Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
[erflaatster] ,
1.[naam 1] ,
2.
[naam 2],
3.3. [naam 3] ,
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de brief van [naam 1] en [naam 2] van 28 januari 2026 met producties 1 t/m 3,
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
3.De feiten
4.Het geschil
in conventieals voorlopige voorziening, na vermeerdering van eis,
primair:de tussen de nalatenschap van erflaatster, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] bestaande
subsidiair:de tussen de nalatenschap van erflaatster, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] bestaande uit de onverdeelde gemeenschap van roerende zaken te verdelen dan wel de wijze van verdeling vast te stellen op een in goede justitie door de Voorzieningenrechter te bepalen wijze, met veroordeling van gedaagden om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis de dientengevolge te verrichten betalingen te verrichten;
€ 100,00 per dag met een maximum van € 250.000,00 voor iedere dag dat zij, na vier weken na betekening van het vonnis, nalaat om aan deze veroordeling te voldoen,