In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 januari 2026, wordt het beroep van eiser beoordeeld, die stelt dat het UWV niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser had bezwaar gemaakt tegen een besluit van 25 april 2025 en stelde het UWV in gebreke op 17 november 2025. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, omdat het UWV de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen twee weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit moet nemen. Gezien de omstandigheden, waaronder een tekort aan verzekeringsartsen, wordt het UWV een termijn van vier maanden gegeven om alsnog te beslissen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiser krijgt ook een vergoeding van € 467,- voor proceskosten, en het UWV moet het griffierecht van € 53,- aan eiser vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.