ECLI:NL:RBZWB:2026:135

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/02/443131 / JE RK 25-2264
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens aanhoudende ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds januari 2025 onder toezicht staat. De GI stelt dat de zorgen over de minderjarige zijn toegenomen door meldingen van huiselijk geweld, alcoholgebruik en hechtingsproblematiek, en dat de thuissituatie kwetsbaar blijft. De moeder en minderjarige verblijven sinds november 2025 in een ouder-kind huis om veiligheid te waarborgen en zicht te krijgen op noodzakelijke veranderingen.

De moeder staat achter een verlenging van zes maanden, maar betwist de effectiviteit van het ouder-kind huis en benadrukt dat de vader zich zal uitschrijven van het woonadres. De GI benadrukt het belang van de betrokkenheid van de vader bij het traject, die tot op heden niet is aangesloten vanwege ontbrekende urinecontroles. De kinderrechter constateert dat het hulpverleningsplan onduidelijk is en dat er geen concreet stappenplan is, wat de motivatie van de moeder kan beïnvloeden.

De kinderrechter oordeelt dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging nog niet is weggenomen en verlengt de ondertoezichtstelling voor één maand, met een toetsingsmoment op 22 januari 2026. De GI wordt opgedragen een concreet plan te overleggen en te rapporteren over de voortgang, inclusief de betrokkenheid van de vader en mogelijke inzet van hulpverlening in de thuissituatie. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de zorg te waarborgen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met één maand tot 10 februari 2026 onder aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443131 / JE RK 25-2264
Datum uitspraak: 8 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 december 2025;
  • het bericht van de GI met als bijlage het focusverslag [zorgorganisatie 1] , ontvangen op 8 januari 2026 en overgelegd tijdens de zitting op 8 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder (via telefonische verbinding), bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De vader is, ondanks juiste oproeping, niet verschenen.
1.4.
De zaak van [minderjarige] en de zaken van de halfzus van [minderjarige] , bekend onder zaaknummers C/02/442331 / JE RK 25-2095 en C/02/442971 / JE RK 25-2224, zijn na elkaar tijdens de zitting op 8 januari 2026 behandeld, maar vanwege de nauwe samenhang heeft de kinderrechter in beide zaken gelijktijdig uitspraak gedaan.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026.
2.3.
Bij beschikking van 25 november 2025 heeft de kinderrechter zonder het horen van belanghebbenden een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend met ingang van 25 november 2025 en tot 23 december 2025.
2.4.
Bij beschikking van 4 december 2025 heeft de kinderrechter de beschikking van 25 november 2025 herroepen, waarbij een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin is verleend met ingang van 25 november 2025 en wijst het resterende deel van het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin af.
2.5.
[minderjarige] verblijft op dit moment met de moeder in een ouder-kind huis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift heeft de GI aangegeven dat de zorgen over [minderjarige] het afgelopen jaar zijn toegenomen. Er zijn meerdere meldingen van huiselijk geweld en alcoholgebruik geweest. Het risico dat [minderjarige] opnieuw aan geweldsituaties wordt blootgesteld, is nog steeds aanwezig. Ook zijn er zorgen over de hygiëne van [minderjarige] , de gezondheid en draagkracht van de moeder en de balans in de relatie en de dynamiek tussen de ouders. Mede als gevolg van de acute en langdurige onveiligheid van [minderjarige] zijn de moeder en [minderjarige] eind november 2025 naar het ouder-kind huis [zorgorganisatie 1] in [plaats 1] gegaan. Dit om te kijken wat er in de thuissituatie bij de ouders moet veranderen, zodat [minderjarige] in veiligheid kan opgroeien. Het traject duurt in totaal 16 weken. Anders dan de moeder stelt de GI dat de moeder wel hulp bij [zorgorganisatie 1] krijgt. Zo ondersteunt [zorgorganisatie 1] de moeder met de medische onderzoeken in het ziekenhuis, krijgt zij opvoedondersteuning in de vorm van tips en adviezen en voeren zij gesprekken met de moeder. De moeder voelt zich echter snel aangevallen als [zorgorganisatie 1] haar tips en adviezen geeft. Verder heeft [zorgorganisatie 1] al aangegeven dat praktische ondersteuning in het huishouden nodig gaat zijn, mogelijk vanuit de Wmo. In de thuissituatie was er eerder alleen hulpverlening gericht op de opvoedvaardigheden, verslavingszorg en het GIA-team vanuit [zorgorganisatie 2] betrokken. Die hulpverlening neemt geen taken over, maar zij geven enkel tips en adviezen. De GI vindt het verder belangrijk dat de vader zich bij het ouder-kind huis gaat aansluiten, nadat hij drie negatieve urinecontroles heeft overgelegd. Dit zodat er zicht komt op het gezinssysteem en de dynamiek tussen de ouders. In december 2025 zou de vader urinecontroles bij [zorgorganisatie 2] laten afnemen, maar toen stonden de verkeerde testen klaar. Voordat de vader bij de huisarts urinecontroles kan laten afnemen, moet hij zich bij de huisarts in [woonplaats] inschrijven en op intake gaan. Onduidelijk is of dit al heeft plaatsgevonden. Ook als de vader niet kan aansluiten, vindt de GI het belangrijk dat de moeder en [minderjarige] het traject afmaken. Zij kunnen nog niet naar huis, nu er nog geen zicht is gekomen op wat er in de thuissituatie nodig is en de zorgen nog onverminderd aanwezig zijn. Feitelijk is er dan ook nog niets aan de situatie veranderd. Dat de vader zich van het woonadres wil uitschrijven, maakt dit niet anders. De GI verwacht niet dat de relatie tussen de ouders daardoor zal veranderen. Daar komt bij dat de vader zich eerder op het woonadres in [plaats 2] heeft uitgeschreven, maar de ouders zijn uiteindelijk terug bij elkaar gekomen.
4.2.
Namens de moeder heeft de advocaat benoemd dat de moeder achter de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden staat, maar dat de visie, doelen en koers wel echt anders moeten. In het verzoekschrift staan geen actuele en concrete situaties maar slechts vermoedens en aannames, welke door de GI niet (voldoende) zijn onderzocht. De advocaat stelt dat de moeder en [minderjarige] met begeleiding terug naar huis moeten. Juist nu de vader zich op het woonadres gaat uitschrijven en hij minder thuis zal zijn. De moeder is niet gebaat bij het ouder-kind huis. Er wordt geen zorg geboden en [zorgorganisatie 1] kijkt alleen mee naar de financiële en medische situatie van de moeder, hetgeen ook in de thuissituatie kan. Daar komt nog bij dat de moeder pas over drie maanden verder kan met de onderzoeken in het ziekenhuis in Groningen en dat [zorgorganisatie 1] door de medische situatie en de verminderde draagkracht van de moeder geen zuivere beoordeling kan maken. De advocaat stelt dat er binnen de maatregel meer aandacht voor de vader moet komen. Ook [zorgorganisatie 1] benoemt dat de zorgen vooral bij de vader liggen en niet bij de moeder. Aan de opvoedvaardigheden van de moeder wordt niet getwijfeld. Er moet worden voorkomen dat de moeder en de kinderen de dupe worden van het feit dat de vader niet kan aansluiten bij het ouder-kind huis. De ouders hebben zich ingezet voor de urinecontroles van de vader en onder meer de huisarts, [zorgorganisatie 2] , [zorgorganisatie 3] , [zorgorganisatie 4] en de GI benaderd, maar zonder resultaat. Van de ouders kan het (financieel) niet worden verwacht dat zij hier zelf volledig verantwoordelijk voor zijn. Tot slot moet worden voorkomen dat de uitkering van de moeder wordt stopgezet, als zij langer bij het ouder-kind huis moet verblijven. Dit wordt naar voren gebracht gelet op berichtgeving vanuit de gemeente hierover aan de moeder.
4.3.
De moeder heeft zelf nog aangegeven dat het niet goed met haar bij het ouder-kind huis gaat, nu zij veel last van haar PTSS heeft en er geen zorg wordt geboden. Het traject is niet zoals het aan de moeder is verteld. Er is geen 24/7 toezicht op de moeder en [minderjarige] , er wordt geen opvoedondersteuning geboden en ook wordt er niet met de moeder in gesprek gegaan over hoe het echt met haar gaat. Thuis kreeg de moeder twee keer per week hulp van onder andere [zorgorganisatie 5] en daar had zij meer baat bij. [zorgorganisatie 5] hielp in de opvoeding door praktische dingen voor te stellen en over de opvoeding te praten. Desgevraagd geeft de moeder aan dat de vader zijn inschrijving voor de huisarts in [woonplaats] vandaag zal afgeven en dat hij bereid is om urinecontroles bij de huisarts af te nemen. De moeder benoemt verder dat zij geen vertrouwen in de GI meer heeft en vindt het vervelend dat alles op vermoedens en wantrouwen is gebaseerd. De moeder wil het liefst naar huis en dat beide kinderen weer bij haar wonen. Tot slot bevestigt de moeder dat de vader zich gaat uitschrijven van het woonadres en dat hij elders zal gaan wonen, zodat er meer afstand tussen hen zal zijn.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en zal de ondertoezichtstelling voor de duur van één maand verlengen, te weten tot 10 februari 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Zij legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet is weggenomen en dat er nog stappen moeten worden gezet. [minderjarige] heeft in het afgelopen jaar veel meegemaakt en de thuissituatie van [minderjarige] bij haar ouders is nog steeds kwetsbaar. Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat de moeder over voldoende opvoedvaardigheden beschikt en dat zij, met de inzet van hulpverlening en de tips en adviezen over de opvoeding, voor de kinderen kan zorgen. De kwetsbaarheid is met name gelegen in de houding van de vader en dynamiek tussen de ouders. Zo zijn er in de periode van februari tot november 2025 verschillende meldingen van onder meer huiselijk geweld geweest en is ook [minderjarige] meermaals aan dergelijke geweldsituaties blootgesteld. Daarnaast zijn er zorgen over het alcoholgebruik door de volwassenen om [minderjarige] heen en heeft [minderjarige] kenmerken van hechtingsproblematiek. Ook maakt de kinderrechter zich zorgen over de gezondheid van de moeder en haar verminderde draagkracht. Om [minderjarige] en de moeder in veiligheid te brengen en om meer zicht te krijgen op wat er in de thuissituatie bij de ouders moet veranderen, verblijven de moeder en [minderjarige] sinds eind november 2025 in een ouder-kind huis. Tijdens de zitting is door en namens de moeder aangegeven dat het bij het ouder-kind huis niet goed (met haar) gaat en dat [zorgorganisatie 1] geen zorg biedt. De moeder heeft aangegeven dat zij meer baat had bij de hulpverlening in de thuissituatie en mede gelet daarop wil zij het liefst samen met [minderjarige] terug naar huis. Dit kan volgens de moeder, omdat de vader zich van het woonadres zal uitschrijven en elders zal gaan wonen. Anders dan de moeder heeft de GI toegelicht dat er wel hulp en opvoedondersteuning door [zorgorganisatie 1] aan de moeder wordt geboden. Zowel de GI als de moeder hebben aangegeven dat het vanaf het begin al de bedoeling is geweest dat de vader ook naar het ouder-kind huis zou gaan, maar tot op heden is dat nog niet gelukt.
5.5.
Gelet op hetgeen tijdens de zitting is besproken, ziet de kinderrechter zich voor de vraag gesteld of het traject bij het ouder-kind huis moet worden voortgezet of dat de moeder en [minderjarige] met hulpverlening naar huis moeten met inachtneming van de toezegging door de moeder dat de vader zich op het woonadres gaat uitschrijven en elders gaat wonen.
Ten aanzien van het traject bij het ouder-kind huis merkt de kinderrechter allereerst op dat het tot op heden nog steeds niet volledig duidelijk is geworden welke hulp, naast de observaties en praktische ondersteuning bij de medische onderzoeken van de moeder, aan de moeder bij het ouder-kind huis wordt geboden en wat de bedoeling van de resterende duur van het traject is. De kinderrechter stelt vast dat er geen concreet (stappen)plan is en dat niet inzichtelijk is welke hulp er op dit moment wordt ingezet of ingezet zal gaan worden. Ook voor de moeder en voor haar motivatie om mee te blijven werken, is het van belang dat er een concreet en duidelijk (stappen)plan is. Hierbij kan het voor de moeder helpend zijn als zij vaste contactmomenten met de begeleiding van [zorgorganisatie 1] heeft.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het traject bij het ouder-kind huis alleen meerwaarde kan hebben als de vader aansluit, zodat er zicht komt op het gezinssysteem en de dynamiek tussen de ouders. Juist omdat de zorgen en kwetsbaarheden met name zijn gelegen in de houding van de vader en de dynamiek tussen de ouders. Zowel de GI als de moeder hebben aangegeven dat het vanaf het begin al de bedoeling is dat de vader bij het ouder-kind huis aansluit, maar de vader heeft nog geen urinecontroles af (kunnen) laten nemen. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat de vader zich op de dag van de zitting bij de huisarts in [woonplaats] zal gaan inschrijven, waarna de urinecontroles bij de huisarts kunnen worden afgenomen en de vader zich bij het ouder-kind huis kan aansluiten.
5.6.
Om ervoor te zorgen dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] kan worden weggenomen en om de ouders te blijven ondersteunen, is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling voor de duur zoals verzocht nodig is. Gelet op de toezegging door de moeder ten aanzien van de urinecontroles door de vader en om op zeer korte termijn de voortgang hiervan op te kunnen volgen, zal de kinderrechter een toetsingsmoment creëren en de ondertoezichtstelling voor één maand verlengen en het restant aanhouden tot de zitting van 22 januari 2026. De kinderrechter gaat er vanuit dat de vader zich binnen twee weken en daarmee vóór de nieuwe zittingsdatum bij de huisarts in [woonplaats] heeft ingeschreven en de urinecontroles heeft laten afnemen, waarna hij kan aansluiten bij het ouder-kind huis en er zicht kan komen op het gezinssysteem, de dynamiek tussen de ouders en wat er in de thuissituatie nodig is. De vader zal immers altijd betrokken blijven bij de moeder en [minderjarige] en daarom is het krijgen van zicht zo belangrijk. Mocht blijken dat de vader na die twee weken niet bij het ouder-kind huis kan aansluiten, dan verwacht de kinderrechter van de GI dat zij alvast gaat onderzoeken op welke termijn de hulpverlening die in de thuissituatie van de moeder betrokken was kan worden ingezet in het geval de moeder en [minderjarige] naar huis zouden gaan. De kinderrechter is namelijk van oordeel dat de moeder en [minderjarige] niet de dupe mogen worden van een niet meewerkende houding van de vader en als dus blijkt dat de vader niet kan aansluiten. Van de GI verwacht de kinderrechter verder een concreet (stappen)plan met onderbouwing van het traject bij [zorgorganisatie 1] , waarbij inzichtelijk is gemaakt wat er op dit moment voor zorg wordt ingezet en wat de bedoeling is voor de resterende duur van het traject. Ook verwacht de kinderrechter van de GI dat zij bij de gemeente zal navragen of de uitkering van de moeder wordt stopgezet in het geval het traject bij het ouder-kind huis wordt voortgezet. Tot slot geeft de kinderrechter aan de GI mee dat het van belang is dat er aandacht blijft voor de (fysieke) contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] en de halfzus van [minderjarige] .
5.7.
Nu de maatregel voor de duur van één maand zal worden toegewezen en het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de zitting van 22 januari 2026 om 16:00 uur, verzoekt de kinderrechter de GI om uiterlijk 19 januari 2026 per brief te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken. Ook wordt de GI verzocht haar nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de GI het restantverzoek al dan niet handhaaft.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 10 januari 2026 en tot 10 februari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de
zitting van 22 januari 2026 om 16:00 uur, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2 (4331 JE), ten overstaan van mr. E.J. Zuijdweg, kinderrechter, voor de duur van 45 minuten en in afwachting van de nadere informatie van de GI zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.6 (een en ander dient uiterlijk 19 januari 2026 aan de rechtbank te worden toegestuurd);
6.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, de vader en de moeder en haar advocaat;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 13 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.