ECLI:NL:RBZWB:2026:1382

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443137 / JE RK 25-2266
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens gebrekkige oudercommunicatie en opvoedingsproblemen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen. De minderjarige woont bij haar moeder, en beide ouders hebben het ouderlijk gezag. De eerdere ondertoezichtstelling liep tot 5 februari 2026.

De GI stelt dat ondanks hulp en ondersteuning de opvoedsituatie bij beide ouders onvoldoende stabiel is. Er is sprake van gebrekkige communicatie tussen de ouders, waarbij de minderjarige als boodschapper fungeert. De moeder heeft moeite met het accepteren van hulp en reageert soms overmatig op kleine tegenslagen van het kind. De vader heeft recent een epileptische aanval gehad en er is geen directe communicatie tussen de ouders.

De moeder verzet zich tegen verlenging en stelt dat de situatie niet langer een bedreiging vormt en dat hulpverlening vrijwillig kan blijven. De vader steunt het verzoek vanwege blijvende zorgen over de draagkracht van de moeder en de zorgsituatie. De kinderrechter oordeelt dat de omstandigheden sinds de vorige beschikking niet wezenlijk zijn veranderd en dat verlenging noodzakelijk is om de doelstellingen te bereiken, waaronder verbetering van oudercommunicatie en stabiliteit voor het kind.

De ondertoezichtstelling wordt verlengd van 5 februari 2026 tot 5 februari 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met een jaar en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443137 / JE RK 25-2266
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.P.J. Brouwers uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. V. Vos uit Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening mondeling tijdens een kind gesprek dan wel schriftelijk kenbaar te maken. [minderjarige] heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 februari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 5 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is namens de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat in de afgelopen periode globaal is gewerkt aan (a) het opgroeien van [minderjarige] in een veilige, stabiele en voorspelbare leefomgeving waarbij leeftijdsadequaat wordt aangesloten en (b) een onbelast, veilig en structureel contact tussen [minderjarige] en de vader waarbij zij niet belast wordt met onderlinge spanningen tussen de ouders.
4.2.
Gezien wordt dat het op school in algemene zin goed gaat met [minderjarige] . Zij heeft vriendinnen en zij voelt zich op haar plek. Wel blijven haar rekenresultaten achter. De ouders en school onderzoeken momenteel of dit duidt op haar capaciteiten of dat dit mogelijk een andere onderliggende oorzaak heeft. [minderjarige] heeft in gesprekken aangegeven dat zij het leuk vindt om te dansen, hockeyen en zwemmen. Zij oefent voor haar zwem-diploma A. [minderjarige] vindt het bij beide ouders fijn. Bij vader vindt ze het leuk om met haar halfbroertje en -zusje te spelen. Ook gaat zij graag naar de speeltuin. Bij haar moeder vindt [minderjarige] het ook fijn en voelt zij zich prettig, behalve wanneer haar moeder op bed ligt en zij dan niet naar buiten mag.
4.3.
Er is ondanks de ingezette hulp en ondersteuning nog steeds onvoldoende zicht op de opvoedsituatie bij beide ouders. Dit houdt deels ook verband met een aantal wisselingen van jeugdbeschermer, waardoor de ouders zich sinds kort met een derde nieuwe contact-persoon geconfronteerd weten, voor welke situatie de GI haar excuses maakt. Er blijven zorgen over de draagkracht en -last van de moeder en wat zij hierin kan doen. De moeder blijkt vooral moeite te hebben met het accepteren van hulp wanneer zij onder stress staat. Ook wordt gezien dat zij streeft naar perfectie, wat maakt dat zij soms overmatig reageert op kleine tegenslagen van [minderjarige] , bijvoorbeeld wanneer zij lage cijfers haalt op school. Ook zijn er nog steeds zorgen over haar emotionele beschikbaarheid, pedagogische vaardigheden en haar mogelijkheden om stressvolle situaties te hanteren. Ten aanzien van de vader geldt dat hij in september 2025 een epileptische aanval heeft gehad, welk voorval hij met [minderjarige] heeft gedeeld. Dit bij elkaar heeft de GI doen besluiten de hulp en ondersteuning in te roepen van de ambulante hulpverlener van het maatschappelijk werk van de moeder. Er leek aanvankelijk verbetering zichtbaar sinds de inzet van deze hulpverlening. Echter is er vervolgens iets voorgevallen tussen de ouders, waar [minderjarige] tussenin is komen te staan. Dit heeft ertoe geleid dat er van directe communicatie tussen de ouders geen sprake is en [minderjarige] in de praktijk tussen hen als ‘boodschapper’ fungeert. Ook ontbreekt het daardoor aan voldoende stabiliteit, voorspelbaarheid en samenwerking tussen de ouders.
4.4.
Gebleken is dat conflicten vooral ontstaan wanneer gemaakte afspraken door één van beide ouders worden gewijzigd. Dit is ook het geval wanneer er discussie is over meer praktische zaken zoals haren wassen en het gebruik van een tablet. Gebleken is dat de ouders dan niet in staat zijn samen tot een oplossing te komen en zij daarvoor de maatschappelijk werker van de moeder dienen in te schakelen. De GI acht van essentieel belang dat de ouders zich aan afspraken houden om stabiliteit en voorspelbaarheid voor [minderjarige] te borgen. Ook is hulp en ondersteuning nog steeds noodzakelijk ter voorkoming dat de ouders terugvallen in strijd en onduidelijkheid, wat belastend is voor [minderjarige] . Dit betekent ook dat er door de ouders vaste afspraken gemaakt dienen te (kunnen) worden over de zorgverdeling, waaronder begrepen een regeling met betrekking tot de vakanties. De GI wil daarom tevens zorgen voor een afzonderlijke ambulante hulpverlener/ondersteuner voor de vader.
4.5.
De GI handhaaft met voormelde toelichting haar verzoek om de ondertoezicht-stelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Zij wijst er in dat verband op dat voor het behalen van de doelstellingen van de moeder en de vader wordt verwacht dat zij alle beschikbare hulpverlening zullen aangrijpen en daarmee de samenwerking aan zullen gaan om ervoor te zorgen dat er in het belang van [minderjarige] en haar (toekomstige) ontwikkeling van een behoorlijke vorm van oudercommunicatie sprake zal zijn.

5.De standpunten van de ouders

5.1.
Door de advocaat van de moeder is - samengevat - aangevoerd dat de moeder heeft ervaren dat zij met haar vragen en zorgen in relatie tot [minderjarige] en haar ontwikkeling niet of onvoldoende terecht kon bij de GI. Ook hebben de meerdere wisselingen van de jeugdbeschermers ervoor gezorgd dat bij haar het vertrouwen in de hulpverlening vanuit de GI is afgenomen en zij zich daarvoor minder goed weet open te stellen. Daarentegen is er tussen de moeder en haar maatschappelijk werker sprake van een goede samenwerking en vertrouwensband. Naast dat deze ambulant hulpverlener oplossingsgerichte ondersteuning aan de moeder biedt bij vrijwel al haar vragen en problemen heeft deze tevens weten te bereiken dat er tussen de ouders vaste afspraken zijn gemaakt over een vakantieverdeling.
5.2.
Uit de actuele hiervóór toegelichte omstandigheden volgt in de visie van de moeder dat [minderjarige] weliswaar opgroeit in twee afzonderlijke huishoudens, maar dat die situatie niet langer een bedreiging vormt voor haar ontwikkeling. Er is bovendien voor (toekomstige) vraagstukken over [minderjarige] hulpverlening beschikbaar in het geval dat de ouders daarover geen overeenstemming weten te bereiken in de persoon van haar maatschappelijk werker, die al betrokken is. Die hulp en ondersteuning kan zonder enig bezwaar in een vrijwillig kader blijven doorlopen. Namens de moeder stelt zij zich daarom primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. Indien de rechtbank anders mocht oordelen verzoekt zij namens de moeder, bij wijze van subsidiair standpunt, de ondertoezichtstelling te verlengen voor een beperktere periode, te weten voor maximaal drie maanden, onder afwijzing van het restant verzoek.
5.3.
De moeder heeft opgemerkt dat zij in de kern geen problemen met de vader heeft. Wel heeft zij er moeite mee dat hij zich in haar ervaring over al wat de zorg voor en de ontwikkeling van [minderjarige] aan gaat laat leiden door wat er door anderen wordt bepaald. Ook heeft zij bemerkt dat aanwijzingen, die zij geeft over de verzorging van [minderjarige] , wanneer zij bij de vader is, door hem en zijn partner niet of onvoldoende worden opgevolgd. Dit bij elkaar maakt dat zij niet rechtstreeks met de vader over [minderjarige] wenst te communiceren en zij daartoe ook niet wil worden verplicht.
5.4.
De advocaat van de vader heeft - samengevat - aangevoerd dat in de opvatting van de vader er nog steeds sprake is van factoren, die maken dat [minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd. In de eerste plaats heeft de vader nog steeds zorgen over de belastbaarheid van de moeder. Evenzeer zorgelijk acht de vader dat hem uit de verslaglegging van de GI is gebleken dat [minderjarige] bij de moeder thuis weinig activiteiten kan ondernemen, omdat de moeder vaak op bed ligt en zij dan binnen moet blijven. Daarnaast ervaart de vader dat de moeder aan hem in de praktijk aanwijzingen geeft over al wat de zorg voor en de ontwikkeling van [minderjarige] aan gaat en zij hem geen enkele ruimte laat om daarover met haar de communicatie aan te gaan, terwijl hij zich daar absoluut voor open stelt. Ook heeft hij de indruk dat de maatschappelijk werker uitsluitend in het belang van de moeder handelt.
Ten slotte geldt dat, anders dan door de moeder aangegeven, er nog geen sprake is van volledige overeenstemming tussen de ouders over de zorgverdeling voor de vakantie-periodes, alsook over de ophaal- en brengregeling. De vader hoopt dat de recent aangestelde jeugdbeschermer gedurende langere tijd een opbouwende rol zal kunnen vervullen, opdat al deze onderwerpen aangepakt zullen kunnen worden. Namens hem wordt daarom ingestemd met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de aldus verzochte periode.
5.5.
De vader heeft opgemerkt dat hij zich niet herkent in het van hem door de moeder geschetste beeld dat hij zich in het kader van de zorg voor en de ontwikkeling van [minderjarige] zou laten leiden door wat er voor hem door anderen wordt bepaald. In zijn ervaring is het de moeder die een bepalende opstelling laat zien, welke situatie er toe heeft geleid dat hij haar vaak haar zin geeft om onnodige conflicten te vermijden. Er is momenteel contact van hem met [minderjarige] met een frequentie van één maal per twee weken. Dat verloopt positief. Ook is er sprake van een fijne verstandhouding tussen [minderjarige] en zijn partner. Verder heeft hij moeten vaststellen dat hem geen andere mogelijkheid resteert om met de moeder tot enig contact over [minderjarige] te komen dan door een whats app bericht aan haar maatschappelijk werker te sturen, wat hij als niet constructief ervaart.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan (artikel 1:260 Burgerlijk Pro Wetboek). De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
In de beschikking van 5 februari 2025, waarbij over [minderjarige] een ondertoezichtstelling is uitgesproken, heeft de kinderrechter overwogen dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd omdat de vader en de moeder niet als ouders kunnen samenwerken en zij niet op constructieve wijze met elkaar communiceren over [minderjarige] . [minderjarige] zit hier tussen en zij wordt door deze situatie fors belast. Tevens heeft de kinderrechter in die beschikking benoemd dat het zeer zorgelijk is dat de moeder meent dat zij alles mag bepalen en dat de vader zich aan haar regels moet houden en dat zij daarmee laat zien geen oog te hebben voor de belangen van [minderjarige] , waaronder het hebben van een goed en onbelast contact met de vader.
6.3.
De inhoud van de actuele stukken en het verhandelde ter zitting strekken naar het oordeel van de kinderrechter tot de overtuiging dat sinds de laatste beschikking de omstandigheden niet of nauwelijks zijn gewijzigd. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat sprake is van een situatie, waarin de beide ouders weliswaar zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , maar gebleken is dat in de dagelijkse praktijk er geen rechtstreekse communicatie plaatsvindt tussen de ouders over zaken die de belangen van [minderjarige] raken. In plaats daarvan verloopt die eenzijdig, te weten op initiatief/aanwijzing van de moeder en bovendien via haar maatschappelijk werker. De GI heeft in eerste instantie de hulp en ondersteuning van deze maatschappelijk werker ingezet, bedoeld om tot verbetering van de oudercommunicatie te komen. Nu die inzet niet het beoogde effect heeft gehad wenst zij andere mogelijkheden te benutten, zoals door te zorgen voor een maatschappelijk werker afzonderlijk voor de vader, om alsnog tot de verlangde verbetering van de ouder-communicatie te komen. De kinderrechter hoopt dat deze aanpak wel tot het gewenste resultaat zal leiden. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat niet valt uit te sluiten dat de meerdere wisselingen van jeugdbeschermers, die er in het afgelopen jaar zijn geweest een nadelige invloed hebben gehad op de ter realisering van de doelstellingen ingezette hulp en ondersteuning.
6.4.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezicht-stelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar, welke periode naar het oordeel van de kinderrechter, naar op dit moment valt in te schatten, noodzakelijk is om te kunnen (blijven) werken aan de doelstellingen, te weten:
- [minderjarige] ervaart dat ouders het fijn vinden dat zij samen kunnen zorgen voor
[minderjarige] en afspraken kunnen maken over [minderjarige] ; indien de ouders toch onenigheid hebben met elkaar over [minderjarige] , voelt zij zich hierover niet schuldig;
- [minderjarige] ziet haar vader regelmatig en volgens een regeling;
- [minderjarige] ervaart emotionele steun en betrokkenheid van haar moeder en de ruimte voor leuke dagbesteding en het onderhouden van fijne vriendschappen;
- [minderjarige] voelt zich ook bij vader en zijn partner op haar gemak (er zijn geen fysieke ruzies en [minderjarige] maakt zich geen zorgen meer over normale ruzies
tussen volwassenen).
6.5.
Daaraan wenst de kinderrechter volledigheidshalve de navolgende doelstelling toe te voegen:
- de ouders zijn in staat om rechtstreeks zónder tussenkomst van een derde met elkaar constructief te communiceren over onderwerpen die in het belang zijn van [minderjarige] en zij slagen erin om met elkaar duidelijke afspraken te maken omtrent een zorgverdeling in regulier opzicht en met betrekking tot de vakantieperiodes en de algemeen erkende feestdagen, alsook met betrekking tot het ophalen en terugbrengen van [minderjarige] .
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 5 februari 2026 tot 5 februari 2027;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 10 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.