ECLI:NL:RBZWB:2026:1335

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
24/5900
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Kostenwet invordering rijksbelastingenArt. 3, tweede lid, KostenwetArt. 8:5 Algemene wet bestuursrechtArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen hernieuwd bevel tot betaling inkomstenbelasting 2015

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een hernieuwd bevel tot betaling van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2015, inclusief explootkosten van €18. De ontvanger verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelt dat deze niet-ontvankelijkverklaring onterecht was voor het bezwaar tegen de explootkosten, maar dat het bezwaar inhoudelijk ongegrond is omdat de explootkosten terecht zijn berekend.

Belanghebbende betaalde de aanslag niet binnen de gestelde termijnen, ondanks aanmaning en dwangbevel. De rechtbank is niet bevoegd om inhoudelijk te oordelen over het dwangbevel of de tenuitvoerlegging daarvan; daarvoor is de civiele rechter bevoegd. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van proceskosten en immateriële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de explootkosten, verklaart het bezwaar ongegrond en bepaalt dat de ontvanger het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden. De uitspraak is onherroepelijk na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep is gegrond wegens onterechte niet-ontvankelijkverklaring, explootkosten worden gehandhaafd en griffierecht wordt vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5900

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 26 juni 2024. Het beroep ziet op het hernieuwd bevel tot betaling dat met dagtekening 15 september 2023 is uitgevaardigd voor de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2015 met aanslagnummer [bsn] .H.56.01. Het hernieuwd bevel tot betaling omvat de hoofdsom van € 877.192 en de daarmee verband houdende kosten van betekening (€ 13.745), rente (€ 11.695) en kosten van het exploot van € 18.
1.1.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende tegen het hernieuwd bevel tot betaling kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de ontvanger, [persoon 1] en [persoon 2] . De rechtbank heeft ter zitting een exemplaar van de brief van
4 november 2025 verstrekt aan belanghebbende.

Feiten

2. Met dagtekening 7 januari 2023 is aan belanghebbende een aanslag IB/PVV 2015 opgelegd. Op de aanslag moest € 877.200 worden betaald.
2.1.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Naar aanleiding daarvan heeft de ontvanger uitstel van betaling verleend.
2.2.
Een kennisgeving van het vervallen van uitstel van betaling is door de ontvanger op 19 juli 2023 aan belanghebbende verzonden. Uit de kennisgeving kan worden afgeleid dat de aanslag binnen veertien dagen na dagtekening door belanghebbende diende te worden betaald. Belanghebbende heeft de aanslag niet binnen de gestelde termijn voldaan.
2.3.
Op 11 augustus 2023 heeft de ontvanger een aanmaning verzonden. Daarbij zijn in totaal € 18 aan aanmaningskosten in rekening gebracht. Belanghebbende heeft niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn betaald.
2.4.
Op 4 september 2023 heeft de ontvanger een dwangbevel tot betaling uitgevaardigd. Daarbij zijn kosten van betekening in rekening gebracht van € 13.745. Belanghebbende heeft het in totaal openstaande bedrag van € 890.937 niet binnen de gestelde termijn voldaan.
2.5.
Op 15 september 2023 is een hernieuwd bevel tot betaling uitgevaardigd voor de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 (zie 1). Op 20 september 2023 heeft belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de ontvanger het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbendes bezwaar ten onrechte
niet-ontvankelijk is verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overwegingen

Vooraf I: betalingsonmacht
3.2.
Belanghebbende heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Het verzoek is in een voorlopige beoordeling afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om een vrijstelling van betaling van het griffierecht op goede gronden afgewezen. Belanghebbende heeft namelijk geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij voldoet aan de criteria voor een vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Belanghebbende heeft dus terecht het griffierecht ter zake van dit beroep betaald.
Vooraf II: nadere stukken
3.3.
Belanghebbende heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting nog een nader stuk ingediend. De rechtbank ziet in deze stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen dan wel de uitspraak tot nader moment aan te houden. De rechtbank laat deze stukken buiten beschouwing. Op grond van het procesreglement worden de stukken wel toegevoegd aan het procesdossier. [1]
Ontvankelijkheid bezwaar
3.4.
De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Blijkens de uitspraak op bezwaar heeft de ontvanger belanghebbendes bezwaar op
22 september 2023 ontvangen. De rechtbank stelt voorop dat het deels begrijpelijk is dat de ontvanger het bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard nu dat hetgeen aangevoerd in het bezwaarschrift niet uitblonk in helderheid en de ontvanger het zodoende niet heeft opgevat als medegericht tegen de in relatieve zin ten opzichte van de andere bedragen zeer beperkte explootkosten van € 18. Tegen die kosten staat immers wel een rechtsmiddel open bij de belastingrechter.
3.5.
De rechtbank constateert dat belanghebbende onduidelijk heeft aangegeven waarop zijn bezwaar- en beroepschrift concreet betrekking hebben. Belanghebbende stelt in algemene zin dat de terreur van de Belastingdienst moet stoppen. Ook ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd niet aangegeven welk element dat is opgenomen op het hernieuwd bevel tot betaling zijns inziens onjuist is.
3.6.
De belastingrechter is alleen bevoegd te oordelen over de door de ontvanger in rekening gebrachte explootkosten, in dit geval € 18. [2] De invorderingsambtenaar heeft belanghebbendes bezwaar in zoverre dan ook ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Voor terugwijzing naar de invorderingsambtenaar ziet de rechtbank echter geen aanleiding ook omdat dit geschil over € 18 gaat en een nieuwe ronde – en de kosten voor de maatschappij daarmee gemoeid – niet wenselijk is.
De explootkosten
3.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ontvanger de explootkosten terecht aan belanghebbende berekend. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat belanghebbende de aanslag, ook na toezending van de aanmaning (zie 2.3) en het dwangbevel (zie 2.4), niet heeft betaald. Dit brengt mee dat de ontvanger in beginsel terecht tot (verdere) invordering kon overgaan en de daarmee gepaard gaande explootkosten van
€ 18 in rekening kon brengen. [3] De explootkosten zijn dan ook terecht aan belanghebbende in rekening gebracht.
Tenuitvoerlegging van het exploot
3.8.
Voor zover het beroep van belanghebbende is gericht tegen het exploot oordeelt de rechtbank dat zij niet bevoegd is een inhoudelijke beoordeling te geven over een dwangbevel of de tenuitvoerlegging daarvan.
3.9.
De (fiscale) bestuursrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de invorderingsambtenaar op grond van de Invorderingswet 1990. [4] Voor bepaalde besluiten op grond van de IW 1990 is in de regelgeving een uitzondering gemaakt, in welk geval de fiscale bestuursrechter wel bevoegd is. De beslissing tot betekening van een dwangbevel valt niet onder een van de uitzonderingen. Dat geldt ook voor de (wijze van) betekening als zodanig. Tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel kan in verzet worden gekomen bij de civiele rechter. [5]
Proceskostenvergoeding
3.10.
Belanghebbende heeft verzocht de inspecteur te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van de werkelijke kosten. Onder die kosten dienen volgens belanghebbende te worden begrepen: (i) vergoeding van (immateriële) schade en (ii) kosten voor rechtsbijstand, te vermeerderen met (wettelijke) rente.
3.11.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Belanghebbende heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat en tot welk bedrag voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt. Het verzoek om vergoeding van kosten wordt dan ook afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is formeel bezien gegrond omdat het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard ten aanzien van de explootkosten van € 18. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar die ziet op de explootkosten en verklaart het bezwaar ongegrond. Dat komt voor belanghebbende in feite op hetzelfde neer. Omdat de inhoudelijke gronden van belanghebbende niet slagen, blijven de explootkosten gehandhaafd. Voor zover het beroep is gericht tegen (de tenuitvoerlegging van) het exploot is de rechtbank onbevoegd. Zij mag dat beroep dus niet behandelen.
4.1.
Omdat het beroep dus formeel gegrond is, moet de ontvanger het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Het verzoek om een vergoeding van proceskosten is afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • verklaart het bezwaar ongegrond;
  • verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen (de tenuitvoerlegging van) het dwangbevel;
  • bepaalt dat de ontvanger het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 2 maart 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Zie artikel 2.16, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbank, Staatscourant 2024, 37982.
2.Artikel 7 Kostenwet Pro invordering rijksbelastingen (de Kostenwet).
3.Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Kostenwet (tekst 2023).
4.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.
5.Artikel 17 van Pro de Invorderingswet 1990.
6.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.