ECLI:NL:RBZWB:2026:1314

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
1 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443079
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding verzoek machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in belang revalidatietraject en diagnostisch onderzoek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die bijna meerderjarig wordt. De minderjarige woont bij zijn moeder en staat onder toezicht van de GI tot april 2026. De GI stelt dat de minderjarige meer hulp nodig heeft dan de thuissituatie kan bieden, met name een 24/7-setting bij een zorginstelling, maar wachtlijsten en onrustige thuissituatie bemoeilijken dit.

De moeder is bezorgd over de negatieve invloed van andere jongeren in de instelling en benadrukt het belang van het aanstaande revalidatietraject bij een zorgorganisatie, dat in februari 2026 start en ook na de meerderjarigheid kan doorlopen. Zij verzoekt om diagnostisch onderzoek en een MST-traject in de thuissituatie. De vader erkent het verzoek maar wijst op een onwerkbare situatie met de GI.

De kinderrechter besluit het verzoek aan te houden om het revalidatietraject te laten starten en een ambulant diagnostisch onderzoek mogelijk te maken. Tevens wordt onderzocht of een MST-traject passend is. De motivatie en medewerking van de minderjarige zijn cruciaal. De GI moet uiterlijk 23 maart 2026 rapporteren over de voortgang, waarna een nieuwe beslissing volgt. De kinderrechter benadrukt dat bij politiecontacten het verzoek opnieuw kan worden ingediend.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt aangehouden tot uiterlijk 23 maart 2026 om het revalidatietraject en diagnostisch onderzoek te kunnen starten en de voortgang te beoordelen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443079 / JE RK 25-2251
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van 28 november 2025, ontvangen op 15 januari 2026;
  • de stelbrief van mr. R.G.J. van Kerkhof van 7 januari 2026;
  • het bericht van de GI, met bijlagen, van 16 januari 2026;
  • het e-mailbericht van de vader van 21 januari 2026, waarin hij aangeeft niet naar de zitting te zullen komen;
  • het bericht van de advocaat van de moeder van 22 januari 2026, onder meer inhoudende dat zij niet aanwezig zullen zijn en dat er schriftelijk een beschikking kan worden gewezen;
  • het bericht van [minderjarige] van 27 januari 2026, inhoudende dat hij niet naar het kindgesprek komt;
  • het bericht van de rechtbank van 27 januari 2026 aan de vader, de advocaat van de moeder en de GI, inhoudende dat de zaak niet schriftelijk zal worden afgedaan en dat partijen worden verzocht ter zitting te verschijnen;
  • het bericht van de vader van 2 februari 2026, inhoudende een reactie op het bericht van de rechtbank van 27 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Van de vader heeft de kinderrechter vernomen dat hij niet naar de rechtbank kon komen in verband met andere verplichtingen. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de vader. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar.
1.4.
Na de zitting, op 2 februari 2026, heeft de vader een bericht gestuurd naar de rechtbank. Daarin laat hij weten dat het bericht van de rechtbank van 27 januari 2026 hem pas na de zitting heeft bereikt. Om de hiervoor genoemde reden is hij niet aanwezig geweest. De vader is bereid eventuele vragen alsnog te beantwoorden.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft een mail gestuurd op 27 januari 2026. De kinderrechter heeft hiervan kennis genomen. [minderjarige] is op de dag van de zitting, 29 januari 2026, naar de rechtbank gekomen. De kinderrechter heeft daarom alsnog een gesprek gevoerd met [minderjarige] . Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 april 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, tot 9 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Het lukt [minderjarige] niet om de juiste keuzes te maken. De GI ziet dat de moeder haar best doet. [minderjarige] heeft echter meer hulp nodig. Er is daarom een 24/7-setting nodig. Er is gekeken naar een plek bij [zorginstelling] , maar er zijn wachtlijsten. [zorginstelling] biedt zowel behandeling als onderwijs aan en op de groep zijn professionele opvoeders. Er kan vanuit daar worden gekeken wat passende hulpverlening voor [minderjarige] zou zijn. De GI zou een onderzoek naar welke hulpverlening passend is willen inzetten, maar ze weten onvoldoende waarop dat gericht zou moeten zijn. Bovendien is sprake van een onrustige thuissituatie. Dat bemoeilijkt het onderzoek. Er moet alles op alles worden gezet zodat er voor de achttiende verjaardag van [minderjarige] aan [minderjarige] geboden wordt wat nodig is. Het revalidatietraject voor de rug van [minderjarige] zal hierin moeten worden gepast.
4.2.
Een MST-traject is door de GI overwogen, maar niet ingezet omdat het gaat om systemische hulpverlening. Dit is meestal met name gericht op de ouders. De GI vindt dat belangrijk, maar vindt het nog belangrijker dat er hulpverlening voor [minderjarige] wordt ingezet. De GI vindt een MST-traject daarom niet passend of toereikend.
4.3.
De GI is van mening dat het contact met de vader opgestart zou kunnen worden, mits de vader het gesprek met hen aangaat over wat er is gebeurd in het verleden. Bekeken moet worden wat de behoefte van [minderjarige] is in het contact met de vader.

5.Het standpunt van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De moeder kan zich niet vinden in het verzoek. De moeder ziet de zorgen, maar is bezorgd dat de andere jongeren op de jeugdgroep [minderjarige] negatief zullen beïnvloeden. Hij wordt bovendien over minder dan één jaar meerderjarig. De moeder vraagt zich daarom af wat hij, gelet op de wachttijden, nog uit de behandeling bij [zorginstelling] gaat halen. [minderjarige] heeft veel last van zijn rug en kan in februari 2026 beginnen met een revalidatietraject bij [zorgorganisatie] te [plaats] . Zij bieden daar ook hulp op andere levensgebieden. Het is heel belangrijk dat dit start. Dit traject kan doorlopen tot na zijn achttiende verjaardag. De moeder ziet dat [minderjarige] gemotiveerd is en heeft vertrouwen in het traject, maar maakt zich wel zorgen dat het misschien teveel is voor [minderjarige] . Er gebeurt veel in zijn hoofd. De moeder verzoekt of de GI een diagnostisch onderzoek en een MST-traject kan starten, zodat de juiste hulpverlening voor [minderjarige] vanuit de thuissituatie kan worden ingezet.
5.2.
Door de vader is schriftelijk naar voren gebracht dat er een onwerkbare en onhoudbare situatie tussen hem en de GI is ontstaan. De vader geeft aan het verzoek te begrijpen en refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter.

6.De beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijk beoordeling
6.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek om [minderjarige] uit huis te plaatsen dient te worden aangehouden. Dit betekent dat het verzoek nu niet zal worden toegewezen of afgewezen. De kinderrechter is van oordeel dat het op dit moment met name in het belang is van [minderjarige] dat het intensieve revalidatietraject voor zijn rug bij [zorgorganisatie] kan starten, zodat hij weer pijnvrij door het leven kan gaan. [minderjarige] is gemotiveerd om aan dit traject deel te nemen. Ook is de kinderrechter van oordeel dat er een diagnostisch onderzoek dient plaats te vinden. Dat onderzoek moet de basis zijn voor de te starten hulpverlening. Een dergelijk onderzoek kan bij [zorginstelling] plaatsvinden, maar ook in een ambulant kader in de thuissituatie. Het ambulante kader heeft nu de voorkeur omdat de ervaring is dat een jongere bij [zorginstelling] eerst moet wennen, er ook daar wachtlijsten zijn en de datum dat [minderjarige] meerderjarig wordt steeds dichterbij komt. Ook dient er te worden gekeken of de inzet van een MST-traject in de thuissituatie passend is. Wellicht dat een dergelijk traject [minderjarige] kan helpen bij het vasthouden van zijn motivatie om de juiste weg in te slaan en wat van zijn leven te maken. Door het aanhouden van het verzoek kan de kinderrechter, op korte termijn, zicht houden op hoe het gaat met het revalidatietraject en de voor [minderjarige] in te zetten hulpverlening.
De kinderrechter benadrukt dat haar vervolgbeslissing valt of staat met de motivatie van [minderjarige] om te blijven deelnemen aan het revalidatietraject, het diagnostisch onderzoek, zijn school, zijn stage, (indien hij dat er nog naast kan blijven doen) zijn werk en eventuele andere dingen die van hem worden gevraagd door de GI, zijn moeder en zijn vader. Ook is het belangrijk dat [minderjarige] goed blijft communiceren met zijn moeder over wat hem bezig houdt en zijn emoties. Op het moment dat [minderjarige] niet meer gemotiveerd is of anderszins niet meewerkt aan de genoemde trajecten kan de GI het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing weer aanhangig maken en gaat de kinderrechter er een beslissing over nemn. [minderjarige] is bijna achttien jaar dus het is belangrijk dat de hulpverlening zo snel als mogelijk van start kan gaan.
6.3.
De kinderrechter merkt daarnaast op dat [minderjarige] afstand moet nemen van de groep waarmee hij rottigheid uithaalt. Om erop na te zien dat [minderjarige] zich hieraan houdt verzoekt de kinderrechter de GI om, zodra er politiecontacten zijn, het verzoek weer aanhangig te maken. De kinderrechter benadrukt dat dit dus
een laatste kansis voor [minderjarige] en hoopt dat dit hem motiveert om door te zetten bij alles dat nu in gang wordt gezet voor hem.
Het verdere verloop
6.4.
Om op korte termijn te kunnen toetsen of er daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven aan wat hiervoor is besproken ziet de kinderrechter noodzaak om de beslissing op het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] , aan te houden.
6.5.
De GI dient
uiterlijk op genoemde pro forma datumde kinderrechter in een schriftelijk verslag, met een afschrift daarvan aan de moeder en haar advocaat en de vader, te informeren over de actuele stand van zaken ten aanzien van:
het verloop van de ondertoezichtstelling;
het revalidatietraject bij [zorgorganisatie] ;
het diagnostisch onderzoek. Indien dit heeft plaatsgevonden; wat zijn de resultaten daarvan?
het MST-traject. Is dit ingezet? Zo ja? Wat zijn de eerste resultaten. Zo nee? Waarom is het traject niet ingezet?
politiecontacten van [minderjarige] na 29 januari 2026;
het verzoek. Wordt dit gehandhaafd of ingetrokken?
6.6.
Indien en voor zover het schriftelijk verslag van de GI daartoe aanleiding geeft, zal de kinderrechter op dat moment een nieuwe zitting bepalen. Betrokkenen worden hierover later geïnformeerd. Zoals is besproken kan, indien de GI overgaat tot indiening van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, dit gelijktijdig worden behandeld. De kinderrechter streeft ernaar om de zaak van [minderjarige] onder zich te houden.
6.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige] aan
tot 23 maart 2026 PRO FORMAin afwachting van de informatie van de GI zoals weergegeven onder rechtsoverweging 6.5;
7.2.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 12 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.