ECLI:NL:RBZWB:2026:1288

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
25/4160
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArtikel 8 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting Breda 2025

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Breda omdat hij zijn voertuig parkeerde zonder direct te betalen. De auto stond op 17 februari 2025 geparkeerd aan de Speelhuislaan, een gebied waar parkeerbelasting geldt. Hoewel belanghebbende zich om 18:42 uur aanmeldde via de parkeerapp, was dit 13 minuten na het parkeren.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie de parkeerbelasting terstond na het parkeren moet worden voldaan, met een redelijke termijn die in Breda is vastgesteld op 10 minuten. Omdat de aanmelding na deze termijn plaatsvond, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het delen van persoonsgegevens met commerciële partijen door mandaat gerechtvaardigd is.

Belanghebbende stelde meerdere keren betaald te hebben, maar kon dit niet bewijzen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de naheffingsaanslag in stand blijft en belanghebbende geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting 2025 is terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/4160
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 juli 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting voor het jaar 2025 in de parkeerbelasting opgelegd met [aanslagnummer] .
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen.
1.4.
De heffingsambtenaar is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De griffier heeft op 10 november 2025 in het digitaal dossier een bericht geplaatst waarbij partijen zijn uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan partijen verzonden naar het door partijen voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat de heffingsambtenaar dit bericht op 10 november 2025 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat de heffingsambtenaar correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Feiten

2. De auto met [kenteken] stond op 17 februari 2025 om 18:29 geparkeerd aan de Speelhuislaan in de gemeente Breda.
2.1.
Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.2.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van €52,80 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,80 en € 51,00 aan kosten van de naheffingsaanslag.
2.3.
De auto met [kenteken] is op 17 februari 2025 om 18:42 aangemeld via de parkeerapp.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overwegingen

Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
5. De Speelhuislaan in Breda is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waartegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [2]
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op 17 februari 2025 geparkeerd stond aan de Speelhuislaan te Breda.
5.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting 2025 onterecht is opgelegd. Belanghebbende erkent dat hij zijn voertuig heeft geparkeerd in een gebied waarin parkeerbelasting is verschuldigd. Hij diende zich aan te melden via de vergunninghouder bij wie hij op bezoek was, maar als gevolg van diverse omstandigheden heeft belanghebbende c.q. de vergunninghouder daaraan op dat moment geen prioriteit kunnen geven. Het voertuig is wel om 18:42 uur aangemeld.
5.3.
De rechtbank overweegt dat op grond van vaste jurisprudentie de parkeerbelasting terstond na aanvang van het parkeren dient te worden voldaan. Het risico van niet-tijdige voldoening rust op de belastingplichtige. Wel dient een redelijke termijn te worden gegund om aan de betalingsverplichting te voldoen. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift naar voren gebracht dat in de gemeente Breda een coulanceregeling van 10 minuten wordt gehanteerd bij betaald parkeren. De rechtbank is van oordeel dat daarmee wordt voldaan aan het vereiste dat een redelijke termijn moet worden gegund om aan de betalingsverplichting te voldoen. Vast staat dat in dit geval tussen het moment van parkeren en de aanmelding via de parkeerapp 13 minuten zijn verstreken. Daarmee is de redelijke termijn verstreken. Dat belanghebbende door omstandigheden geen prioriteit heeft kunnen geven aan het aanmelden via de parkeerapp, komt voor zijn eigen rekening en risico. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd.
5.4.
Voor zover belanghebbende zich beroept dat de gemeente zonder zijn toestemming privégegevens heeft gedeeld met een commerciële partij overweegt de rechtbank dat vaststaat dat Invoned en P1 On Street Management B.V. optreden namens de gemeente op basis van een mandaatregeling. Zij verrichten werkzaamheden in het kader van de uitvoering en handhaving van parkeerbeleid, waaronder de afhandeling van bezwaarprocedures. Gelet hierop volgt de rechtbank belanghebbende niet in zijn betoog dat sprake is van het ongeoorloofd delen van privégegevens met een commerciële partij.
5.5.
Verder heeft belanghebbende aangevoerd in totaal drie maal de verschuldigde naheffingsaanslag parkeerbelasting te hebben betaald: eenmaal direct aan de gemeente, waarna dit bedrag werd teruggestort en daarna nogmaals aan de gemeente en vervolgens (onder protest) aan Invoned. Belanghebbende heeft geen (betaal)bewijzen daarvan overgelegd, zodat de rechtbank dit niet kan vaststellen. Echter, voor zover belanghebbende daadwerkelijk een tweede keer heeft betaald aan de gemeente én deze tweede betaling (nog) niet is teruggestort, ligt het op de weg van de gemeente om dat bedrag als nog terug te storten.
5.6.
Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting 2025 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.Artikel 8 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2025 (de Verordening) gelezen in samenhang met het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2025.