ECLI:NL:RBZWB:2026:139

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/02/425930 / FA RK 24-3910
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en zorgregeling voor minderjarige na scheiding

In deze zaak verzoeken de ouders gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, en kinderalimentatie. De rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd onderzoek te doen en advies uit te brengen. Uit het rapport blijkt dat er geen juridische of praktische gronden zijn om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van gezamenlijk gezag. Hoewel er verschillen en wantrouwen zijn tussen de ouders, zijn zij in staat om afspraken te maken die het belang van het kind dienen.

De zorgregeling is vastgesteld op basis van het advies van de Raad, waarbij het kind in even weken van donderdag na school tot zondag 16.00 uur bij de vader verblijft en in oneven weken van donderdag na school tot zaterdag 10.00 uur. De vakanties en feestdagen worden gelijk verdeeld, met een aangepaste regeling voor de zomervakantie 2026. De rechtbank wijst het verzoek van de vader toe om mede het gezag te dragen en legt de zorgregeling en alimentatie vast.

De moeder uitte zorgen over gezamenlijk gezag en de praktische uitvoering van een 'plan B' bij meningsverschillen, maar de rechtbank en Raad achten deze zorgen niet zwaarwegend. Partijen zijn het eens over de alimentatie en wensen geen verdere verwijzing naar hulpverlening. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag en zorgregeling wordt toegewezen met vaststelling van kinderalimentatie.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/425930 / FA RK 24-3919
datum uitspraak: 13 januari 2026
nadere beschikking betreffende het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en over kinderalimentatie
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende te [plaats] ,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, hierna: [minderjarige] ,
beiden bijgestaan door mr. C.J.W.F. Dekkers in de hoedanigheid van gezinsadvocaat en drs. [persoon] in de hoedanigheid van gedragswetenschapper.
Zowel de vrouw als de man hebben bijstand van een eigen advocaat. Voor de vrouw treedt op mr. J.M.G. Cox en voor de man mr. J. Nederlof.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad,
de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 28 november 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- het rapport van de Raad van 23 juni 2025, ingekomen op 25 juni 2025;
- het F9-formulier van mr. Dekkers van 12 augustus 2025 met bijlage.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 6 januari 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, ieder bijgestaan door hun advocaat. Tevens waren aanwezig de gezinsadvocaat en de gedragswetenschapper voornoemd. Ook waren aanwezig twee vertegenwoordigers van de Raad.

2.De nadere beoordeling

DE BESCHIKKING VAN 28 NOVEMBER 2024
2.1.
Bij deze beschikking heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen en daarover te rapporteren en te adviseren. De rechtbank heeft de behandeling van en de beslissing op de verzoeken aangehouden, in afwachting van het rapport van de Raad.
DE VERZOEKEN
2.2.
De nog openstaande verzoeken:
- het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
- het ouderschapsplan (in het bijzonder de reguliere zorgregeling en regeling voor vakanties, feestdagen en bijzondere dagen);
- een gecombineerde geslachtsnaam voor [minderjarige] .
GEZAG
2.3.
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.4.
Uit de inhoud van diens rapport blijkt dat de Raad op dit moment geen juridische of praktische gronden aanwezig acht om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Naar de mening van de Raad raakt [minderjarige] niet “klem of verloren tussen zijn ouders”. De zorgelijke signalen die [minderjarige] uit (zoals uitspraken over misbruik of geweld) worden serieus genomen, maar kunnen (nog) niet geduid worden als gevolg van klem zitten tussen ouders. Hoewel de ouders verschillen in opvoedvisie en beeldvorming zijn zij, ondanks onderling wantrouwen, in staat om op hoofdlijnen afspraken met elkaar te maken. Bij beide ouders functioneert [minderjarige] goed. De man is een betrokken ouder. Het toekennen van het gezamenlijk gezag bevestigt de gelijkwaardige rol van beide ouders in het leven van [minderjarige] , hetgeen kan helpen het onderlinge vertrouwen te herstellen.
Concluderend adviseert de Raad om het namens de man gedane verzoek om hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] toe te wijzen.
De Raad merkt nog op dat hij het onderzoek naar de opvoedsituatie van [minderjarige] heeft afgesloten. Een ondertoezichtstelling acht de Raad niet nodig. In de plaats daarvan adviseert de Raad voor ouders een verwijzing naar de vrijwillige hulpverlening, te weten [hulpverlening] , alwaar zij (verder) kunnen werken aan verbetering van de oudercommunicatie.
2.5.
De gezinsadvocaat ondersteunt het advies van de Raad. Zij ziet dat de communicatie tussen partijen over [minderjarige] nog niet optimaal verloopt. In een verwijzing van partijen naar [hulpverlening] zoals voorgesteld door de Raad ziet de gezinsadvocaat geen toegevoegde waarde meer, omdat partijen al een lange hulpverleningsgeschiedenis kennen en het hoogst haalbare daarin lijkt te zijn bereikt. Dit neemt volgens de gezinsadvocaat niet weg dat het partijen in de afgelopen vijf jaren gelukt is om tot bepaalde afspraken te komen. Daarbij geeft de gezinsadvocaat de betrokkenen in overweging dat bij gezamenlijk gezag indien nodig gewerkt gaat worden met een “plan B”, waarbij in voorkomend geval bij menings-verschillen tussen partijen de huisarts of de school de doorslaggevende stem zal hebben.
2.6.
De vrouw blijft haar twijfels houden over gezamenlijk gezag. De zorg van de vrouw is dat gezamenlijk gezag gaat leiden tot meer spanningen en conflicten tussen ouders, doordat partijen lastig samen beslissingen kunnen nemen. Daarbij ziet de vrouw in het voorgestelde “plan B” geen afdoende oplossing, omdat zij daarin praktische problemen voorziet, waarbij te denken valt aan verschillen in interpretatie, tijdsdruk, geen reactie van de man of het ontbreken van kennis van de volledige thuissituatie bij de professionals. Naar de mening van de vrouw zorgt het huidige eenhoofdig gezag voor duidelijkheid en structuur. Volgens de vrouw zullen daardoor sneller knopen kunnen worden doorgehakt en zullen er minder conflicten tussen ouders ontstaan. Bovendien helpt het eenhoofdig gezag volgens de vrouw om toekomstige rechtszaken en discussies tussen partijen te voorkomen.
Met de gezinsadvocaat ziet de vrouw in een verwijzing van partijen naar [hulpverlening] geen toegevoegde waarde meer. De vrouw wil bij eindbeslissing duidelijkheid.
2.7.
De man kan instemmen met het advies van de Raad om hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De man wil graag een gelijkwaardige rol kunnen gaan spelen in het leven van [minderjarige] . Naar de mening van de man zijn er geen juridische of praktische gronden aanwezig om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van gezamenlijk gezag over [minderjarige] . De man ziet in een verwijzing van partijen naar [hulpverlening] evenmin toegevoegde waarde. Ook de man wil thans bij eindbeslissing duidelijkheid.
2.8.
De rechtbank overweegt dat gezamenlijk gezag vereist, dat de ouders in staat zijn tot enige vorm van communicatie en overleg met elkaar over het kind en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Ouders moeten tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen, zodanig dat de minderjarige niet klem of verloren raakt tussen hen. Tussen de ouders moet daarom enig vertrouwen in elkaar bestaan. Geconstateerd moet worden dat zich in de afgelopen jaren in de oudercommunicatie en samenwerking tussen ouders een verbetering heeft voorgedaan. Zo zijn de ouders inmiddels tot verregaande overeenstemming kunnen komen over de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . Tussen de ouders bestaat nog enig wantrouwen, maar zij zijn in staat om samen beslissingen te nemen die het belang van [minderjarige] dienen. De angst die de vrouw nog heeft wordt door zowel de gezinsadvocaat, de Raad als de rechtbank niet zo ernstig ingeschat. Zo speelt het klemcriterium hier in elk geval niet. Ook anderszins is niet gebleken dat in het belang van [minderjarige] afgeweken zou moeten worden van het wettelijke uitgangspunt van gezamenlijk gezag. Dit brengt met zich dat de rechtbank het namens de man gedane verzoek om hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] zal toewijzen. De ouders hebben beiden ter zitting er blijk van gegeven open te staan voor een in beginsel bindend adviserende rol van een derde bij onoverkomelijke verschillen van inzicht. De rechtbank zal, in aansluiting op het advies van de gezinsadvocaat en met instemming daartoe van de zijde van ouders bepalen dat ouders bij verschillen van inzicht over belangrijke beslissingen die [minderjarige] betreffen, in voorkomend geval een passende professionele adviseur, zoals bij medische zaken een huisarts, zullen inschakelen om hen bindend te adviseren over de te nemen beslissing.
VERDELING ZORG- EN OPVOEDINGSTAKEN
2.9.
Ten aanzien van de regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken constateert de Raad, dat ouders tijdens het onderzoek tot verregaande overeenstemming zijn kunnen komen. Op enkele punten is geen volledige overeenstemming bereikt en daarover geeft de Raad een advies.
De Raad geeft aan dat de vrouw vanuit haar zorgen over de draagkracht en stabiliteit bij de man aanvankelijk de wens had dat [minderjarige] minder vaak bij hem zou verblijven. Volgens de Raad zijn deze zorgen tijdens het onderzoek vanuit de hulpverlening niet bevestigd kunnen worden. Wel is uit signalen van [minderjarige] én uit observaties van beide ouders gebleken dat het
huidige schema met meerdere wisselmomenten per week belastend is voor [minderjarige] . Na wisselingen laat [minderjarige] regelmatig boosheid en frustratie zien. Naar de mening van de Raad wijst dit op emotionele overbelasting en een behoefte aan meer rust en voorspelbaarheid.
Volgens de Raad zijn de ouders het eens met een regeling waarbij [minderjarige] de even en oneven weken vanaf donderdag uit school bij de man verblijft. De ouders zijn het er niet over eens wanneer [minderjarige] terugkomt naar de vrouw in de even weken, op de zondag of op de maandag.
Voor wat betreft de verdeling van de vakanties en feestdagen adviseert de Raad om deze bij helfte tussen de ouders te verdelen. Beide ouders zijn daarvoor capabel en betrokken genoeg.
Gezien de leeftijd van [minderjarige] lijkt de Raad in de zomervakantie daarbij een periode van twee aaneengesloten weken en één losse week het meest passend.
2.10.
Concluderend adviseert de Raad de volgende regeling vast te leggen tussen [minderjarige] en zijn ouders:
  • In de even weken van donderdag uit school tot zondag 16.00 uur verblijft [minderjarige] bij de man. [minderjarige] heeft dan een bijna volledig weekend met de man. Doordat [minderjarige] om 16.00 uur terug is bij de vrouw zal hij voldoende tijd hebben om te schakelen en op tijd in bed te liggen, gezien hij maandag weer naar school gaat.
  • In de oneven week van donderdag uit school tot zaterdag 10.00 uur verblijft [minderjarige] bij de man. De man brengt [minderjarige] naar de judo (of naar de vrouw, wanneer er geen judo is). [minderjarige] heeft hiermee een bijna volledig weekend met de vrouw.
  • De vakanties en feestdagen worden bij helfte tussen de ouders verdeeld. De exacte invulling dient te worden opgesteld binnen een hulpverleningstraject vanuit [hulpverlening] en zal vervolgens kunnen worden opgenomen in een ouderschapsplan.
2.11.
De gezinsadvocaat ondersteunt in het belang van [minderjarige] het door de Raad gegeven advies over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
2.12.
De vrouw kan akkoord gaan met het advies van de Raad over de zorgregeling. Wel zou de vrouw liever zien dat de man [minderjarige] op de zondagen eerder, om 13.00 uur, bij haar zal terugbrengen. Daarnaast vindt de vrouw een verblijf van [minderjarige] bij de man gedurende twee aaneengesloten weken voor [minderjarige] te lang, omdat het regelmatige contact met haar als moeder zijnde belangrijk is voor [minderjarige] , vooral gelet op diens huidige leeftijd.
2.13.
De man wil erg graag dat de tijd dat [minderjarige] bij ene dan wel bij de andere ouder verblijft bij helfte tussen de ouders wordt verdeeld. Hij kan instemmen met het voorstel van de Raad voor wat betreft de zorgregeling. Het liefste zou de man daarbij zien dat [minderjarige] in de even weken tot maandagochtend bij hem zou verblijven. De man kan er ook goed mee leven indien de omgang in de even weken telkens zal eindigen op de zondag om 16.00 uur.
2.14.
Met de Raad (en de gezinsadvocaat) acht de rechtbank de door de Raad geadviseerde zorgregeling het meest in het belang van de minderjarige. Deze regeling komt ook tegemoet aan de belangen van ouders. Wel ziet de rechtbank – gelet op de nog jonge leeftijd van [minderjarige] – aanleiding om de zomervakantie in 2026 dusdanig te verdelen, dat [minderjarige] dan nog gedurende twee volle losstaande weken bij de man zal verblijven en de overige weken bij de vrouw. Vanaf 2027 zal [minderjarige] dan gedurende een periode van twee aaneengesloten weken en gedurende één losse week bij de man mogen verblijven. Daarbij zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling met elkaar overeengekomen, dat zij alle vakanties die één week duren telkens door midden zullen delen.
Gelet op het voorgaande liggen de verzoeken van partijen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als na te melden voor toewijzing gereed.
GECOMBINEERDE GESLACHTSNAAM
2.15.
Tijdens de mondelinge is gebleken dat partijen intussen in onderling overleg een afspraak hebben gemaakt over een gecombineerde geslachtsnaam van [minderjarige] en dat een beslissing van de rechtbank hierover daarom niet meer nodig is. Dat brengt met zich dat de rechtbank dit verzoek zal afwijzen.
KINDERALIMENTATIE
2.16.
Tijdens de mondelinge behandeling is voorts gebleken dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een door de man aan de vrouw ten behoeve van de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te betalen bijdrage. Partijen zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 februari 2025 aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 25,= per maand. Vanwege indexering zal dit bedrag per 1 januari 2026 € 29,58 per maand bedragen.
Partijen verzoeken om deze overeengekomen bijdrage in de te geven beschikking vast te leggen. De rechtbank zal dit verzoek van partijen honoreren.
TOEGANG TILBURG
2.17.
Tot slot constateert de rechtbank dat bij partijen – anders dan door de Raad is geadviseerd – geen behoefte bestaat om hen voor een bemiddelingstraject nog te verwijzen naar [hulpverlening] . De ouders zijn allebei van mening dat zij met een duidelijke eindbeslissing van de rechtbank vooruit zullen kunnen. De rechtbank zal zo beslissen.
UITVOERBAAR BIJ VOORRAAD
2.18.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
PROCESKOSTEN
2.19.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019; bij onoverbrugbare verschillen van inzicht over belangrijke beslissingen die [minderjarige] betreffen, zullen ouders in voorkomend geval een passende professionele adviseur, zoals bij medische zaken de huisarts, inschakelen om hen bindend te adviseren over de te nemen beslissing.
3.2.
bepaalt dat de man en genoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar:
  • In de even weken van donderdag uit school tot zondag 16.00 uur verblijft [minderjarige] bij de man. [minderjarige] heeft dan een bijna volledig weekend met de man. Doordat [minderjarige] om 16.00 uur terug is bij de vrouw zal hij voldoende tijd hebben om te schakelen en op tijd in bed te liggen, gezien hij maandag weer naar school gaat.
  • In de oneven week van donderdag uit school tot zaterdag 10.00 uur verblijft [minderjarige] bij de man. De man brengt [minderjarige] naar de judo (of naar de vrouw, wanneer er geen judo is). [minderjarige] heeft hiermee een bijna volledig weekend met de vrouw. Een (eventuele) week 53 zal op voorstel van de vrouw tussen ouders worden verdeeld.
- De vakanties en feestdagen worden bij helfte tussen de ouders verdeeld, waarbij enkel voor 2026 nog heeft te gelden dat [minderjarige] dan nog gedurende twee volle losstaande weken bij de man zal verblijven en de overige weken bij de vrouw. De vakanties van één week zullen partijen telkens door midden delen;
3.3.
bepaalt dat de man met ingang van 1 februari 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 25,= (vijfentwintig euro) per maand en met ingang van 1 januari 2026 bij vooruitbetaling te voldoen telkens een bedrag van € 29,58 (negenentwintig euro en achtenvijftig eurocent);
3.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.