ECLI:NL:RBZWB:2026:1311

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
1 maart 2026
Zaaknummer
C/02/432456 / FA RK 25-1041
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
  • Van Leuven
  • Skrotzki
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BWArt. 1:275 BWArt. 1:276 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag over minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om het ouderlijk gezag van beide ouders over een minderjarige te beëindigen. De minderjarige is sinds 2021 onder toezicht gesteld en woont sinds december 2021 in een gezinshuis. De Raad stelde dat de minderjarige in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd door de situatie met haar ouders, ondanks dat de ouders betrokken zijn en het beste met haar voor hebben.

De minderjarige ervaart stress en angst door het gezag van haar ouders, wat haar ontwikkeling belemmert. De gecertificeerde instelling (GI) is bereid de voogdij op zich te nemen en biedt een stabiele omgeving waarin de minderjarige zich kan ontwikkelen. Zowel de moeder als de vader hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek en stemmen in met de beëindiging van het gezag.

De rechtbank oordeelt dat aan de wettelijke vereisten voor gezagsbeëindiging is voldaan, mede gelet op artikel 1:266 BW Pro en artikel 8 EVRM Pro. De GI wordt benoemd tot voogd en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De ouders behouden het recht op contact met de minderjarige, waarbij de GI een coördinerende rol zal vervullen.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van beide ouders over de minderjarige wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling wordt benoemd tot voogd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/432456 / FA RK 25-1041
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.P.J. Brouwers uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
voorheen advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten uit Venlo ,
thans zonder advocaat,
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
locatie Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
[de gezinshuisouders],
hierna te noemen de gezinshuisouders,
wonende in [woonplaats 1] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het op 26 februari 2025 ontvangen verzoekschrift van de Raad met bijlagen;
  • het bericht van de Raad van 21 juli 2025 met bijlage;
  • de brief van de GI van 20 januari 2026 met bijlagen;
  • het op 26 januari 2026 ontvangen verweerschrift van de moeder;
  • de door de GI ter zitting overgelegde brief van [orthopedagoog-generalist] werkzaam bij [zorgorganisatie] van 27 januari 2026.
1.2.
Op 29 januari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • de gezinshuisouders;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met kinderrechter mr. Van de Kraats. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met goedvinden van [minderjarige 1] , samengevat wat [minderjarige 1] haar heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] is tijdens het huwelijk van de ouders geboren.
2.2.
Uit het huwelijk van de ouders is ook [minderjarige 2] , het jongere zusje van [minderjarige 1] , geboren. Het verzoek van de Raad heeft geen betrekking op [minderjarige 2] . De rechtbank heeft het in deze beschikking dan ook alleen over [minderjarige 1] .
2.3.
De ouders, die in 2021 van elkaar zijn gescheiden, zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.4.
[minderjarige 1] staat sinds 22 juni 2021 onder toezicht van de GI. Zij is met ingang van 5 augustus 2021 op basis van een machtiging uit huis geplaatsten verblijft (samen met [minderjarige 2] ) sinds 3 december 2021 in een gezinshuis waar zij tot op heden woont. Deze maatregelen zijn daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 18 juni 2025 tot
22 juni 2026.
2.5.
Bij beschikking van 27 juni 2024 is bepaald dat [minderjarige 1] en de ouders recht hebben op contact met elkaar, waarbij aan [minderjarige 1] de regie wordt gegeven om al dan niet aan te sluiten bij de driewekelijkse contactmomenten die [minderjarige 2] met de ouders heeft.
2.6.
[minderjarige 1] heeft sinds juli 2024 op haar initiatief geen contact meer met haar ouders.
2.7.
De GI heeft zich bij brief van 21 februari 2025 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige 1] te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogdes over [minderjarige 1] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft, onder verwijzing naar het raadsrapport van 25 februari 2025, samengevat, naar voren gebracht dat [minderjarige 1] in haar jonge leven is blootgesteld aan agressie, verwaarlozing en structurele onveiligheid toen zij bij haar ouders woonde. Hierdoor is een ontwikkelingsbedreiging ontstaan waarbij [minderjarige 1] in haar algehele ontwikkeling beschadigd is geraakt. Zij was getraumatiseerd, had de zorg voor haar zusje [minderjarige 2] overgenomen en had last van depressieve gevoelens.
Deze ontwikkelingsbedreiging is deels opgeheven door de plaatsing van [minderjarige 1] bij haar huidige gezinshuisouders en doordat [minderjarige 1] therapieën heeft gevolgd. Het gaat hierdoor nu redelijk goed met [minderjarige 1] , maar dit betekent niet dat zij niet meer ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige 1] ervaart namelijk continue stress, druk en angst vanuit de gedachte dat de ouders, die beiden belast zijn met het gezag over haar, regie en zeggenschap over haar hebben en aldus beslissingen over haar mogen nemen. Dit beangstigt [minderjarige 1] zeer. [minderjarige 1] heeft namelijk in haar leven ervaren dat zij niet onvoorwaardelijk kan vertrouwen en bouwen op de zorg van haar ouders. Door dit alles is [minderjarige 1] continu alert, heeft zij soms nog last van nachtmerries, blijft ze terugvallen in het verleden en heeft zij minder ruimte in haar hoofd voor school en sociale activiteiten.
[minderjarige 1] verkeert niet (meer) in onzekerheid over de plaats waar zij zal opgroeien omdat het perspectief van [minderjarige 1] door de GI in mei 2024 is bepaald bij de gezinshuisouders, waar de ouders achter staan. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] om onzekerheid te hebben over wie en hoe beslissingen over haar worden genomen is echter (wel) verstreken. De ontwikkeling van [minderjarige 1] lijdt onder het gezag van de ouders. Niet omdat de ouders te nemen gezagsbeslissingen tegenwerken of anderszins, maar omdat [minderjarige 1] dagelijks enorm wordt belast met het idee dat haar ouders nog zeggenschap over haar hebben. [minderjarige 1] heeft alles aangegrepen aan haar kant om te verwerken wat er in het verleden is gebeurd, zich positief verder te kunnen ontwikkelen en om haar ouders een plek te kunnen geven in haar leven. Van [minderjarige 1] kan hierin op dit moment niet meer worden verwacht. Ook de ouders, hoe zeer zij ook laten zien het beste met [minderjarige 1] voor te hebben, kunnen in deze niets meer doen of laten om het gevoel van [minderjarige 1] , dat zeer diep zit, binnen afzienbare termijn weg te nemen.
[minderjarige 1] wil verder met haar leven, maar het gezag van haar ouders zorgt ervoor dat zij dat onvoldoende kan. De kans op verdere schade aan de ontwikkeling van [minderjarige 1] en dat zij nog meer afstand van haar ouders gaat nemen, zal alleen maar groter worden wanneer de ouders het gezag over [minderjarige 1] behouden. Een lichter alternatief dan een gezags- beëindigende maatregel ten aanzien van beide ouders, zoals een voortzetting van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing of een plaatsing van [minderjarige 1] bij de gezinshuisouders in een vrijwillig kader, is dan ook niet in het belang van [minderjarige 1] . Een beëindiging van het gezag van beide ouders is nodig voor [minderjarige 1] zodat zij meer rust en veiligheid kan gaan ervaren en toe kan komen aan een onbelaste ontwikkeling.
De uitvoering van de voogdijmaatregel moet worden belegd bij de GI. De GI is in staat en bereid om als neutrale partij te kijken naar het belang van [minderjarige 1] en hierin de juiste keuzes te maken in het belang van [minderjarige 1] , en samen met [minderjarige 1] . [minderjarige 1] kan met een voogd spreken over haar wensen en behoeften aangaande haar ouders en kan daar ook meteen bij aansluiten door passende hulpverlening in te zetten als dat nodig is. Daarnaast geeft [minderjarige 1] aan goed contact te hebben met en vertrouwen te ervaren in de huidige betrokken [jeugdzorgwerker] , die de rol van voogd bij toewijzing van het verzoek op zich zal nemen.
4.2.
De GI heeft, onder verwijzing naar haar brief van 20 januari 2026 met bijlagen en de brief van [orthopedagoog-generalist] van 27 januari 2026, aangevoerd dat zij achter het verzoek van de Raad staat.
[minderjarige 1] heeft binnen de ondertoezichtstelling mooie stappen gemaakt. Ze ontwikkelt zich goed in het gezinshuis en heeft zich gezond gehecht aan haar gezinshuisouders. Ook op school maakt [minderjarige 1] cognitief een goede ontwikkeling door. Op emotioneel gebied draagt [minderjarige 1] echter nog veel van vroeger met zich. [minderjarige 1] voelt dat zij nooit kind heeft kunnen zijn en ervaart in contact met leeftijdgenootjes dat ze een heel andere ontwikkeling als kind heeft doorgemaakt. Haar onschuld is ontnomen en zij is binnen de thuissituatie van de ouders overbelast en verwaarloosd op zowel fysiek als emotioneel gebied. Er was geen oog voor haar pijn. Er zit veel boosheid bij [minderjarige 1] naar haar ouders.Het is voor [minderjarige 1] moeilijk om een streep onder het verleden te zetten en om zich te richten op haar toekomst. Het vertrouwen in de mens is [minderjarige 1] gedurende haar kindheid bij de ouders kwijtgeraakt. Hierdoor heeft ze moeite om connectie te maken met leeftijdgenootjes. Het kost haar moeite om anderen dichtbij te laten komen.
De ouders zijn voor [minderjarige 1] , gelet op alles dat zij met hen heeft meegemaakt en nog steeds meemaakt, niet betrouwbaar, stabiel of besluitvaardig. Dit maakt dat [minderjarige 1] onzekerheid ervaart over haar bestaanszekerheid. Dit terwijl [minderjarige 1] als jong meisje van veertien jaar, die zich volop aan het ontwikkelen is, de kans moet krijgen om te kunnen puberen en haar identiteit te ontwikkelen. [minderjarige 1] heeft de afgelopen jaren hard gewerkt aan haar eigen ‘ik’ en is daar nog steeds volop mee bezig. Helaas wordt haar ontwikkeling belemmerd door haar zorgen en angsten rondom het ouderlijk gezag. [minderjarige 1] ervaart mentaal en emotioneel veel last ervan dat haar ouders het gezag over haar hebben. Zij is een heel pienter en wijs meisje, dat haar ouders al enkele jaren geleden heeft overschreden. Indien aan het verzoek tot gezagsbeëindiging, dat [minderjarige 1] zeer graag wenst, geen gehoor wordt gegeven, betekent dit voor [minderjarige 1] opnieuw dat zij de bevestiging krijgt dat de mening van volwassenen belangrijker is dan die van haar en dat haar gevoel en wens er niet toe doen. De kans op een terugval in haar trauma’s en depressie is dan zeer aannemelijk en absoluut niet wat [minderjarige 1] nodig heeft om zich tot een gezonde adolescente te ontwikkelen.
Het is in het kader van de ontwikkeling van [minderjarige 1] noodzakelijk dat het gezag van de ouders wordt beëindigd. Alleen dan kan [minderjarige 1] verder met haar eigen ontwikkeling. Een gezagsbeëindiging van beide ouders betekent niet dat de ouders geen rol meer spelen in het leven van [minderjarige 1] . De ouders blijven immers de ouders van [minderjarige 1] , en door de GI zal, waar mogelijk, worden ingezet op (een vorm van) contact tussen [minderjarige 1] en de ouders. Hierin zal blijvend geïnvesteerd worden. De huidige betrokken [jeugdzorgwerker] is bereid en in staat om de rol als voogd op zich te nemen.
4.3.
De moeder heeft ter zitting aangeven dat, hoewel zij voorafgaand aan de zitting een verweerschrift heeft ingediend, zij haar verweer tegen het verzoek van de Raad niet langer meer handhaaft. De moeder kan instemmen met het verzoek van de Raad tot beëindiging van haar gezag en het gezag van de vader over [minderjarige 1] .
4.4.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij geen verweer voert tegen het verzoek van de Raad. In het belang van [minderjarige 1] kan de vader achter een gezags- beëindiging van beide ouders staan.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de ouders over [minderjarige 1] is gebaseerd op artikel 1:266, eerste lid, en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
5.3.
Op basis van de voorliggende stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd is voor de rechtbank voldoende komen vast te staan dat [minderjarige 1] , gezien de problematiek die bij haar speelt, ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] niet binnen een aanvaardbare termijn kunnen dragen nu het opvoedperspectief van [minderjarige 1] , zoals ook onderschreven door de ouders, bij de gezinshuisouders ligt. Dit betekent dat aan de wettelijke vereisten voor een beëindiging van het gezag van de ouders wordt voldaan.
5.4.
Gezagsbeëindiging is een verstrekkende en ingrijpende maatregel, waardoor inmenging plaatsvindt in het gezinsleven van ouder en kind. Op deze inmenging is artikel 8 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) van toepassing. Blijkens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan van beëindiging van het ouderlijk gezag slechts sprake zijn op het moment dat is gebleken dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of voortduring van het gezag van de ouders schadelijk is voor [minderjarige 1] .
5.5.
De rechtbank is op grond van de voorliggende stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd van oordeel dat is onderbouwd en gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] (nog verder) zal worden geschaad als de ouders het gezag over haar zouden behouden. De rechtbank onderschrijft hetgeen de Raad en de GI hierover naar voren hebben gebracht. Daarbij stelt zij uitdrukkelijk vast dat bij de ouders geen sprake is van onwil, in de zin dat zij niet meewerken aan zaken die geregeld moeten worden voor [minderjarige 1] en/of belangrijke gezagsbeslissingen in de weg staan. Integendeel, de ouders zijn betrokken bij [minderjarige 1] en de rechtbank is gebleken dat zij het allerbeste willen voor [minderjarige 1] . Voor [minderjarige 1] is het echter, vanwege haar voorgeschiedenis met haar ouders waarin zij is blootgesteld aan agressie, verwaarlozing en structurele onveiligheid, niet langer meer te dragen dat haar ouders het ouderlijk gezag over haar hebben. Dit belast haar namelijk dusdanig, dat zij vastloopt in haar ontwikkeling. Belangrijk is dat [minderjarige 1] niet alleen de ruimte gaat krijgen, maar ook gaat voelen en nemen om zich te ontwikkelen tot een evenwichtige volwassene. Zij heeft behoefte aan vrijheid en rust om met vertrouwen aandacht te kunnen gaan geven aan haar eigen ik. De rechtbank complimenteert de ouders met het grootse gebaar dat zij op de zitting hebben gemaakt door naar [minderjarige 1] te luisteren en de begrijpelijke, maar moeilijke beslissing te nemen door in te stemmen met een beëindiging van hun gezag. Daarmee doen zij als ouders weliswaar een stap terug, maar bieden zij [minderjarige 1] de ruimte die zij nodig heeft om een verdere groei in haar ontwikkeling door te kunnen maken.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan zowel het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het BW, als aan het criterium van artikel 8 EVRM Pro is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de ouders in het belang van [minderjarige 1] is. Het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de ouders zal worden toegewezen.
5.7.
Nu de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, van het BW een voogd over haar te benoemen. De Raad heeft geadviseerd dit bij de GI te beleggen. De rechtbank kan zich vinden in dit advies. De GI is al langere tijd betrokken bij [minderjarige 1] , en is vanuit haar deskundigheid en professie toegerust om de belangen van [minderjarige 1] te behartigen. De GI heeft zich op 21 februari 2025 schriftelijk en tijdens de zitting mondeling bereid verklaard de voogdij op zich te nemen, waarbij de huidige betrokken [jeugdzorgwerker] , met wie [minderjarige 1] een goede en vertrouwde band heeft, in staat is de rol van voogd op zich te nemen. De GI zal dan ook worden belast met de voogdij over [minderjarige 1] .
5.8.
Deze beslissing betekent niet dat de ouders geen rol meer kunnen spelen in het leven van [minderjarige 1] . De ouders zullen altijd de ouders van [minderjarige 1] blijven. Het verlies van het ouderlijk gezag behoeft niet te leiden tot een beperking van het recht op contact met [minderjarige 1] en omgekeerd De ouders behouden het recht en de plicht om contact te hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 1] heeft onverminderd recht op contact met de ouders. Wat daarin mogelijk is kan onder de regie van de GI, en in samenspraak met [minderjarige 1] , worden verkend en ingevuld. Er wordt vanuit gegaan dat alle betrokkenen zich zullen inzetten voor een betekenisvolle rol van de ouders in het leven van [minderjarige 1] , op een wijze die passend is bij de persoon, ontwikkeling en belastbaarheid van [minderjarige 1] .
5.9.
Zoals door de Raad verzocht, zal de rechtbank de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing, ook als iemand in hoger beroep gaat, direct geldt.
5.10.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276, eerste lid, van het BW worden de ouders, als ouders waarvan het gezag wordt beëindigd, voor zover de ouders het bewind voerden over het vermogen van [minderjarige 1] , veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan de opvolger in dit bewind. Dit betekent dat de ouders de GI op de hoogte moeten stellen van alle geldzaken die over [minderjarige 1] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige 1] de geldzaken kan regelen.
5.11.
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[de moeder], geboren op [geboortedag 2] 1993 in [geboorteplaats 2] en
[de vader], geboren op [geboortedag 3] 1991 in [geboorteplaats 3] , over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ;
6.2.
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
6.3.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het gezagsregister;
6.4.
bepaalt dat de ouders rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. Van de Kraats, voorzitter, en mr. Van Leuven en mr. Skrotzki, allen kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier en schriftelijk vastgesteld op 5 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.