AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken besluit in e-mail over overgangsrecht chalet
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een e-mail van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg waarin het college haar standpunt over het overgangsrecht voor een chalet op een locatie heeft toegelicht. Het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de e-mail geen besluit in de zin van artikel 1:3 AwbPro is, maar een bestuurlijk rechtsoordeel.
De rechtbank heeft beoordeeld of de e-mail als besluit kan worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie is een bestuurlijk rechtsoordeel in principe geen besluit, tenzij het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit aan de orde te stellen. De rechtbank oordeelt dat dit hier niet het geval is, omdat eiser de mogelijkheid heeft om een omgevingsvergunning aan te vragen en het geschil daarover aan de rechter voor te leggen.
Eiser voerde aan dat de e-mail wel rechtsgevolgen beoogt en dat het indienen van een vergunningaanvraag onevenredig bezwarend is, mede vanwege een vermeende administratieve fout uit 2001 en een mondelinge toezegging van een wethouder. De rechtbank stelt echter vast dat deze punten niet aan de orde zijn in deze procedure en dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, hij krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter S. Hindriks op 4 maart 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat de e-mail geen besluit is en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2500
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. van de Ven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over het bezwaar van eiser dat niet-ontvankelijk is verklaard door het college, omdat de e-mail waartegen zijn bezwaar is gericht geen besluit is. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard .Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 maart 2025 (bestreden besluit) waarbij het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college mr. D.L.M. Claessen.
2.4.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3.1.
Er is in een periode vanaf 31 december 2021 communicatie tussen eiser en het college geweest over vragen van eiser over een eventuele aanspraak op het overgangsrecht ten aanzien van het chalet op de locatie [adres] .
3.2.
Op 2 oktober 2024 heeft het college per e-mail (hierna: de e-mail) hierover, na eerdere standpuntuitwisselingen, opnieuw een standpunt ingenomen. In deze e-mail wordt aangegeven dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het overgangsrecht bouwen en het overgangsrecht gebruik. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat hij geen beroep op het bouwovergangsrecht kan doen.
3.3.
Eiser heeft op 8 november 2024 bezwaar gemaakt tegen deze e-mail.
3.4.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Het bestreden besluit
4.1.
Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de e-mail geen besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De e-mail bevat een bestuurlijk rechtsoordeel. Een bestuurlijk rechtsoordeel is een oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van wettelijke voorschriften die het bestuursorgaan uitvoert.
4.2.
Verder is volgens het college in deze zaak geen sprake van een uitzonderingsgrond zoals door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 28 september 2016 [1] is geformuleerd. Volgens die vaste jurisprudentie is een bestuurlijk rechtsoordeel, ondanks het ontbreken van een (beoogd) rechtsgevolg, een appellabel besluit als:
betrokkene een reëel belang heeft bij het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift; en
voor de betrokkene het via een andere weg verkrijgen van dat rechterlijk oordeel onevenredig bezwarend wordt geacht.
Eiser heeft namelijk de mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor nieuwbouw en/of het vergroten van het chalet aan te vragen. In het besluit op die aanvraag komt de vraag of al dan niet in strijd is gehandeld met het ter plaatse geldende omgevingsplan en of met succes een beroep op het overgangsrecht kan worden gedaan, ten volle aan de orde.
4.3.
Verder is de algemene lijn in de jurisprudentie dat het indienen van een aanvraag voor een vergunning of het afwachten van een besluit over handhaving niet als een onevenredig bezwarende weg kan worden aangemerkt. [2] Daarbij komt dat, als de uitkomst van een vergunningaanvraag op voorhand onzeker is, dit volgens jurisprudentie van de Afdeling [3] niet maakt dat het indienen van een vergunningaanvraag in een dergelijk geval om die reden onredelijk bezwarend zou zijn. Het college is daarom van mening dat het aanvragen van een omgevingsvergunning in eisers geval niet onevenredig bezwarend zou zijn. Het bestuurlijk rechtsoordeel in de e-mail kan dus niet worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb.
Beroepsgronden
5.1.
Eiser stelt dat de e-mail een besluit is in de zin van artikel 1:3 AwbPro en niet een bestuurlijk rechtsoordeel inhoudt. Verder zijn de formuleringen in het e-mailbericht rechtshandelingen, omdat zij rechtsgevolgen beogen; er worden eiser immers uitdrukkelijk bepaalde rechten ontzegd. Als de rechtbank van oordeel is dat toch sprake is van een bestuurlijk rechtsoordeel, dan is eiser van mening dat dit, hoewel het dan formeel geen rechtshandeling is, wél als zodanig moet worden aangemerkt of daarmee moet worden gelijkgesteld. Ook kan een indiening van een aanvraag om een omgevingsvergunning van eiser niet worden verlangd, omdat de uitkomst van de aanvraag op voorhand al vast staat. Daarbij komt dat eiser voor het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning kosten moet maken.
5.2.
Daarnaast voert eiser aan dat het college de woning van eiser in oktober 2001 in strijd met het gemeentelijke bestemmingsplan heeft aangemerkt als bedrijfsobject. Door deze ‘fout’ wordt eiser al bijna 25 jaar in zijn plannen belemmerd. Hij heeft in verschillende procedures al geprobeerd de administratieve fout rechtgezet te krijgen. Eiser verzoekt de rechtbank om de administratieve fout van het college alsnog te corrigeren, in die zin dat aan zijn perceel alsnog de bestemming ‘wonen’ met code 1000 wordt toegekend. Ook gezien die omstandigheid moet het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning als onevenredig bezwarend worden geacht.
5.3.
Ten slotte meent eiser dat het college aan de mondelinge toezegging van de wethouder van 10 november 2023 kan worden gehouden. De wethouder zou hebben toegezegd dat hij medewerking zou verlenen aan het voor advies voorgelegde bouwplan van eiser als eiser zou aantonen dat de huidige opstal reeds bestond vóór februari 1994, toen bestemmingsplan “Vossenberg Dongenseweg” in werking trad, en deze sindsdien als woning wordt gebruikt. Eiser meent daarom dat een uitdrukkelijke toezegging is gedaan.
Omvang van het geding
6.1.
De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaar van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de e-mail geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Deze uitspraak gaat dus niet over de vraag of eiser een beroep op het overgangsrecht of het vertrouwensbeginsel toekomt en of aan zijn perceel een verkeerde (fiscale) codering is toegekend.
6.2.
Ter zitting werd nog duidelijk dat het eiser met name gaat om de BRP- en BAG- registratie, maar dat is geen onderwerp van de e-mail en de voorliggende correspondentie tussen het college en eiser. Alleen al om die reden is dit geen onderwerp van deze procedure.
Is sprake van een voor bezwaar (en beroep) vatbaar besluit of een daarmee gelijk te stellen situatie?
7.1.
Volgens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Of een handeling van het bestuursorgaan als een rechtshandeling kan worden gezien is afhankelijk van de vraag of het rechtsgevolg beoogd is, niet of door die handeling een rechtsgevolg ontstaat. Het rechtsgevolg, waarop een rechtshandeling (besluit) gericht is, dient van die rechtshandeling afhankelijk te zijn.
7.2.
Een bestuurlijk rechtsoordeel is een zelfstandig en als definitief bedoeld oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift, waarvan de toepassing tot de bevoegdheid van dat bestuursorgaan behoort. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is een bestuurlijk rechtsoordeel in de regel geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Slechts in uitzonderlijke situaties wordt een bestuurlijk rechtsoordeel omwille van de rechtsbescherming met een besluit gelijkgesteld. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. [4]
7.3.
De rechtbank stelt vast dat de e-mail slechts een reactie is met het standpunt van het college over het overgangsrecht. Eiser heeft namelijk op 31 december 2021 een adviesverzoek ingediend bij het college voor het vervangen van het chalet op de locatie [adres] door een nieuwbouwwoning. Vervolgens is een vrij langdurige e-mailwisseling tussen eiser en het college ontstaan wat heeft geleid tot een afwijzing van het adviesverzoek en uiteindelijk tot de e-mail van 2 oktober 2024. Deze e-mail is niet gericht op een rechtsgevolg, maar behelst een beschrijving van de toepasselijke juridische kaders. De e-mail is dus geen besluit, maar behelst een bestuurlijk rechtsoordeel.
Is het onredelijk bezwarend om op een andere wijze een oordeel te verkrijgen?
8. Naar het oordeel van de rechtbank is het voor eiser niet onredelijk bezwarend om op een andere wijze een oordeel te verkrijgen. Eiser kan een omgevingsvergunning aanvragen en daarbij een beroep doen op het overgangsrecht en eventueel op het vertrouwensbeginsel. De beslissing van het college hierover kan na de bezwaarfase aan de rechtbank worden voorgelegd. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat de (fiscale) codering het verlenen van een omgevingsvergunning in de weg staat en dat het aanvragen van een omgevingsvergunning daarmee bij voorbaat kansloos is.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het bezwaar van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier, op 4 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, eerste lid
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Artikel 7:1, eerste lid
Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij: (…)
Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.