ECLI:NL:RBZWB:2026:1380

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444268 / FA RK 26-359
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Dun
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 4 Wet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting inbewaringstelling op grond van Wet zorg en dwang wegens ernstig dreigend nadeel

Betrokkene verblijft sinds 21 januari 2026 in een zorgaccommodatie op grond van een inbewaringstelling door de burgemeester. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzoekt de rechtbank om voortzetting van deze inbewaringstelling voor zes weken.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, zijn betrokkene, zijn advocaat, een specialist ouderengeneeskunde en een gevolmachtigde gehoord. Betrokkene ervaart zijn huidige verblijf als beter dan zijn eerdere opname elders, waar hij zich niet begrepen voelde en waar sprake was van escalaties en politie-interventies.

De specialist ouderengeneeskunde stelt dat betrokkene kampt met ernstige oordeels- en kritiekstoornissen, impuls- en emotieregulatieproblemen als gevolg van niet aangeboren hersenletsel, wat leidt tot een aanzienlijk risico op ernstig nadeel zoals psychische schade, verwaarlozing en gevaar voor veiligheid.

De rechtbank oordeelt dat voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk en geschikt is om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen, mede omdat betrokkene bij terugval mogelijk niet tot juiste beslissingen komt en zich tegen opname zal verzetten. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven. De machtiging wordt verleend tot en met 6 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor zes weken wegens onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444268 / FA RK 26-359
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beschikking voortzetting inbewaringstelling
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1953 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonende in [plaats 1] ,
verblijvende te [plaats 2] , [accommodatie 1] , [afdeling] ,
advocaat mr. H.M.Th. de Pont te Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 22 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de heer [persoon 1] , specialist ouderengeneeskunde;
  • de heer [persoon 2] , gevolmachtigde.
Tevens waren aanwezig:
- mevrouw [persoon 3] , teamleider;
- mevrouw [persoon 4] , hbo verpleegkundige [accommodatie 2] ;
- mevrouw [persoon 5] , verzorgende IG.

2.Wat vaststaat

Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling bij [accommodatie 1] , [afdeling] . De burgemeester van Bergen op Zoom heeft de inbewaringstelling op 21 januari 2026 afgegeven.

3.Het verzoek

Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene merkt op dat hij veel problemen had met zijn eerdere opname en verblijf bij [accommodatie 2] . Hij noemt als voorbeeld dat hij continu honger had, maar dat hij telkens niet werd begrepen. Ook omtrent andere onderwerpen, die hij ter sprake bracht, voelde hij zich daar niet serieus genomen. Met de zorgaccommodatie te [plaats 2] , waar hij nu verblijft, heeft hij tot dusver betere ervaringen.
4.2.
De specialist ouderengeneeskunde brengt naar voren dat gebleken is dat de opname en het verblijf bij [accommodatie 1] voor betrokkene geschikt is bevonden, omdat wordt gezien dat hij hier tot rust komt. Dit lag geheel anders tijdens zijn opname in [accommodatie 2] , waar er vrijwel continu sprake was van spanningsvolle incidenten en escalaties, als gevolg van toenemende prikkelbaarheid bij betrokkene, waarbij ook regelmatig politie interventie noodzakelijk was. Hoewel betrokkene zich op dit moment positief uitspreekt over zijn verblijf en opname bij [accommodatie 1] , ziet hij dat het ook hier voor hem soms lastig is om zijn gedrag en zijn emoties in goede banen te leiden. Daarbij komt nog dat ook in de huidige zorgaccommodatie niet al wat betrokkene mogelijk prikkels en onrust zou kunnen geven, bij hem weg kan worden gehouden. Daardoor is en blijft erg onzeker hoe de opname en verblijf de komende tijd zal gaan verlopen. Hij verwacht dat er beslist nog momenten zullen komen, zoals wanneer betrokkene een terugval mocht kennen, waarin hij voor zichzelf niet de juiste afweging zal weten te maken en dit erin zal resulteren dat hij zich tegen de huidige opname en het verblijf zal gaan verzetten.
4.3.
De gevolmachtigde geeft aan zich grotendeels te kunnen vinden in hetgeen door de specialist ouderengeneeskunde naar voren is gebracht.
4.4.
De advocaat van betrokkene voert aan dat in het leven van zijn cliënt momenteel één vraag centraal staat, te weten of hij bij [accommodatie 1] te [plaats 2] kan blijven. Betrokkene wil in geen geval terugkeren naar [accommodatie 2] , waaraan hij geen fijne herinneringen heeft, omdat hij daar in zijn beleving werd genegeerd. Bij [accommodatie 1] voelt hij zich wel begrepen en gehoord. Daarom wil hij hier niet meer weg.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging tot voortzetting inbewaring-stelling. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
  • levensgevaar;
  • ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
5.3.
Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een somatische ziekte of aandoening, die op grond van artikel 1, vierde lid van de Wet zorg en dwang (Wzd), gelijkgesteld is aan een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, te weten ernstige oordeels- en kritiekstoornissen, impulsregulatie en emotieregulatie problematiek op basis van niet aangeboren hersenletsel (NAH) en neurocognitieve en gedragsmatige veranderingen.
5.4.
Het ernstig nadeel is zodanig onmiddellijk dreigend dat een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat betrokkene kampt met desoriëntatie in tijd. Daarnaast is sprake van achterdocht, vermoedelijk voortkomend uit overzichtsproblematiek. Betrokkene was aanvankelijk sinds juli 2025 opgenomen bij [accommodatie 2] . Daar werd sinds anderhalve maand bij betrokkene toenemende prikkelbaarheid gezien, resulterend in escalaties, waarbij er door hem grof en agressief werd gereageerd, hij lastig aanspreekbaar en ook moeilijk aanstuurbaar was. Ook maakte betrokkene daar op enig moment kenbaar de zorgaccommodatie te willen verlaten, bedoeld om met zijn rolstoel of scootmobiel een lange tocht te gaan maken. Door betrokkene zijn in dat verband meerdere opties benoemd, waarvan bekend is dat hij fysiek niet in staat is een dergelijke reis veilig en zonder risico’s te ondernemen. Er bleek op dat moment politie interventie noodzakelijk, omdat betrokkene door het personeel van de zorgaccommodatie niet kon worden tegen gehouden. Daarop-volgend is betrokkene in de nacht van 21 op 22 januari 2026 verhuisd naar [afdeling] . Bij aankomst vertoonde betrokkene ook daar onrustig gedrag en was er tevens sprake van verbaal en fysiek verzet.
5.5.
Voortzetting van de inbewaringstelling is noodzakelijk en geschikt om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Hoewel betrokkene tijdens de mondelinge behandeling en in het voorgesprek met zijn advocaat duidelijk heeft aangegeven niet meer weg te willen uit [afdeling] blijkt uit de toelichting van de specialist ouderengeneeskunde overduidelijk dat hij de kans reëel aanwezig acht dat, zodra betrokkene een minder goed moment heeft, hij voor zichzelf niet tot de juiste keuzes en/of beslissingen zal weten te komen en dit ertoe zal leiden dat hij zich ook tegen de huidige (crisis)opname en verblijf zal gaan verzetten.
5.6.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
5.7.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een machtiging verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling voor de duur van zes weken.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor:
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1953 in [geboorteplaats] ;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 6 maart 2026.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door mr. Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 3 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.