ECLI:NL:RBZWB:2026:1320

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444198 / JE RK 26-104
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing restant voorlopige ondertoezichtstelling minderjarige wegens zorgen veiligheid en omgang

De ouders van de minderjarige zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De minderjarige is voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland van 20 januari tot 3 februari 2026. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt verlenging van deze ondertoezichtstelling tot 20 april 2026.

Tijdens de zitting op 30 januari 2026 zijn de moeder, vader, hun advocaten, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig. De moeder steunt het verzoek en uit angst voor de vader, die volgens haar de situatie onveilig maakt. De vader ontkent bedreigingen en stelt dat hij wel hulp wil, maar niet via de huidige zorgorganisatie. De GI constateert dat ouders een verschillende beleving hebben en dat de moeder mogelijk slachtoffer is van intieme terreur.

De kinderrechter concludeert dat de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan, de vader ernstige bedreigingen heeft geuit en de zorgen over de veiligheid van de minderjarige en moeder niet zijn verminderd. Het zorgelijke gedrag van de minderjarige bij de moeder thuis, waaronder woedeaanvallen, baart zorgen. Gezien deze omstandigheden is verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling passend en noodzakelijk om veiligheid en omgang te monitoren.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 20 april 2026 vanwege blijvende zorgen over veiligheid en omgang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444198 / JE RK 26-104
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen;
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg.
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Middelburg.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het volgende mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van 20 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader;
  • twee vertegenwoordigsters van de Raad;
  • twee vertegenwoordigers van de GI.
Opgeroepen, maar niet verschenen is:
- mr. Tiggelaar.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 1] 2025 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op [datum 2] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
[minderjarige] is voor het huwelijk van de ouders geboren. De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
Bij beschikking van 20 januari 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 20 januari 2026 tot 3 februari 2026. Het overige deel van het verzoek is aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van zaaknummer C/02/443404 / FA RK 25-6680 heeft de Raad een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden verzocht, welk verzoek de Raad daarna op schrift heeft gesteld. De Raad verzoekt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming West Zeeland als uitvoerende instantie te benoemen.
3.2.
Momenteel ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, namelijk de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van 3 februari 2026 tot 20 april 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. De Raad stelt dat er inmiddels een flink dossier met zorgen ligt. Echter is het wel positief om te horen dat de vader meewerkt met de GI. Hierbij plaatst de Raad wel een kanttekening; de vader heeft meerdere malen, ook tijdens de jeugdbeschermingstafel en tijdens de vorige mondelinge behandeling, gesteld dat hij geen hulpverlening aan wil gaan. Hier moet de GI dan ook scherp op blijven. De voorlopige ondertoezichtstelling is tweeledig; er moet namelijk zicht komen op de veiligheid van [minderjarige] en de moeder en er moet zicht komen op de omgang tussen [minderjarige] en de vader. Hier is tijd voor nodig, dus het restant van de ondertoezichtstelling dient te worden uitgesproken.
4.2.
Door en namens de moeder is gesteld dat ze het eens is met het verzoek van de Raad. De moeder is erg angstig voor de vader en ze vindt dat de ouders iemand nodig hebben die meekijkt, regie voert en waar nodig beslissingen neemt. Ze vindt het lastig dat zij steeds moet aantonen dat zaken niet goed verlopen tussen de ouders dus het is fijn als er iemand mee kan kijken. Dit zou voor haar wat verlichting bieden. Het lukt de ouders samen niet om bijvoorbeeld omgangsafspraken te maken. De moeder wil graag dat de omgang normaal en veilig verloopt voor zowel [minderjarige] als haarzelf. Met [minderjarige] gaat het goed, maar hij is erg gevoelig. Hij kan niet goed omgaan met onvoorspelbaarheid en als dit er niet is, kan hij woedeaanvallen krijgen. Deze woedeaanvallen heeft hij alleen bij de moeder thuis. De moeder vraagt zich af of dit bij zijn leeftijd hoort of dat het komt doordat hij last heeft van de situatie en getuige is (geweest) van escalaties tussen de ouders.
4.3.
Door de vader is gesteld dat het niet klopt dat de vader de moeder onder druk zou hebben gezet. Het gaat al een lange tijd goed tussen hen en nu zou de situatie ineens onveilig zijn; dit klopt niet. Hiernaast wordt de vader door [zorgorganisatie] op een negatieve manier afgeschilderd. IPT is bij de vader niet van de grond gekomen, omdat de vrouw die het zou begeleiden ziek was en nooit meer contact heeft opgenomen. Dat het niet door is gegaan ligt dus niet aan de vader. Dit frustreert hem dan ook. De vader wil hulpverlening, omdat hij weet dat het nodig is (ook in het contact met de moeder), maar hij wil deze hulpverlening niet meer vanuit [zorgorganisatie] ontvangen. De vader heeft de afgelopen tijd veel hulpverlening gehad en dit kost hem veel tijd en energie. De afspraken die worden gemaakt, worden niet nageleefd. Een voorlopige ondertoezichtstelling is niet nodig.
4.4.
Door de GI is gesteld dat er in de afgelopen week kennis is gemaakt met de ouders. Hieruit is gebleken dat de ouders een andere beleving hebben van wat er tussen hen is gebeurd. Dit maakt het erg ingewikkeld. Wat opvalt is dat de vader snel wordt afgeschilderd als een agressieve man, maar op basis van het gesprek dat de GI met hem heeft gehad, komt hij als samenwerkend naar voren. Hiernaast is gebleken dat de moeder erg angstig is voor de vader. Wat ze met de vader heeft meegemaakt neigt naar intieme terreur.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan en hier samen niet uitkomen. Daarbij heeft de vader ernstige bedreigingen geuit richting de moeder om haar te bewegen in te stemmen met onbegeleid contact tussen hem en [minderjarige] . Ook stemt de vader niet in met voortzetting van de betrokken hulpverlening. De zorgen die tijdens de vorige mondelinge behandeling zijn ontstaan, zijn niet verminderd. Uit de gesprekken die de GI heeft gevoerd met de ouders blijkt dat de moeder angstig is voor de vader. Ook is er in de relatie tussen de ouders mogelijk sprake van intieme terreur. Dit baart de kinderrechter ernstige zorgen. Omdat de ouders eerder de kans hebben gekregen om in het vrijwillig kader aan de slag te gaan, maar dit niet is gelukt en omdat er steeds meer zorgen naar voren zijn gekomen die de acute veiligheid van [minderjarige] raken, is de kinderrechter van oordeel dat een voorlopige ondertoezichtstelling op dit moment nog steeds passend is. Dit is ten opzichte van de vorige beschikking niet veranderd. Hierbij komt dat [minderjarige] volgens de moeder bij haar thuis zorgelijk gedrag laat zien en woede-aanvallen heeft. Gezien het bovenstaande zal de kinderrechter het restant van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling toewijzen. Het is hierbij belangrijk dat in kaart wordt gebracht waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt. Hiernaast zal de jeugdbeschermer zowel zicht moeten krijgen op de veiligheid van [minderjarige] en de moeder als zicht op de (on)mogelijkheden van omgang tussen [minderjarige] en de vader.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1. wijst toe het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] , te weten voor de periode van 3 februari 2026 en tot 20 april 2026.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint, griffier, en op schrift gesteld op 18 februari 2026.