ECLI:NL:RBZWB:2026:1278

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/02/443458 / JE RK 25-2310
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens aanhoudende ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds 2020 onder toezicht staat. De minderjarige heeft een onrustige periode doorgemaakt met wisselingen in verblijfplaats en ervaart emotionele belasting, vooral door wisselend contact met zijn vader. De GI benadrukt het ontbreken van een vaste dagbesteding en het risico op sociaal isolement.

De moeder erkent de zorgen en bevestigt haar inzet voor stabilisatie van de thuissituatie en ondersteuning van de minderjarige, die inmiddels sollicitaties doet en openstaat voor hulpverlening. De vader verzet zich tegen verlenging, wijst op persoonlijke omstandigheden en vraagt om alternatieven voor contact met de minderjarige.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging zijn vervuld. De ontwikkelingsbedreiging is nog aanwezig, de situatie is nog kwetsbaar en het contact met de vader vraagt om begeleiding. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 14 juli 2026, met een uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Het verzoek tot verdere verlenging wordt afgewezen om de termijn gelijk te laten lopen met die van de broertjes.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 14 juli 2026 vanwege aanhoudende ontwikkelingsbedreiging en kwetsbare situatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443458 / JE RK 25-2310
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.J.D.D. Burhenne te Weert.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter stelt tijdens de zitting vast dat de vader correct is opgeroepen, maar niet is verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 14 juli 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 14 juli 2020 en tot 14 juli 2021. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 14 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot 14 augustus 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft tijdens de zitting het verzoek en licht verder toe dat [minderjarige] een lange en onrustige periode heeft meegemaakt. Na een verblijf bij de vader is hij in september 2025 teruggekeerd naar zijn moeder waarna hij opnieuw structuur heeft moeten opbouwen. De GI ziet dat [minderjarige] hierdoor emotioneel belast is en dat oude ervaringen nog bij hem doorwerken. Een belangrijke zorg is dat [minderjarige] nog geen vaste dagbesteding heeft. Hoewel hij inmiddels over een geldig identiteitsbewijs beschikt en meerdere sollicitaties heeft lopen, is er nog geen concrete werk- of schoolplek. De GI vindt het risico aanwezig dat [minderjarige] zonder toezicht thuis komt te zitten en onvoldoende wordt voorbereid op zelfstandigheid. Daarnaast ervaart [minderjarige] sociaal isolement en mist hij zijn vader. Het contact met de vader verloopt wisselend en is voor [minderjarige] belastend vooral wanneer beloften niet worden nagekomen. Dit zorgt voor spanning en onrust. De GI vindt het belangrijk dat dit contact beter wordt gekaderd en dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over wat hij wel en niet kan verwachten. Aan hulpverlening is voor [minderjarige] een intake gepland op 3 februari 2026. [minderjarige] staat hier zelf voor open wat als positief wordt gezien. De GI ziet meer motivatie en medewerking dan in eerdere jaren maar vindt deze ontwikkeling nog kwetsbaar. Vrijwillige hulpverlening is op dit moment nog te pril. Daarom acht de GI voortzetting van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangegeven dat zij akkoord is met het verzoek van de GI. De moeder erkent dat de zorgen rondom [minderjarige] nog niet volledig zijn weggenomen. Sinds zijn terugkeer bij de moeder is sprake van zowel vooruitgang als terugval. De moeder zet zich actief in voor een verandering van haar thuissituatie, volgt een individueel traject en ontvangt hulp in het huishouden. De woning is weer op orde gebracht en er is meer structuur in het gezin. Voor [minderjarige] wordt gezocht naar welke dagbesteding passend voor hem is. Dit traject heeft wat vertraging opgelopen maar [minderjarige] is inmiddels aan het solliciteren en staat open voor behandeling. De moeder ziet de geplande intake hiervoor dan ook als een belangrijke stap. Het contact met de vader is volgens moeder belastend voor [minderjarige] zolang steeds de afspraken niet worden nagekomen. De moeder heeft daarom geen rechtstreeks contact met de vader. De communicatie loopt nu via de GI. De moeder vindt het belangrijk dat het contact met de vader duidelijk wordt gekaderd door de GI of dat er afspraken worden gemaakt om [minderjarige] te beschermen tegen teleurstellingen.
4.3.
De advocaat van de vader verzoekt tijdens de zitting namens de vader primair om afwijzing van het verzoek verlenging van de ondertoezichtstelling. Subsidiair bij toewijzing van het verzoek verzoekt de vader goed te onderzoeken welke alternatieven er zijn om het contact tussen de vader en [minderjarige] mogelijk te maken. De advocaat merkt op dat de ondertoezichtstelling inmiddels bijna drie jaar duurt en vraagt zich dan ook af wat de meerwaarde nog is nu de zorgen blijven bestaan. De vader heeft geen vertrouwen in de GI en wil geen direct contact met hen. Volgens de advocaat wil de vader wel betrokken zijn bij [minderjarige] maar lukt het hem door persoonlijke omstandigheden niet altijd om afspraken na te komen. Hij heeft een grote schuldenlast, een bijstandsuitkering en gezondheidsklachten wat het voor hem lastig maakt om zaken praktisch te regelen. Ook de geografische afstand speelt daarbij een rol. De advocaat benadrukt dat het hierbij gaat om onvermogen en niet om onwil. De vader staat open voor het inzetten van een externe instantie als buffer tussen hem en de GI als dit niet door de GI zelf wordt aangestuurd.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De beoordeling
5.3.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de periode tot 14 juli 2026. Het restant van het verzoek zal worden afgewezen. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
5.4.
Het is de kinderrechter gebleken dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog steeds aanwezig is. Dit omdat [minderjarige] gedurende een langere periode is blootgesteld aan instabiliteit en onrust. Hij heeft wisselingen in zijn verblijf gehad waaronder een periode bij de vader en een terugkeer naar de moeder waarna hij opnieuw structuur en veiligheid heeft moeten opbouwen. Deze ervaringen hebben een belastend effect gehad op zijn ontwikkeling. Daarnaast vindt de kinderrechter het zorgelijk dat [minderjarige] nog niet beschikt over een structurele en passende dagbesteding of onderwijsvoorziening. Hoewel [minderjarige] recent is gestart met sollicitaties is er nog geen concrete invulling gerealiseerd. Gelet op zijn voorgeschiedenis en zijn kwetsbaarheid bestaat het risico dat [minderjarige] zonder ondertoezichtstelling onvoldoende wordt voorbereid op zelfstandigheid en deelneming in de maatschappij.
5.5.
Verder is het de kinderrechter gebleken dat de moeder zich inzet om de situatie te stabiliseren. Zij volgt een individueel hulpverleningstraject dat positief verloopt en haar huishouden is weer op orde gebracht. De kinderrechter ziet deze stappen als positief maar is van oordeel dat deze positieve ontwikkelingen nog pril zijn. Daarnaast speelt het contact met de vader een significante rol in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] trekt sterk naar zijn vader en wordt emotioneel belast wanneer verwachtingen of toezeggingen door de vader niet worden nagekomen. Het is noodzakelijk dat hierin begeleiding en begrenzing plaatsvindt en dat voor [minderjarige] duidelijkheid ontstaat over wat hij wel en niet van zijn vader kan verwachten. Het door de GI onderzochte overleg over het creëren van een buffer tussen de vader en de GI acht de kinderrechter in dit kader passend en noodzakelijk. De kinderrechter betreurt dat het contact tussen de vader en de GI is gestagneerd en geeft de GI mee hierin nog naar alternatieven te onderzoeken. Daarbij merkt de kinderrechter op dat een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid bij de vader ligt. Van hem mag worden verwacht dat hij de afspraken nakomt en dat hij zich betrouwbaar opstelt richting zowel [minderjarige] als de GI.
5.6.
Vanwege het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging voor de duur van vijf maanden passend is om de ingezette hulpverlening te kunnen voortzetten, zicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige] en te werken aan een structurele dagbesteding en stabiliteit. Het resterende deel van het verzoek zal worden afgewezen zodat de afloop van de termijn van de ondertoezichtstelling weer gelijk loopt met de broertjes van [minderjarige] , te weten [persoon 1] en [persoon 2] .
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van vijf maanden, te weten met ingang van 14 februari 2026 en tot 14 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 10 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.