ECLI:NL:RBZWB:2026:1329

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12029561/VV EXPL 25-103 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering wegens ontbreken spoedeisend belang en bewijslevering

Eiser vordert betaling van achterstallig loon en vergoeding van reiskosten en een iPad, stellende dat hij als tatoeëerder op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden heeft verricht voor gedaagde. Gedaagde betwist dit en stelt dat sprake was van een stage zonder vergoeding.

De kantonrechter beoordeelt in kort geding of er sprake is van spoedeisend belang en of de vordering waarschijnlijk gegrond is. Gezien het ruime tijdsverloop sinds de werkzaamheden en het ontbreken van concrete onderbouwing van het spoedeisend belang wijst de kantonrechter de vordering af.

Daarnaast is er een fundamenteel geschil over de aard van de arbeidsrelatie en de gemaakte afspraken, waarbij nadere bewijslevering noodzakelijk is. Dit kan niet in kort geding plaatsvinden, zodat de zaak verwezen wordt naar een bodemprocedure.

De kantonrechter veroordeelt eiser in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en noodzaak van nadere bewijslevering.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12029561 \ VV EXPL 25-103
Vonnis in kort geding van 2 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. B. Özates,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] vordert betaling van achterstallig loon. Hij voert aan op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te hebben verricht voor [gedaagde] . [gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] was er sprake van een stage waarvoor geen vergoeding verschuldigd was.
1.2.
De kantonrechter wijst de vordering af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Bovendien is nadere bewijslevering nodig, waarvoor geen plaats is in kort geding.

2.procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 de dagvaarding met 6 producties,
 de mondelinge behandeling van 16 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 het verweer dat door [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling is overhandigd (‘defence summary for the court’ met bijlagen).
2.2.
Namens [gedaagde] zijn de heer [naam 1] en de heer [naam 2] verschenen, respectievelijk broer en zoon van de aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] , de heer [naam 3] . De heer [naam 2] is General Manager bij [gedaagde] . De beide heren [naam 1 en naam 2] beschikten niet over een deugdelijke volmacht waarin zij door de heer [naam 3] gemachtigd waren om namens [gedaagde] verweer te voeren op de zitting. De heer [naam 2] beschikte over een zogenaamde ‘declaration of position’ en een kopie van het identiteitsbewijs van de heer [naam 3] . Ter zitting hebben de heren [naam 1 en naam 2] toegelicht dat de heer [naam 3] daarmee beoogd had een volmacht om verweer te voeren te verstrekken.
2.3.
De advocaat van [eiser] heeft er tijdens de mondelinge behandeling mee ingestemd dat de heren [naam 1 en naam 2] namens [gedaagde] verweer zouden voeren. Datgene wat de heren [naam 1 en naam 2] tijdens de mondelinge behandeling hebben aangevoerd geldt met instemming van mr. Özates dan ook als verweer namens [gedaagde] .

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] exploiteert een tattooshop in Breda. Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] is de heer [naam 3] . Zijn zoon, de heer [naam 2] , is General Manager bij [gedaagde] .
3.2.
[eiser] heeft in de periode van 30 januari 2025 tot en met 21 april 2025 werkzaamheden verricht voor [gedaagde] .
3.3.
[eiser] heeft op 5 maart 2025 een bedrag van € 1.380,00 op zijn bankrekening ontvangen van de heer [naam 3] . Op 14 april 2025 volgde een betaling van € 580,00 afkomstig van de heer [naam 2] .

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.856,01 bruto aan achterstallig loon inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Ook vordert [eiser] betaling van € 847,50 aan reiskosten. [eiser] wil een specificatie van deze betalingen. Tot slot vordert [eiser] een bedrag van € 1.500,00 als vergoeding van een iPad, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij in de periode van 30 januari 2025 tot en met 21 april 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht als tatoeëerder. Zijn iPad, met daarop zijn originele tattoodesigns, bevond zich op het moment van het einde van de arbeidsovereenkomst nog in de tattooshop en is door [gedaagde] nooit teruggeven.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vindt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. [eiser] heeft slechts beperkt werkzaamheden verricht voor [gedaagde] , op basis van een stageovereenkomst. Hij zou daarvoor geen vergoeding krijgen. [gedaagde] beschikt niet over de iPad van [eiser] .
4.4.
De kantonrechter gaat hierna bij de beoordeling in op de stellingen van partijen.

5.De beoordeling

Toetsingskader in kort geding
5.1.
In een kort geding wordt aan de kantonrechter gevraagd om een (spoed)maatregel te nemen. Er moet op korte termijn een beslissing worden genomen. Een vordering in een kort geding kan alleen worden toegewezen als de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. Hiervan is sprake als er onmiddellijke maatregelen nodig zijn en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
5.2.
In geval van een vordering in kort geding tot betaling van een geldsom is terughoudendheid op zijn plaats. In een kort geding beoordeelt de kantonrechter of het waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure een beslissing zal worden genomen die in het voordeel van de eisende partij zal zijn. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen. Als voldoende waarschijnlijk is dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen, kan de maatregel die daarop vooruit loopt in een kort geding worden toegewezen.
5.3.
Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is vanwege het spoedeisende karakter van een kort geding als uitgangspunt geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure.
Geen spoedeisend belang
5.4.
De vordering ziet op betaling van achterstallig loon over de periode van 30 januari tot en met 21 april 2025. [eiser] heeft op 24 december 2025 een datum voor een mondelinge behandeling in kort geding aangevraagd. Gelet op dit ruime tijdsverloop is de stelling in de dagvaarding dat het spoedeisend belang uit de aard van de vordering volgt onvoldoende.
5.5.
De advocaat van [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [eiser] niet eerder over de middelen beschikte om een procedure te starten. Haar factuur is pas in november 2025 betaald, zodat zij toen pas verdere werkzaamheden voor [eiser] kon verrichten. Inmiddels werkt [eiser] zodat hij beschikt over inkomsten, maar het geld is met spoed nodig om leningen terug te betalen. Desgevraagd heeft de advocaat van [eiser] niet kunnen toelichten wanneer deze leningen zijn aangegaan.
5.6.
Daarmee is het spoedeisend belang bij een vordering in kort geding onvoldoende onderbouwd.
Nadere bewijslevering nodig voor de beoordeling van de vorderingen
5.7.
Niet alleen is er onvoldoende spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding, ook is voor een beoordeling van de vorderingen nader onderzoek en bewijslevering vereist. Daarvoor is in kort geding geen plaats. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
5.8.
Partijen zijn het erover eens dat [eiser] gedurende enkele maanden werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] , maar daar houdt de eensgezindheid ook direct op. Partijen verschillen wezenlijk van mening over de inhoud van de mondelinge afspraken die zijn gemaakt. Volgens [eiser] is afgesproken dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden als tatoeëerder zou uitvoeren. Hij zou daarvoor een vergoeding van € 50,00 per dag krijgen plus 20% van de opbrengst van iedere door hem gezette tattoo. Ook zouden zijn reiskosten worden vergoed. Volgens [gedaagde] was er sprake van een stageovereenkomst, en mocht [eiser] vanwege het gebrek aan vereiste certificaten niet eens tatoeages zetten. Hij zou geen vergoeding krijgen. Volgens [gedaagde] is [eiser] slechts enkele keren in de shop aanwezig geweest, en geldt dat hij naar eigen believen kwam en ging. [eiser] stelt dat hij 5 of 6 dagen per week heeft gewerkt in de periode van 30 januari tot en met 21 april 2025. In de dagvaarding stelt [eiser] dat zijn werktijden van 11.00 tot 19.00 uur waren, tijdens de mondelinge behandeling heeft hij aangegeven dat de werktijden van 10.00 tot 18.00 waren. De werktijden werden volgens [eiser] door de eigenaar vastgesteld. In de dagvaarding heeft [eiser] aangevoerd dat hij in totaal € 2.200,00 van [gedaagde] had ontvangen (welk bedrag overigens ten onrechte niet al in de dagvaarding in mindering is gebracht op de vordering), tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat in totaal een bedrag van € 1.960,00 is ontvangen. [gedaagde] heeft daar tijdens de mondelinge behandeling geen voldoende verklaring voor kunnen geven, de betalingen zouden gedaan kunnen zijn voor de aanschaf van producten. [eiser] stelt dat hij zijn iPad heeft meegenomen naar de shop, [gedaagde] betwist dat en voert aan dat daar ook geen noodzaak voor is omdat er een computer in de shop aanwezig is.
5.9.
Kortom, partijen verschillen op wezenlijke onderwerpen van mening. Er is nadere bewijslevering nodig om vast te stellen hoe de samenwerking is verlopen.
5.10.
De vorderingen van [eiser] stranden daarom zowel op het gebrek aan spoedeisend belang als op het feit dat een beoordeling zonder nadere bewijslevering niet mogelijk is. Een kort geding is niet de aangewezen weg voor [eiser] , de kwestie zal zo nodig in een bodemprocedure beslecht moeten worden.
Proceskosten
5.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 50,00 aan reis- en verletkosten.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op
2 maart 2026.