ECLI:NL:RBZWB:2026:1324

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444213 / JE RK 26-109 en C/02/444215 / JE RK 26-110
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265a BWArt. 1:265b BWArt. 800 RvWet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens psychische gesteldheid moeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 30 januari 2026 een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar oma. De moeder van de minderjarige kampt met schizofrenie en psychoses en is opgenomen op een gesloten afdeling van een ggz-accommodatie. De minderjarige was eerder uit huis geplaatst bij de oma vanwege zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder.

Na een eerdere spoedplaatsing bij de oma is de minderjarige sinds 9 december 2025 weer bij de moeder, maar door verslechtering van de psychische toestand van de moeder en het niet trouw innemen van medicatie is de minderjarige opnieuw uit huis geplaatst. De GI verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor twee maanden om de moeder te stabiliseren en een veilige terugplaatsing mogelijk te maken.

De moeder erkent de situatie en stemt in met de tijdelijke voortzetting van de uithuisplaatsing, met het oog op een terugplaatsing zodra zij stabiel is. De oma bevestigt dat het goed gaat met de minderjarige in haar gezin en benadrukt het belang van goede hulp voor de moeder.

De kinderrechter oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige en dat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De machtiging wordt verlengd van 3 februari 2026 tot 3 april 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de oma voor twee maanden wegens de psychische gesteldheid van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers : C/02/444213 / JE RK 26-109 (spoedmachtiging tot uithuisplaatsing)
: C/02/444215 / JE RK 26-110 (machtiging tot uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
maar momenteel opgenomen en verblijvend in de accommodatie van [zorginstelling] in [plaats] , op de [afdeling] ,
advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom.
De kinderrechter merkt in deze zaak als informant aan:
[oma moederszijde],
hierna te noemen: de oma moederszijde (mz),
wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zit de in deze zaken gegeven beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 20 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
Op 30 januari 2026 heeft de kinderrechter de verzoeken in beide zaken, gelet op de onderlinge samenhang, gelijktijdig mondeling behandeld ter zitting met gesloten deuren. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
  • mr. Jurgers, namens de moeder;
  • de oma mz, bijgestaan door mevrouw [naam] als tolk in de Somalische taal (tolkennummer [nummer] );
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
De moeder is niet in persoon bij de zitting aanwezig geweest.
1.4.
De GI heeft voorafgaand aan de zitting verzocht om de ggz-behandelaar van de moeder uit te nodigen voor de zitting om als informant te worden gehoord (op grond van artikel 800, tweede lid Rv). De kinderrechter heeft dit verzoek afgewezen met het oog op de eigen keuze die de moeder heeft om (medische) informatie over haar behandeling wel of niet te delen in deze procedure. Het horen van de ggz-behandelaar is, naar het oordeel van de kinderrechter, ook niet noodzakelijk voor de beoordeling en de beslissing in deze zaak.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 juli 2025 tot 9 juli 2026. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin (bij de oma mz) verleend met ingang van 9 juli 2025 tot 9 december 2025.
2.3.
[minderjarige] is op basis van voormelde machtiging uit huis geplaatst geweest bij de oma (mz). Nadat er is ingezet op een stapsgewijze terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, verblijft [minderjarige] sinds 9 december 2025 weer volledig bij de moeder.
2.4.
Bij voormelde, in deze zaak gegeven beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 20 januari 2026 is [minderjarige] met spoed, oftewel zonder de belanghebbende daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, uit huis geplaatst bij de oma (mz) voor de duur van twee weken, tot 3 februari 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting op 30 januari 2026.

3.De verzoeken van de GI en de onderbouwing daarvan

3.1.
De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven om voormelde spoedbeslissing van 20 januari 2026 met ingang van heden te herroepen.
3.2.
Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in het netwerkpleeggezin van de oma (mz) voor de duur van twee weken, deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en deze beslissing onverwijld te nemen. De rechtbank heeft dit verzoek geregistreerd onder het zaaknummer C/02/444213 / JE RK 26-109.
3.3.
Daarnaast is nog aan de orde het verzoek van de GI om (aansluitend) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van de oma (mz) te verlenen voor de duur van twee maanden en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank heeft dit verzoek geregistreerd onder het zaaknummer C/02/444215 / JE RK 26-110.
3.4.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De moeder is bekend met schizofrenie en psychoses. In verband daarmee is zij in zorg bij [zorgorganisatie] . Er is ten aanzien van de moeder een zorgmachtiging verleend in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) die geldt tot juli 2026. Op basis daarvan kan bij wijze van verplichte zorg onder meer medicatie aan de moeder worden toegediend. [minderjarige] is kort na haar geboorte, onder andere vanwege zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder, uit huis geplaatst bij de oma (mz). Bij voormelde beschikking van 30 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oma (mz) verleend, waarna het verblijf van [minderjarige] bij de oma (mz) in het gedwongen kader is voortgezet. Met intensieve ambulante hulpverlening (30 uren per week) is er vervolgens ingezet op een stapsgewijze terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Daarnaast is er ambulante opvoedondersteuning ingezet, er is wekelijks fysiek contact vanuit de ggz (het ambulante f-act team) en er zijn veiligheidsafspraken gemaakt. Op 9 december 2025 is [minderjarige] volledig teruggeplaatst bij de moeder.
3.5.
Echter, vanaf eind december 2025 worden er bij de moeder weer zorgelijke signalen gezien met betrekking tot psychotische klachten. Zowel eind december 2025 als begin januari 2026 heeft de GI deze zorgen met de moeder besproken, maar deze werden door de moeder ontkend. Op 19 januari 2026 heeft de moeder aan de oma (mz) verzocht om [minderjarige] op te halen, omdat zij naar eigen zeggen behoefte had aan vakantie. De moeder heeft hiermee gehandeld in lijn met de gemaakte veiligheidsafspraken, namelijk dat zij te allen tijde kan en mag aangeven als het niet goed met haar gaat en dat [minderjarige] in dat geval bij de oma (mz) kan verblijven. Nadat [minderjarige] door de oma (mz) is opgehaald, is de moeder enige tijd volledig uit beeld geraakt en was zij onbereikbaar voor de hulpverlening en de GI. In de nacht van 19 op 20 januari 2026 stond de moeder bij de oma (mz) aan de deur. De moeder is vervolgens beoordeeld door een (crisis)psychiater en naar aanleiding daarvan is zij per direct opgenomen op de [afdeling] van de ggz-accommodatie van [zorgorganisatie] in [plaats] (locatie [locatie] ). In de accommodatie is de moeder bovendien onwel geworden van (vermoedelijk) het gebruik van veel “snus”. Het vermoeden dat de psychotische klachten van de moeder worden veroorzaakt doordat zij haar antipsychotische medicatie niet (trouw) inneemt, is inmiddels bevestigd nu uit medisch onderzoek naar de medicatiespiegel van de moeder is gebleken dat zij in de afgelopen periode geen medicatie heeft gebruikt.
3.6.
Met het oog op het psychiatrisch toestandsbeeld van de moeder en omdat zij per direct is opgenomen op een gesloten afdeling van de ggz-accommodatie, zag de GI zich genoodzaakt om een spoedverzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in te dienen. Op basis van die machtiging is [minderjarige] wederom bij de oma (mz) geplaatst. In de komende periode zal er worden ingezet op het verder stabiliseren van het psychiatrische toestandsbeeld van de moeder. Zodra de moeder voldoende is gestabiliseerd en zij is ontslagen uit de accommodatie, zal er wederom met intensieve begeleiding worden ingezet op het stapsgewijs terugplaatsen van [minderjarige] bij de moeder. Om dit traject op een goede en veilige manier te kunnen doorlopen, verzoekt de GI om (aansluitend) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oma (mz) te verlenen voor de duur van twee maanden.
3.7.
De GI benadrukt tot slot dat het terugplaatsingstraject staat of valt met het medicatiegebruik van de moeder. Als zij haar medicatie trouw blijft innemen, dan functioneert zij goed met behulp van de ambulante hulpverlening vanuit het FACT- team. Maar als zij wederom haar medicatie niet (trouw) inneemt, dan zal haar psychiatrische toestandsbeeld naar verwachting verslechteren met als gevolg dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] wederom onvermijdelijk wordt.

4.De standpunten

4.1.
De advocaat heeft namens de moeder, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Het gaat inmiddels een stuk beter met de moeder. Hoewel de moeder het liefste wil dat [minderjarige] bij haar woont, erkent zij dat dit nu niet mogelijk is. De advocaat heeft inmiddels met de behandelend psychiater gesproken. De psychiater heeft volgens de advocaat aangegeven, gezien het verloop van het herstel van het psychiatrisch toestandsbeeld van de moeder tot nu toe, dat de verwachting bestaat dat zij vrij snel weer stabiel zal zijn waarna zij zal worden ontslagen uit de accommodatie. Gelet hierop stemt de moeder ermee in dat het verblijf van [minderjarige] bij de oma mz voor een korte periode wordt voortgezet, mits er wordt ingezet op een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.
4.2.
De oma (mz) heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Het gaat goed met [minderjarige] bij de oma (mz) thuis. De oma (mz) heeft ook andere kinderen in huis. Voor de oma (mz) is het geen enkel probleem als [minderjarige] nog twee maanden bij haar verblijft. Als de moeder haar medicatie (trouw) inneemt, dan is zij een goede moeder voor [minderjarige] en een goede dochter voor de oma (mz). Maar als de moeder haar medicatie niet (trouw) inneemt, dan ziet de oma (mz) dat het minder goed met haar gaat. De oma (mz) vindt het daarom belangrijk dat de moeder goede hulp en begeleiding krijgt.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
5.3.
De kinderrechter overweegt dat voormelde spoedbeslissing van 20 januari 2026 is genomen zonder de belanghebbende daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om daarover te worden gehoord. Tijdens de zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld (via de advocaat) om hun zienswijzen kenbaar te maken over het spoedverzoek. Naar aanleiding daarvan is, naar het oordeel van de kinderrechter, niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden waardoor de spoedbeslissing van 20 januari 2026 zou moeten worden herroepen.
5.4.
Aangezien de kinderrechter het verzoek om (aansluitend) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor de duur van twee maanden hierna zal beoordelen en zij daarover zal beslissen, heeft de GI geen belang meer bij het resterende deel van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor de duur van twee weken en onverwijld daarop te beslissen, oftewel zonder de belanghebbende in de gelegenheid te stellen om daarover te worden gehoord. De kinderrechter zal het resterende deel van voormeld spoedverzoek daarom afwijzen (in de zaak C/02/444213 / JE RK 26-109).
5.5.
De kinderrechter overweegt, naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, als volgt. Er zijn zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder en, in verband daarmee, over de (opvoed)situatie van [minderjarige] bij de moeder. Op 19 januari 2026 heeft de moeder aangegeven dat zij niet langer voor [minderjarige] kan zorgen. Kort daarna is zij opgenomen op de [afdeling] van een ggz-accommodatie, waar zij nu nog steeds verblijft. De verwachting bestaat dat de moeder binnen een korte termijn dusdanig psychisch zal zijn gestabiliseerd dat zij zal worden ontslagen uit de accommodatie en dat zij dus kan terugkeren naar huis. Vervolgens zal er wederom met intensieve hulpverlening en begeleiding worden ingezet op een stapsgewijze terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Om dit traject op een goede en veilige manier te kunnen vormgeven, heeft de GI naar verwachting twee maanden de tijd nodig, zo heeft de GI aangegeven. Van belang is, met het oog op de jonge leeftijd van [minderjarige] en omdat zij, in verband daarmee, volledig afhankelijk is van haar verzorgers en opvoeders, dat [minderjarige] in die periode bij de oma (mz) kan verblijven. Dit is een voor [minderjarige] bekende en vertrouwde plek. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oma (mz) op dit moment in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is.
5.6.
Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een uithuisplaatsing van [minderjarige] (1:265b, eerste lid BW). Dat de moeder instemt met een kortdurende uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de oma (mz) waarbij er wordt ingezet op een terugplaatsing, doet hier niet aan af. Nu de moeder als gezaghebbende ouder tijdelijk op een andere plaats verblijft dan [minderjarige] en er sprake is van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] , dient het verblijf van [minderjarige] bij de oma (mz) plaats te vinden met een machtiging tot uithuisplaatsing, ook als de moeder daarmee instemt (artikel 1:265a BW).
5.7.
De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het verzoek (in de zaak C/02/ 444215 JE RK 26-110), dat niet is weersproken, toewijzen in die zin dat zij de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (in het netwerkpleeggezin van de oma moederszijde) zal verlengen met ingang van 3 februari 2026 en tot 3 april 2026.
5.8.
De kinderrechter zal deze beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat deze beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.

6.De beslissing

De kinderrechter:
C/02/444213 / JE RK 26-109:
6.1.
wijst het resterende deel van het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen en deze beslissing onverwijld te nemen, af;
C/02/ 444215 JE RK 26-110:
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (in het netwerkpleeggezin van de oma moederszijde) met ingang van 3 februari 2026 en tot 3 april 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.