ECLI:NL:RBZWB:2026:1301

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2869
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting niet-ontvankelijk verklaard

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting van de gemeente Tilburg. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het na de wettelijke termijn was ingediend.

Belanghebbende stelde dat het bezwaar tijdig was verzonden op 7 april 2025 en beriep zich op de verzendtheorie van artikel 6:9, tweede lid, Awb. De poststempel op de envelop was echter gedateerd op 10 april 2025, wat na de termijn viel. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat het bezwaar eerder was verzonden.

De rechtbank oordeelde dat de poststempel als bewijsrechtelijk uitgangspunt geldt en dat het bezwaar daarom te laat was ingediend. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de uitspraak op bezwaar in stand bleef en belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding kreeg.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2869
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 7 mei 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak op het [adres] te [plaats] op 1 januari 2024 vastgesteld op € 464.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Tilburg voor het jaar 2025 opgelegd (de aanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende: belanghebbende en [persoon] .
Namens de inspecteur hebben deelgenomen [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .

Feiten

2. De termijn om bezwaar te maken tegen de beschikking en aanslag liep tot en met 8 april 2025.
2.1.
Belanghebbende heeft het bezwaarschrift per post verzonden. Het is door hemzelf gedateerd op 7 april 2025. Het stuk is op 11 april 2025 ontvangen door de heffingsambtenaar.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar het bezwaar gericht tegen de beschikking en aanslag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.

Motivering

4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het bezwaar tijdig is ingediend. Hij beroept zich daarbij op de verzendtheorie van artikel 6:9, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en voert hiertoe aan dat het bezwaarschrift binnen één week na afloop van de bezwaartermijn door de gemeente (de heffingsambtenaar) is ontvangen. Belanghebbende stelt daarnaast dat hij het bezwaar op 7 april 2025 heeft verzonden. Hij betwist niet dat de poststempel op de betreffende envelop is gedateerd op 10 april 2025, maar volgens hem is de poststempel door PostNL ten onrechte op een latere datum gezet.
4.2.
Op grond van artikel 6:9, tweede lid, Awb is een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan één week na afloop van de termijn is ontvangen.
4.3.
In gevallen waarin een poststempel met datum is geplaatst, moet als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. [1] Uit de poststempel van PostNL volgt dat het bezwaarschrift op 10 april 2025 aan PostNL is aangeboden voor verzending. Dat is na afloop van de bezwaartermijn. Het is dan aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift op een eerdere datum dan de poststempel aangeeft – en wel uiterlijk op de laatste dag van de termijn – ter post is bezorgd. In dat kader heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij het bezwaarschrift op 7 april 2025 na 18:00 uur in een brievenbus heeft gedaan. 7 april 2025 was een maandag, zodat het tijdstip van posten in beginsel hooguit tot gevolg zou kunnen hebben dat het poststempel één dag later (op 8 april 2025) gedateerd zou zijn. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die kunnen verklaren waarom de poststempel is gedateerd op drie dagen na de door belanghebbende gestelde datum van terpostbezorging. De rechtbank gaat daarom uit van 10 april 2025 als datum van de terpostbezorging.
4.4.
Gelet op het voorgaande is het bezwaar niet tijdig ingediend en heeft de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2138.