Eiseres heeft op 22 november 2024 een aanvraag ingediend bij de Dienst Toeslagen voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden een besluit genomen en heeft de termijn onrechtmatig verlengd. Eiseres stelde verweerder op 27 november 2025 in gebreke, waarna zij binnen twee weken beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, conform een eerdere lijn die is vastgesteld in een uitspraak van 5 november 2025. In dit individuele geval geldt een uiterste beslistermijn tot 15 januari 2027.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De rechtbank wijst verzoeken van verweerder af om de beslistermijn te schorsen vanwege alternatieve trajecten voor schadeafhandeling.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 3 maart 2026. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.