ECLI:NL:RBZWB:2026:1361

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/02/442937/KG ZA 25-670 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Sterk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 lid 1 BWArt. 4:215 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling nalatenschap gelast om impasse vereffening te doorbreken

De vereffenaar van de nalatenschap van een overleden erflaatster vordert in kort geding dat de rechtbank de wijze van verdeling van de nalatenschap vaststelt om een impasse in de vereffening te doorbreken. De erfgenamen zijn verdeeld over de verkoop en verdeling van roerende zaken die in opslag zijn geplaatst. De vereffenaar heeft de goederen laten taxeren en een biedingsprotocol opgesteld, maar een erfgenaam weigert medewerking en wil eerst inspectie en inventarisatie van de goederen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de erfgenaam wel degelijk is uitgenodigd om de goederen te bezichtigen, maar hier niet op is ingegaan. De vereffenaar hoeft daarom geen extra toegang te verlenen. Het vaststellen van de verdeling in kort geding is geen constitutief vonnis, maar een wijze van verdeling wordt gelast om de impasse te doorbreken. De belangenafweging weegt het belang van de vereffenaar en de schuldeisers zwaarder dan het emotionele belang van de erfgenaam.

De vorderingen van de vereffenaar worden toegewezen, waaronder het opleggen van dwangsommen aan de erfgenaam die weigert mee te werken. De vorderingen van deze erfgenaam in reconventie worden afgewezen. De erfgenaam wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het verwijderen van de goederen uit de opslag binnen zes weken. De andere erfgenamen hebben zich verenigd met de vorderingen en worden slechts beperkt in de proceskosten veroordeeld.

Uitkomst: De rechtbank gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap en wijst de vorderingen van de erfgenaam die inspectie wilde af.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/442937 / KG ZA 25-670
Vonnis in kort geding van 25 februari 2026
in de zaak van
mr. [vereffenaar]
in zijn hoedanigheid als benoemd vereffenaar in de nalatenschap van
wijlen mevrouw
[erflaatster] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen de vereffenaar,
advocaat: mr. S. Goossens,
tegen

1.[naam 1] ,

te [plaats 2] ,
hierna te noemen [naam 1] ,
2.
[naam 2],
te [plaats 3] ,
hierna te noemen [naam 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
verwerende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
beiden verschenen in persoon,
en tegen

3.3. [naam 3] ,

te [plaats 4] ,
hierna te noemen [naam 3] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
mr. J. P. den Besten.

1.De zaak in het kort

1.1.
De vorderingen van zowel de vereffenaar in conventie als van [naam 3] in reconventie strekken ertoe om uit de ontstane impasse ten aanzien van de vereffening van de nalatenschap te geraken. Volgens de vereffenaar is daartoe nodig dat de voorzieningenrechter de nalatenschap verdeelt, althans de wijze van de verdeling van de nalatenschap vaststelt. Volgens [naam 3] moet haar allereerst toegang tot de in de loods en op het kantoor van de vereffenaar opgeslagen goederen worden verleend zodat zij deze kan inspecteren en inventariseren, waarna opnieuw biedingen kunnen worden uitgebracht.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen in conventie toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen. Die beslissing wordt hierna toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen met producties 1 t/m 26,
- de brief van [naam 1] en [naam 2] van 28 januari 2026 met producties 1 t/m 3,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [naam 3] met producties 1 t/m 55,
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de op de mondelinge behandeling ingediende akte van eisvermeerdering van de zijde van de vereffenaar,
- de spreekaantekeningen van mr. Goossens,
- de spreekaantekeningen van [naam 1] en [naam 2] .

3.De feiten

3.1.
[vereffenaar] (hierna: de vereffenaar) is bij beschikking van 16 mei 2025 van deze rechtbank benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van de op [datum 1] 2024 overleden mevrouw [erflaatster] , (hierna: erflaatster), moeder van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Erflaatster was eerder gehuwd met de heer [naam 4] , de vader van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , welk huwelijk door zijn overlijden op [datum 2] 2020 is ontbonden.
3.2.
Bij testament d.d. 12 maart 2007 heeft erflaatster over haar nalatenschap
beschikt, op grond waarvan [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] zijn benoemd tot haar erfgenamen.
Daarnaast zijn in het testament onder meer legaten aan de vijf kleinkinderen van erflaatster opgenomen, ieder voor een bedrag van € 11.500,00.
3.3.
De relatie tussen [naam 1] en [naam 2] enerzijds en [naam 3] anderzijds is ernstig verstoord.
3.4.
Een deel van de roerende zaken (inboedelzaken en sieraden) behorende tot de nalatenschap van erflaatster is door [naam 1] en [naam 2] opgeslagen in een tweetal loodsen bij Allsafe te [plaats 2] . Een ander deel van die zaken bevond zich onder [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
3.5.
De vereffenaar heeft de erfgenamen verzocht om de roerende zaken uit de
nalatenschap van erflaatster die zij nog onder zich hadden op het kantoor van de vereffenaar
af te geven, zodat deze in de kluis van zijn kantoor konden worden opgeslagen. [naam 1] , [naam 2]
en [naam 3] hebben daar gehoor aan gegeven. De vereffenaar heeft de sleutels van de
opslagboxen bij Allsafe ingenomen en Allsafe geïnstrueerd dat enkel nog de vereffenaar
toegang mag krijgen tot de opslagboxen. Daarna heeft de vereffenaar een taxateur ingeschakeld om de roerende zaken te laten taxeren. De roerende zaken zijn getaxeerd op een waarde van in totaal € 24.735,00.
3.6.
Uit de door de vereffenaar opgemaakte voorlopige boedelbeschrijving inzake de nalatenschap van erflaatster per 19 augustus 2025 blijkt dat ‘het saldo vermogen nalatenschap na vereffening’ negatief is (- € 25.402,41 ± p.m)
3.7.
De vereffenaar heeft te kennen gegeven dat alle in kaart gebrachte en grotendeels bij hem afgegeven roerende zaken integraal in de nalatenschap van erflaatster vallen en aangewend kunnen worden voor de verkoop ter voldoening van de schuldeisers in de nalatenschap.
3.8.
De vereffenaar heeft de erfgenamen een eerste gelegenheid geboden om biedingen uit te brengen op de roerende zaken die zijn omschreven in het taxatierapport. De vereffenaar heeft in dit kader een biedingsprotocol opgesteld op grond waarvan biedingen konden worden uitgebracht. Onderdeel van het biedingsprotocol was dat biedingen tenminste de getaxeerde waarde moesten bedragen. Aan de erfgenamen is de gelegenheid gegeven om onder de eerste biedingsronde tot 3 september 2025, 16.00 uur, biedingen uit te brengen.
Alleen [naam 1] en [naam 2] hebben biedingen uitgebracht. [naam 3] heeft op 3 september 2025 om 16.00 uur aan de vereffenaar bericht dat zij geen toestemming geeft voor de verkoop van de roerende zaken omdat zij (evenals [naam 1] en [naam 2] ) voor 1/6de deel onbezwaarde eigendom heeft van de roerende zaken. Zij heeft de vereffenaar verzocht haar in de gelegenheid te stellen om de beslissing van de kantonrechter in te roepen.
3.9.
Nadat de vereffenaar haar die mogelijkheid heeft gegeven, heeft [naam 3] op 19 september 2025 bij de kantonrechter een verzoekschrift met betrekking tot het voornemen te gelde maken van de goederen der nalatenschap (artikel 4:215 BW Pro) ingediend. Door de griffier van deze rechtbank is op 4 november 2025 aan [naam 3] bericht dat het verzoek incompleet is in verband met het ontbreken van bijlagen en dat het onvoldoende concreet is. [naam 3] is verzocht een nieuw verzoekschrift te overleggen inclusief de bijlagen en concreet aan te geven welke beslissing(en) zij van de kantonrechter vraagt. [naam 3] heeft aan dat verzoek niet voldaan.
3.10.
De vereffenaar heeft aan [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] diverse voorstellen gedaan om de ontstane impasse te doorbreken. Die voorstellen zijn door [naam 1] en [naam 2] geaccepteerd, [naam 3] heeft deze voorstellen niet geaccepteerd.

4.Het geschil

4.1.
De vereffenaar vordert
in conventieals voorlopige voorziening, na vermeerdering van eis,
i
primair:de tussen de nalatenschap van erflaatster, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] bestaande
onverdeelde gemeenschap van roerende zaken te verdelen dan wel de wijze van verdeling
vast te stellen conform het voorstel tot verdeling van de vereffenaar zoals opgenomen in
het productie 26 bij onderhavige dagvaarding overgelegde overzicht, met veroordeling
van gedaagden om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis de in dit overzicht
genoemde betalingen te verrichten;
ii
subsidiair:de tussen de nalatenschap van erflaatster, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] bestaande uit de onverdeelde gemeenschap van roerende zaken te verdelen dan wel de wijze van verdeling vast te stellen op een in goede justitie door de Voorzieningenrechter te bepalen wijze, met veroordeling van gedaagden om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis de dientengevolge te verrichten betalingen te verrichten;
voor het geval dat de voorzieningenrechter de wijze van verdeling van de roerende zaken vaststelt vordert de vereffenaar [naam 3] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van
€ 100,00 per dag met een maximum van € 250.000,00 voor iedere dag dat zij, na vier weken na betekening van het vonnis, nalaat om aan deze veroordeling te voldoen,
iii [naam 3] te veroordelen om de op basis van het in deze te wijzen vonnis en toebedeelde en in de twee opslagboxen bij AllSafe opgeslagen roerende zaken, binnen vier weken na voldoening door [naam 3] aan haar betalingsverplichting op basis van het in deze te wijzen vonnis en daarmee uiterlijk binnen zes weken na het in deze te wijzen vonnis, voor eigen rekening en risico uit deze opslagboxen te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag met een maximum van € 25.000,-- voor iedere dag dat zij nalaat om aan deze veroordeling te voldoen, in het voorkomende geval te betalen aan de nalatenschap
van erflaatster;
iv primair met veroordeling van [naam 3] in de kosten van dit geding, subsidiair met
compensatie van de proceskosten.
4.2.
De vereffenaar legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De vereffenaar dient de nalatenschap te vereffenen. Hiervoor dient hij de roerende zaken dan wel het aandeel van de nalatenschap van erflaatster in deze roerende zaken te vervreemden om de opbrengst aan te wenden voor de voldoening van de schuldeisers. De vereffenaar gaat omwille van het bereiken van een spoedige oplossing mee in het standpunt van [naam 3] dat de eigendomsverhoudingen van de roerende zaken als volgt is verdeeld: 3/6e eigendom voor de nalatenschap van erflaatster en 1/6e deel voor ieder van de respectieve erfgenamen [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] . Omdat volgens de vereffenaar deelgenoot [naam 3] de verkoop dan wel verdeling blokkeert, vordert hij op grond van artikel 3:178 lid 1 BW Pro in kort geding verdeling van deze onverdeelde gemeenschap van roerende zaken.
4.3.
[naam 1] en [naam 2] hebben bij brief van 28 januari 2028 aan de voorzieningenrechter bericht dat zij zich kunnen verenigen met de vorderingen van de vereffenaar. Dit hebben zij tijdens de mondelinge behandeling nogmaals bevestigd.
4.4.
[naam 3] concludeert in conventie tot het niet ontvankelijk verklaren van de vereffenaar in zijn vorderingen dan wel om deze af te wijzen dan wel de bijzondere gemeenschap(pen) te verdelen op de wijze zoals zij onder punt 121 sub 1 t/m 17 in haar conclusie heeft opgenomen. Indien en voor zover het niet mogelijk is om bij wege van verweer in conventie verdeling van de bijzondere gemeenschap(pen) zoals door haar aangegeven te vorderen, vordert zij in reconventie de vorderingen onder punt 121 (sub 1 t/m 16) in haar conclusie toe te wijzen en de verdeling van de bijzondere gemeenschap(pen) vast te stellen zoals gevorderd onder punt 121 (sub 17) in haar conclusie.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

5.De beoordeling

In conventie
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de vereffenaar daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
5.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stelling van de vereffenaar dat hij zich in een feitelijke impasse bevindt doordat hij zijn wettelijke taak om de nalatenschap te vereffenen niet kan afronden zolang de roerende zaken (althans het aandeel daarin van de nalatenschap van erflaatster) niet te gelden kunnen worden gemaakt, terwijl de nalatenschapsboedel wordt belast met maandelijkse vaste lasten. Deze impasse moet worden doorbroken.
5.3.
De vorderingen van zowel de vereffenaar als van [naam 3] strekken ertoe om uit de ontstane impasse te geraken. Volgens de vereffenaar is daartoe nodig dat de voorzieningenrechter de nalatenschap verdeelt, althans de wijze van de verdeling van de nalatenschap vaststelt. Volgens [naam 3] moet haar allereerst toegang tot de in de loods en op het kantoor van de vereffenaar opgeslagen goederen worden verleend zodat zij deze kan inspecteren en inventariseren, waarna opnieuw biedingen kunnen worden uitgebracht.
5.4.
[naam 3] stelt dat haar niet de mogelijkheid is geboden om de goederen die zich bevinden in de opslagruimtes bij Allsafe te bezichtigen en dat de vereffenaar alleen [naam 1] en [naam 2] daartoe heeft uitgenodigd. De vereffenaar heeft bij e-mail van 23 juni 2025 te 11.41 uur, welke gestuurd is aan [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en begint met de aanhef “beste allen”
medegedeeld dat op vrijdag 27 juni 2025 om 09.00 uur een afspraak is gemaakt met de taxateur en dat men enkele uren één of meerdere dichtbij gelegen leegstaande opslagruimtes mag gebruiken zodat een foto kan worden gemaakt en de taxatie kan plaatsvinden. [naam 3] heeft verwezen naar de e-mails van de vereffenaar van 13.03 uur en 16.49 uur, die als aanhef hebben: “geachte heer [naam 1] ” en “geachte heren [naam 1] ”. Deze e-mails zijn een antwoord op het verzoek van [naam 1] om het tijdstip van de bezichtiging/taxatie op 27 juni 2025 te vervroegen naar 08.00 uur. Deze e-mails zijn aan zowel [naam 1] , [naam 2] als [naam 3] gestuurd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit dat [naam 3] wel degelijk is uitgenodigd om de in de loods opgeslagen goederen te bezichtigen. Zij heeft niet toegelicht waarom zij niet op die uitnodiging is ingegaan. Indien en voor zover zij de uitnodiging niet duidelijk vond had zij daarover bij de vereffenaar navraag kunnen doen.
5.5.
Voor wat betreft de op het kantoor van de vereffenaar opgeslagen goederen heeft de vereffenaar gesteld dat [naam 3] met die goederen bekend is, nu zij deze zelf heeft afgegeven danwel duidelijke foto’s daarvan heeft ontvangen. [naam 3] heeft dit niet, althans niet gemotiveerd, weersproken.
5.6.
Dit alles leidt tot het oordeel dat de vereffenaar aan [naam 3] niet alsnog toegang hoeft te verlenen tot de opgeslagen goederen in de opslagruimtes bij Allsafe te [plaats 2] en op het kantoor van de vereffenaar.
5.7.
Het vorenstaande betekent dat de door [naam 3] gewenste weg om de ontstane impasse te doorbreken niet kan worden toegewezen.
5.8.
Door de vereffenaar is als gewenste weg om de ontstane impasse te doorbreken verzocht de nalatenschap te verdelen of de wijze van verdeling van de nalatenschap te gelasten. Het vaststellen van de verdeling van de nalatenschap is in dit geval in kort geding niet mogelijk. Dit zou immers leiden tot een constitutief vonnis omdat met de uitspraak de rechtstoestand van de gemeenschap verandert van onverdeeld naar verdeeld. Mogelijk zou hiervan kunnen worden afgeweken in geval van een wezenlijk (spoedeisend) belang en onder bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden, maar deze zijn door de vereffenaar niet gesteld.
5.9.
Wat hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de voorzieningenrechter de wijze van de verdeling van de nalatenschap zal gelasten zoals door de vereffenaar in conventie primair onder (i) gevorderd.
5.10.
Een belangenafweging tussen partijen leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel de voorzieningenrechter er oog voor heeft dat het voornamelijk gaat om goederen die voor [naam 3] grote emotionele waarde hebben, laat dat onverlet dat het belang van de vereffenaar om te handelen ten behoeve van de schuldeisers van de nalatenschap en gelet op de kosten/batenanalyse zwaarder dient te wegen. Uit de voorlopige boedelbeschrijving blijkt dat ‘het saldo vermogen na vereffening’ al negatief is. De vereffenaar heeft in dit verband nog verklaard -en [naam 3] heeft dit niet (gemotiveerd) weersproken- dat de in discussie zijnde goederen geen goederen zijn met een groot geldelijk belang. Daarmee is de kans klein dat de eventuele baten opwegen tegen de doorlopende kosten. Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan de kosten van de vereffenaar maar ook aan de opslagkosten. De vrees bestaat dat er in dat geval niet genoeg in de nalatenschap zal overblijven voor de uitkering van de legaten aan kleinkinderen. Daarmee zou niet worden voldaan aan de laatste wil van erflaatster. Daar komt bij dat [naam 3] de mogelijkheid heeft gehad om de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter met betrekking tot het voornemen te gelde maken van de goederen der nalatenschap (artikel 4:215 BW Pro) voort te zetten door te antwoorden op de door de griffier gestuurde brief en dat zij daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
5.11.
Nu vordering (i) primair wordt toegewezen leidt dit ertoe dat vordering (ii) subsidiair wordt afgewezen.
5.12.
Vordering (iii) wordt toegewezen. [naam 3] heeft als verweer slechts aangevoerd dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de opslagkosten betaalt, en dat zij wordt veroordeeld tot verwijdering van de goederen uit de loods, omdat zij die goederen niet heeft kunnen inspecteren. Verwezen wordt naar wat hiervoor onder 5.4. is overwogen. Bovendien betreft het roerende zaken die aan haar zijn toebedeeld, zodat het redelijk is dat zij de opslagkosten voor deze goederen betaalt en voor de verwijdering van die goederen uit de loods zorgdraagt.
5.13.
Nu [naam 1] en [naam 2] op voorhand hebben aangegeven zich te kunnen verenigen met de vorderingen van de vereffenaar, zal de voorzieningenrechter alleen aan [naam 3] dwangsommen opleggen. De gevorderde dwangsommen zullen worden gemaximeerd tot € 10.000,-.
5.14.
Omdat [naam 1] en [naam 2] op voorhand hadden aangegeven zich te kunnen verenigen met de vorderingen van de vereffenaar, hoeven zij alleen de kosten van de aan hun gerichte dagvaardingen van € 153,02 te voldoen.
5.15.
[naam 3] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vereffenaar worden begroot op
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,02
In reconventie
5.16.
Nu de vorderingen in conventie worden toegewezen leidt dit ertoe dat de reconventionele vorderingen worden afgewezen.
5.17. [naam 3] is in reconventie ook in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vereffenaar, [naam 1] en [naam 2] worden begroot op nihil.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie:
6.1.
gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap conform het voorstel tot verdeling van de vereffenaar zoals opgenomen in het in productie 26 bij dagvaarding overgelegde overzicht, en veroordeelt [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de in dit overzicht genoemde betalingen aan de vereffenaar te verrichten;
6.2.
bepaalt dat [naam 3] een dwangsom verbeurt van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 indien zij niet meewerkt aan voormelde wijze van verdeling,
6.3.
veroordeelt [naam 3] om binnen zes weken na betekening van dit vonnis de in de twee opslagboxen bij Allsafe opgeslagen roerende zaken voor eigen rekening en risico uit deze opslagboxen te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 voor iedere dag dat zij nalaat om aan deze veroordeling te voldoen,
6.4.
veroordeelt [naam 1] en [naam 2] elk in de proceskosten van € 153,02 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.5.
veroordeelt [naam 3] in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [naam 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie:
6.8.
wijst de vorderingen af,
6.9.
veroordeelt [naam 3] in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sterk en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.