na dit vonnis.
[eisers] stelt dat deelgenoten van een gemeenschap niet gehouden kunnen worden om in onverdeeldheid te blijven. Daarom heeft hij er recht op dat [perceel 1] wordt verdeeld.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening.
[gedaagde] voert ter verweer aan dat [perceel 1] mandelig is en daarom niet verdeeld kan worden.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is in geschil of [perceel 1] verdeeld moet worden. [eisers] voert aan dat hij als deelgenoot recht heeft om verdeling te vorderen en dat als al sprake is van mandeligheid, die is komen te vervallen op grond van punt 2.3. van de hiervoor in 2.1. geciteerde akte. Tot slot lijkt [eisers] de stelling in te nemen dat partijen zijn overeengekomen dat [perceel 1] verdeeld zal worden. De rechtbank zal deze grondslagen hierna beoordelen.
4.2.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat ingevolge art. 5:63 lid 2 BW Pro een vordering tot verdeling van een mandelige zaak is uitgesloten. Deze bepaling is van dwingend recht, wat betekent dat daarvan niet kan worden afgeweken, en geldt als een uitzondering op art. 3:178 BW Pro. Op grond van art. 3:178 BW Pro kan dus geen verdeling van een mandelige zaak worden gevorderd.
Is [perceel 1] mandelig?
4.3.
Bij vonnis van 24 december 2024 heeft de kantonrechter over de door [gedaagde] ingestelde vorderingen geoordeeld. Daarbij is in rov. 4.1 onder andere overwogen dat partijen het erover eens zijn dat [perceel 2] mandelig is. Voorts heeft de kantonrechter bepaald dat [perceel 1] eveneens mandelig is. Daarbij heeft de kantonrechter geschetst dat uit art. 5:60 BW Pro volgt dat mandeligheid ontstaat wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven wordt bestemd bij een tussen hun opgemaakte notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers. Volgens de kantonrechter is aan deze vereisten voldaan. In de leveringsakte van 24 mei 2017 met betrekking tot [perceel 1] staat kortgezegd dat het gehele perceel wordt bestemd tot een mandelige zaak en bestemd is om als gemeenschappelijke weg / gemeenschappelijk pad te dienen voor de percelen [perceel 4] en [perceel 3] . Uit een bij de akte gevoegde verklaring van het Kadaster blijkt dat deze akte is ingeschreven in het daarvoor bestemde register. De kantonrechter overweegt dat die inschrijving weliswaar in algemene bewoordingen door [eisers] is betwist, maar dat dit door hem feitelijk niet nader is onderbouwd zodat de kantonrechter uitgaat van de verklaring van het Kadaster.
Daar komt bij dat de mandeligheid een afhankelijk recht is dat rust op de onroerende zaak zelf, ongeacht of het eigendom van het perceel wijzigt. Juist is dat de mandeligheid van [perceel 1] niet expliciet in de leveringsakte is benoemd die op 29 september 2017 tussen [verkoper] en [eisers] is gesloten. Dat verandert echter niets aan de situatie: [perceel 1] is en blijft dan mandelig. Ook uit andere feiten en omstandigheden volgt niet dat deze mandeligheid op enig moment is beëindigd.
4.4.
De rechtbank ziet geen grond of aanleiding om van dit oordeel van de kantonrechter af te wijken. Dit betekent dat [perceel 1] onverminderd mandelig is en niet verdeeld kan worden op grond van art. 3:178 BW Pro.
Moet [perceel 1] verdeeld worden op grond van de akte van 24 mei 2017?
4.5.
[eisers] stelt dat bij akte van 24 mei 2017 is overeengekomen dat bij het vervallen van enkele erfdienstbaarheden, partijen [perceel 1] zullen verdelen. Dit volgt uit punt 3 onder de kop “Mandeligheid” zoals is weergegeven onder rov. 2.1. De rechtbank begrijpt dat op grond van punt 3 het perceel moet worden gesplitst, waarmee de mandeligheid ingevolge art. 5:61 BW Pro eindigt dan wel dat de mandeligheid bij notariële akte moet worden opgeheven waarna het perceel kan worden verdeeld. [eisers] stelt dat de genoemde erfdienstbaarheden zijn geëindigd en dat het perceel dus moet worden verdeeld. [eisers] vordert nakoming van deze afspraak.
Hiertegen stelt [gedaagde] dat dit in wezen een vordering tot verdeling is, wat ingevolge art. 5:63 lid 2 BW Pro is uitgesloten. Daarnaast wordt gesteld dat [eisers] geen rechten kan ontlenen aan deze bepaling, nu het gaat om een bepaling in de akte tussen [verkoper] en [gedaagde] . [eisers] is daarin geen partij.
4.6.
Los van hetgeen hiervoor is overwogen over het niet kunnen vorderen van de verdeling van een mandelig perceel, komt de rechtbank tot het oordeel dat dit evenmin kan worden gevorderd op grond punt 3 zoals is weergegeven in de akte van 24 mei 2017. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.7.
[eisers] kan alleen rechten ontlenen aan de akte tussen [verkoper] en [gedaagde] als deze bepaling valt te kwalificeren als een beheersregeling in de zin van art. 3:168 BW Pro. Immers, uit art. 3:168 lid 3 BW Pro volgt dat een dergelijke regeling ook bindend is voor de rechtverkrijgenden van een deelgenoot, wat [eisers] als medegerechtigde ten opzichte van [perceel 1] is.
Een beheersregeling in de zin van art. 3:168 BW Pro is een regeling waarin de deelgenoten het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst regelen. Ten aanzien van het begrip “beheer” overweegt de rechtbank dat hieronder wordt verstaan de normale exploitatie van het goed.
In dat kader overweegt de rechtbank dat hetgeen onder punt 3 is overeengekomen niet kan worden gezien als een regeling over het genot, gebruik en beheer van het perceel. Punt 3 gaat alleen over de beëindiging van een gemeenschap, dan wel een verplichting tot verdeling van een mandelige zaak. Daarmee is punt 3 van voornoemde akte niet te zien als beheersregeling. Daarbij merkt de rechtbank op dat de overweging van de kantonrechter in de uitspraak van 24 december 2024 onder rov. 4.3 dat de daarin genoemde bepalingen uit de akte wel worden gezien als een beheersregeling in de zin van art. 3:168 BW Pro dit niet anders maakt. De door de kantonrechter beoordeelde punten hebben immers wel betrekking op genot, gebruik en beheer.
Nu punt 3 uit de akte van 24 mei 2017 niet te zien is als beheersregeling in de zin van art. 3:168 BW Pro, kan [eisers] hierop ingevolge art. 3:168 lid 3 BW Pro geen beroep doen.
Zijn partijen overeengekomen dat [perceel 1] wordt verdeeld?
4.8.
[eisers] heeft geen andere contractuele grondslag aangevoerd op grond waarvan hij de verdeling kan gelasten. Het betoog van [eisers] dat de vader van [gedaagde] als haar gevolmachtigde heeft afgesproken met [eisers] [perceel 1] te verdelen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. [eisers] heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan [eisers] mocht vertrouwen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vader van [gedaagde] .
Conclusie
4.9.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de vordering tot verdeling, dan wel het gelasten van de wijze van verdeling van het mandelige perceel zal afwijzen. De overige daarmee samenhangende vorderingen worden dientengevolge ook afgewezen.
proceskosten
4.10.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
234,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.729,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na aanschrijving omdat die termijn geacht wordt redelijk te zijn.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 1.729,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bosters en in het openbaar uitgesproken op
4 maart 2026.