Art. 18 lid 2 Regeling burgerluchthavensArt. 7:15 lid 2 AwbArt. 6:22 AwbArt. 7:11 AwbArt. 8.1a lid 1 Wet luchtvaart
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Burgemeester mocht verklaring van geen bezwaar voor heteluchtballonnen afgeven ondanks bezwaar omwonende
De zaak betreft het beroep van een omwonende tegen de door de burgemeester afgegeven verklaringen van geen bezwaar voor het opstijgen van heteluchtballonnen vanaf een locatie nabij zijn woning. De omwonende stelde dat het woon- en leefklimaat onevenredig werd aangetast door geluidsoverlast en onduidelijkheden in de voorschriften.
De burgemeester had verklaringen van geen bezwaar verleend aan twee ballonvaarders voor de kalenderjaren 2024 en 2025, met voorschriften over het aantal opstijgingen en meldingsplicht. Na bezwaar en een hoorzitting handhaafde de burgemeester deze besluiten met aanvullende voorschriften. De rechtbank concludeert dat de burgemeester terecht heeft geoordeeld dat de overlast beperkt en tijdelijk is, mede gelet op Europese regels over afstand en aantal opstijgingen.
De rechtbank achtte het ontbreken van een akoestisch onderzoek niet onredelijk en vond dat de toegevoegde voorschriften voldoende duidelijk zijn. Wel constateerde de rechtbank een gebrek in de adressering van de opstijglocatie, maar dit leidde niet tot benadeling van de eiser. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat het primaire besluit niet onrechtmatig was herroepen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht, en gaf een overweging mee om Europese regels expliciet op te nemen in toekomstige verklaringen van geen bezwaar.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de burgemeester de verklaringen van geen bezwaar mocht afgeven.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2189
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. drs. F.K. van den Akker),
en
de burgemeester van de gemeente Zundert, de burgemeester.
Als derde partij nemen aan de zaak deel: HI Ballonvaartenuit Zundert en Ad Ballon Ballonvaarten B.V. uit Galder (belanghebbenden).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afgegeven verklaringen van geen bezwaar zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens (hierna: de Regeling) voor het opstijgen van heteluchtballonnen vanaf (onder andere) de locatie [adres 1] (hierna: de locatie). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand hiervan beoordeelt de rechtbank of de burgemeester de verklaringen van geen bezwaar mocht afgeven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de verklaringen van geen bezwaar mocht afgeven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. De burgemeester heeft twee verklaringen van geen bezwaar afgegeven aan belanghebbenden voor het opstijgen van heteluchtballonnen vanaf de locatie. Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiser heeft de burgemeester die besluiten in stand gelaten, onder toevoeging van een tweetal voorschriften.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde; namens de burgemeester, mr. M.M.A.J. Braspenning en mr. M.J. Depla; namens belanghebbende Ad Ballon Ballonvaarten B.V. [naam 1] en [naam 2] , vergezeld door [naam 3] en namens belanghebbende HI Ballonvaarten [naam 4] .
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 14 maart 2024 heeft Ad Ballon Ballonvaarten B.V. (hierna: Ad Ballon) een verklaring van geen bezwaar aangevraagd voor het opstijgen met heteluchtballonnen in de kalenderjaren 2024 en 2025 vanaf (onder andere) de locatie.
3.1.
Op 4 april 2024 heeft HI Ballonvaarten een verklaring van geen bezwaar aangevraagd voor het opstijgen met heteluchtballonnen in de kalenderjaren 2024 en 2025 vanaf (onder andere) de locatie.
3.2.
Bij besluit van 8 april 2024 (primaire besluit I) heeft de burgemeester een verklaring van geen bezwaar aan Ad Ballon verleend voor de kalenderjaren 2024 en 2025 voor (onder andere) de locatie, onder verbinding van voorschriften.
3.3.
Bij besluit van 30 juli 2024 (primaire besluit II) heeft de burgemeester een verklaring van geen bezwaar aan HI Ballonvaarten verleend voor de kalenderjaren 2024 en 2025 voor (onder andere) de locatie, onder verbinding van voorschriften.
3.4.
Eiser – die woont op het [adres 2] , tegenover de locatie – heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten I en II.
3.5.
Op 20 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie).
3.6.
In een advies van 24 januari 2025 heeft de commissie de burgemeester geadviseerd om beide bezwaren ongegrond te verklaren en de primaire besluiten I en II te herroepen in die zin dat daaraan de door de commissie voorgestelde voorschriften worden verbonden.
3.7.
In het bestreden besluit heeft de burgemeester, in navolging van het advies van de commissie, de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De burgemeester heeft de primaire besluiten I en II in stand gelaten, onder toevoeging van een tweetal voorschriften.
Deze voorschriften luiden:
“ Aangezien een of meerdere locaties waarvan u krachtens deze verklaring van geen bezwaar gebruik kunt maken, óók door een of meerdere andere luchtballonvaarders krachtens een verklaring van geen bezwaar gebruikt mogen worden, moet u onderling een verdeling afspreken wat betreft het maximum van 12 opstijgingen per jaar vanaf die locatie(s). Voor zover een onderlinge verdeling onverhoopt niet gemaakt kan worden, moet u het opstijgen vanaf die locatie uiterlijk daags na de dag van opstijgen schriftelijk of per e-mail kenbaar maken aan de andere luchtballonvaarder(s).”
“ Indien door u vanaf de locatie [adres 1] wordt opgestegen, moet die opstijging uiterlijk de volgende dag schriftelijk of per e-mail ( [e-mail] ) bij de burgemeester gemeld worden onder vermelding van het zaaknummer van de aan u verleende verklaring van geen bezwaar.”
In het bestreden besluit is bepaald dat het voorschrift dat was opgenomen in het primaire besluit II wordt vervangen door voormelde voorschriften.
Daarnaast heeft de burgemeester in het bestreden besluit het verzoek van eiser om vergoeding van zijn proceskosten afgewezen.
Beroepsgronden
4. Eiser stelt dat sprake is van een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat en dat de burgemeester daar onvoldoende gewicht aan heeft toegekend in zijn belangenafweging, zodat het besluit onvoldoende is voorbereid en gemotiveerd. Volgens eiser hadden aanvullende voorschriften kunnen worden opgenomen ten aanzien van de afstand tot zijn woning, de tijdstippen van de opstijgingen en het maximale aantal opstijgingen per dag ter bescherming van zijn woon- en leefklimaat.
4.1.
De burgemeester heeft volgens eiser ten onrechte geen (akoestisch) onderzoek gedaan naar de aard en omvang van de (geluids)overlast die eiser ondervindt.
4.2.
Daarbij wijst eiser erop dat de heteluchtballonnen opstijgen op het perceel recht tegenover zijn woning op een afstand van soms niet meer dan dertig meter. De opstijgingen vinden bovendien hoofdzakelijk vóór 9.00 uur (soms al om 6.00 uur) en na 19.00 uur plaats. Eiser wijst erop dat in deze nacht- en avondperiode eerder sprake is van onaanvaardbare geluidshinder. Hij wijst erop dat het gaat om (maximaal) twaalf dagen per jaar waarop onbeperkt opstijgingen mogen plaatsvinden. Dat kan niet als een tijdelijk en kortdurend gebruik worden gekwalificeerd dat een direct omwonende behoort te dulden, aldus eiser.
5. Daarnaast stelt eiser dat de formulering van de toegevoegde voorschriften en de begrenzing van de opstijglocatie onduidelijk zijn en dus tot rechtsonzekerheid leiden.
6. Tot slot stelt eiser dat de burgemeester zijn verzoek om proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten onrechte heeft afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank
Is nog sprake van procesbelang?
7. De rechtbank dient ambtshalve te onderzoeken of eiser (nog) procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep. Eiser heeft in beginsel alleen procesbelang als hij het resultaat dat hij met het instellen van beroep nastreeft daadwerkelijk kan bereiken en het realiseren van dat resultaat voor hem feitelijk betekenis kan hebben.
7.1.
Vast staat dat de verklaringen van geen bezwaar in dit geval zijn verleend voor de kalenderjaren 2024 en 2025, zodat deze inmiddels zijn geëxpireerd. Op zitting is echter gebleken dat belanghebbenden al een nieuwe verklaring van geen bezwaar hebben aangevraagd voor het opstijgen met heteluchtballonnen vanaf (onder andere) de locatie in de kalenderjaren 2026 en 2027. Het resultaat van deze beroepsprocedure zou dus van feitelijke betekenis kunnen zijn omdat dit resultaat kan worden betrokken bij de beoordeling van deze nieuwe aanvragen. [1] Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank nog steeds procesbelang aanwezig .
Toetsingskader
8. Op grond van artikel 8.1a, eerste lid, van de Wet luchtvaart is het verboden om met een luchtvaartuig op te stijgen of te landen, anders dan van of op een luchthaven.
Artikel 8a.50, eerste lid, van de Wet luchtvaart bepaalt dat deze verbodsbepaling niet van toepassing is op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen luchtvaartuigen.
Als luchtvaartuig als bedoeld in artikel 8a.50, eerste lid, van de Wet luchtvaart, wordt in artikel 20 aanhefPro en onder i van het Besluit burgerluchthavens aangewezen: “ vrije ballonnen bestemd en ingericht voor het vervoer van bemande vluchten”.
Aan deze vrijstelling zijn voorwaarden verbonden. Artikel 18, tweede lid, van de Regeling bepaalt dat van de in het eerste lid, onderdelen c tot en met g bedoelde vrijstelling slechts gebruik kan worden gemaakt onder de voorwaarden dat de gebruiker van de luchthaven beschikt over een door de burgemeester van de gemeente waar de luchthaven is gelegen, in verband met de openbare orde en veiligheid, afgegeven verklaring van geen bezwaar en dat de gebruiker van de luchthaven mededeling doet van de afgifte van deze verklaring aan de inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport.
9. Een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar wordt door de burgemeester dus getoetst aan criteria ten aanzien van openbare orde en veiligheid. Het woon- en leefklimaat vormt een onderdeel hiervan, zodat het door de burgemeester in de beoordeling moet worden betrokken.
Is sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser?
10. De burgemeester heeft erkend dat sprake kan zijn van geluidsoverlast bij het opstijgen van luchtballonnen. Zij heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de locatie maximaal 12 dagen per jaar kan worden gebruikt, wat zodanig beperkt en incidenteel van aard is dat dit voor eiser niet als een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat kan worden aangemerkt. Dit gebruik valt volgens de burgemeester binnen wat in het buitengebied aanvaardbaar is, mede gezien het tijdelijke en niet-structurele karakter ervan.
11. De rechtbank is met de burgemeester van oordeel dat van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser onvoldoende is gebleken. Daartoe acht de rechtbank van belang dat belanghebbenden op zitting hebben toegelicht dat in Europese regelgeving is vastgelegd dat er maximaal vijf opstijgingen per dag per locatie mogen plaatsvinden. Van een onbeperkt aantal opstijgingen per dag is dus geen sprake. Deze opstijgingen vinden bovendien gelijktijdig plaats. De geluidsoverlast van zo’n opstijging, die met name wordt veroorzaakt door de ventilator, duurt volgens belanghebbenden maximaal twintig minuten voor een grote ballon en tien minuten voor een kleinere ballon. Belanghebbenden hebben op zitting betwist dat zij opstijgen op minder dan dertig meter afstand van de woning van eiser. Op grond van de Europese regelgeving moeten zij minimaal vijftien meter afstand houden tot objecten, maar in de praktijk houden zij meestal vijftig tot zestig meter afstand tot de woning van eiser. Daarnaast hebben belanghebbenden op zitting nogmaals uitgelegd dat heteluchtballonnen alleen veilig kunnen opstijgen tijdens de eerste twee uur na zonsopkomst en de laatste twee uur voor zonsondergang, zodat het opnemen van voorschriften met betrekking tot de tijdstippen van de opstijgingen niet werkbaar is. Gelet op deze omstandigheden en het feit dat het aantal dagen dat mag worden opgestegen vanaf de locatie is beperkt tot twaalf dagen - wat blijkens de logboeken in 2024 en 2025 overigens ook niet is gehaald - is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een tijdelijke, niet-structurele situatie en was de burgemeester niet gehouden om een akoestisch onderzoek te laten verrichten.
12. De rechtbank geeft de burgmeester wel in overweging de op zitting besproken Europese regels die gelden voor ballonvaarders met betrekking tot de afstand tot objecten en het maximale aantal opstijgingen per locatie per dag, op te nemen in een eventuele volgende verklaring van geen bezwaar voor deze locatie.
Zijn de toegevoegde voorschriften voldoende duidelijk?
13. De rechtbank overweegt dat eiser op zitting heeft verklaard dat de toegevoegde voorschriften inmiddels duidelijk zijn voor hem, zodat dit punt niet langer tussen partijen ter discussie staat. De rechtbank merkt overigens op dat in de primaire besluiten duidelijk staat vermeldt dat er maximaal twaalf keer per kalenderjaar per terrein mag worden opgestegen en dat dit per keer meerdere luchtballonnen kunnen zijn.
Is de begrenzing van de opstijglocatie voldoende duidelijk?
14. Eiser stelt dat de begrenzing van de opstijglocatie onduidelijk is, omdat het [adres 1] niet bij het kadastrale [perceel 1] hoort, zoals de commissie en de burgemeester hebben aangenomen, maar bij het kadastrale [perceel 2] .
15. De burgemeester heeft de verwarring over de adressering en perceelnummering niet weersproken, maar dit doet volgens de burgemeester niet af aan de rechtsgeldigheid van het bestreden besluit, aangezien (alleen) het relevante perceel functioneel geschikt is bevonden voor het bedoelde gebruik.
16. De rechtbank overweegt dat op zitting is gebleken dat het voor partijen duidelijk is om welk perceel het gaat, namelijk [perceel 1] en dat [adres 1] inderdaad bij [perceel 2] hoort. Op basis van de verklaring van geen bezwaar moet echter voor eenieder duidelijk zijn op welk perceel die verklaring ziet. Dit betekent dat sprake is van een gebrek in het bestreden besluit. De rechtbank zal dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb, nu de rechtbank aannemelijk acht dat eiser niet is benadeeld door dit gebrek.
Kan eiser aanspraak maken op een vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar?
17. Eiser stelt dat de burgemeester zijn verzoek om proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb ten onrechte heeft afgewezen. De primaire besluiten worden volgens eiser herroepen wegens een aan de burgemeester te wijten onrechtmatigheid. Wijziging van een besluit, bijvoorbeeld door daaraan alsnog voorschriften toe te voegen, kan volgens eiser worden aangemerkt als een herroeping van het primaire besluit. Hij wijst in dit verband op een uitspraak van de ABRvS van 13 november 2019. [2] In dit geval heeft de burgemeester de toevoeging van de voorschriften noodzakelijk geacht om de primaire besluiten te verduidelijken en de controleerbaarheid (en daarmee handhaafbaarheid) te verbeteren. Anders dan de burgemeester heeft gesteld, hebben de toegevoegde voorschriften volgens eiser wel rechtsgevolg.
18. Op grond van artikel 7:15, tweede lid van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Dit recht bestaat alleen indien de heroverweging waartoe artikel 7:11 vanPro de Awb verplicht leidt tot een herroeping van het primaire besluit. Herroeping vindt plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot een intrekking of wijziging van de primaire beslissing, zodanig dat het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg.
19. De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan in het kader van de heroverweging in bezwaar ruime herstelmogelijkheden heeft, bijvoorbeeld ook de verbetering van de grondslag van een besluit of de verbetering van de motivering. Dit volgt uit artikel 7:11 vanPro de Awb. [3] In dit geval is het directe rechtsgevolg van het besluit waartegen het bezwaarschift is gericht, te weten het verlenen van de verklaring van geen bezwaar, ongewijzigd gebleven. De beslissing om de verklaringen van geen bezwaar te verlenen, is niet herroepen. Dat het toevoegen van voorschriften als een herroeping kan worden aangemerkt, zoals eiser heeft gesteld, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de door eiser aangehaalde uitspraak. Daarbij geldt dat sprake moet zijn van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De verduidelijking van de primaire besluiten door middel van het toevoegen van voorschriften kan naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig worden aangemerkt. De burgemeester heeft het verzoek van eiser om vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar dus op goede gronden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
20. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de burgemeester de verklaringen van geen bezwaar mocht afgeven. Het beroep is dus ongegrond.
21. In de toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb ziet de rechtbank aanleiding de burgemeester te veroordelen in de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1.876,86 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1 + € 8,86 aan reiskosten). Ook moet de burgemeester het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 1.876,86.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 3 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Voetnoten
1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3103 (r.o. 2.2).