4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kaderVoor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van (hard)drugs moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte wist dat er cocaïne aanwezig was en dat zij daarover feitelijke macht kon uitoefenen. Onder feitelijke macht uitoefenen kan in dit concrete geval worden verstaan de mogelijkheid om de cocaïne in handen te nemen. Die mogelijkheid heeft in elk geval bestaan als de verdachte gedurende enige tijd op de plaats waar de cocaïne lag, aanwezig is geweest. In dat verband stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast op basis van de in bijlage II uitgewerkte bewijsmiddelen.
Feiten en omstandigheden
Op 11 augustus 2025 is in een loods aan [adres 2] (hierna: de loods) ongeveer 126.000 gram cocaïne aangetroffen. Deze cocaïne zat verpakt in 2260 plastic buizen, gelijkend op bloemstengels. Deze stengels waren gebundeld en omringd met rozen, waardoor het boeketten met rozen leken te zijn. Die boeketten zaten verpakt in dozen met daarop de tekst ‘Flowers product of Colombia’. Ter plaatse zijn verdachte en haar verloofde tevens medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) aangehouden. Ook was zij te zien in de loods op camerabeelden van 10 en 11 augustus 2025.
Op 10 augustus 2025 om 14:41 uur komen verdachte en [medeverdachte 1] aan bij de loods. Verdachte draagt een grote zwarte tas bij zich en gaat samen met [medeverdachte 1] naar binnen. Binnen staat [medeverdachte 1] voornamelijk in de laadbak van een bakwagen. Hij scheidt de rozen van plastic stengels en legt die stengels apart in dozen. Verdachte geeft [medeverdachte 1] een stanleymes aan, waarmee hij de bundels los kan snijden. Verder harkt verdachte in de laadbak de rozenknoppen bij elkaar, haalt de etiketten van de dozen af en maakt de lege dozen klein. Verdachte en [medeverdachte 1] verlaten om 15:51 uur de loods, maar komen om 20:35 uur weer terug. Om 20:56 uur overhandigt verdachte de zwarte tas, die zij eerder die dag meenam naar de loods, en een (nog in cellofaan verpakte) rode kist aan [medeverdachte 1] . De kist en de tas worden door [medeverdachte 1] gevuld met stengels.
Op 11 augustus 2025 om 12:31 uur komen verdachte en [medeverdachte 1] samen de loods binnen. Om 13:02 uur bekijkt verdachte stengels die in een doos op de laadbak liggen. Ook geeft zij [medeverdachte 1] boeketten aan, die hij - net als de dag ervoor - uit elkaar haalt, zodat er plastic stengels resteren. De stengels legt hij bij de overige stengels in een doos. Vanaf 13:20 uur haalt verdachte boeketten uit de dozen en verwijdert van deze boeketten het verpakkingsmateriaal. Tot slot gaat zij verder met het scheuren en klein maken van de dozen. Verdachte en [medeverdachte 1] verlaten de loods om 13:49 uur, waarna zij buiten worden aangehouden.
Tussenconclusie feitelijke macht
Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de (in stengels verpakte) cocaïne zich op 10 en 11 augustus 2025 in de machtssfeer bevonden van verdachte en haar verloofde [medeverdachte 1] , met wie zij op die dagen meerdere uren nauw en intensief heeft samengewerkt. Daarbij heeft verdachte ook zelf de met cocaïne gevulde stengels in haar handen gehad.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte ook wetenschap had van deze cocaïne.
Wetenschap verdachte
Verdachte heeft tot en met de zitting ontkend te hebben geweten van de cocaïne. Na zich op advies van de verdediging bij de politie kort op haar zwijgrecht te hebben beroepen, zou verdachte volgens de verdediging vervolgens consequent hebben verklaard dat ze naar de loods ging om persoonlijke spullen te halen. Ze vond de situatie vreemd, maar is gebleven om [medeverdachte 1] te helpen. Later heeft ze verklaard dat ze dacht dat het om vuurwerk ging.
Voor het antwoord op de vraag naar de wetenschap van verdachte zal de rechtbank de verklaringen van verdachte beoordelen in het licht van de vastgestelde feiten en omstandigheden en het onderzoek ter zitting. Daartoe zet de rechtbank de verklaringen van verdachte eerst op een rij.
Op 13 augustus 2025 verklaart verdachte dat ze in de loods persoonlijke spullen ging uitzoeken van [medeverdachte 1] en haar. Ze kon er niet bij dus moest ze dozen aan de kant zetten. Ze zocht de map van haar opleiding, maar die hadden ze nog niet gezien. Zover waren ze nog niet. Op 10 augustus heeft ze wel een rode Dirk tas met spullen uit de loods meegenomen. Ze heeft (rechtbank: verder) alleen wat lege dozen op de bakwagen gezet, omdat ze niet bij haar eigen spullen kon. Het stond helemaal vol tot de deur, dus hebben ze die dozen op de bakwagen gezet. De dozen waren kapotgescheurd en daar zat karton in. Op de dozen stond Flowers of Columbia. Ze heeft rozen aangeraakt, omdat die op de spullen lagen, maar ze wist niet waar die vandaan kwamen. Ze heeft wel donkergroene buizen gezien, maar wist niet wat het was. Ze heeft ook een zwarte tas verplaatst. Ze weet niet waarom ze die heeft verplaatst en bij nadere vragen van de politie over deze tas beroept verdachte zich op haar zwijgrecht.
Bij de rechter-commissaris herhaalt ze op 14 augustus 2025 dat ze in de loods was om persoonlijke spullen uit te zoeken.
In een door haarzelf handgeschreven A-viertje van 10 november 2025 schrijft verdachte dat de vader van [medeverdachte 1] en zijn broer op 8 augustus 2025 was gestorven. Ze ging naar Etten-Leur (de rechtbank begrijpt naar de loods) om persoonlijke spullen uit te zoeken, maar het was zo’n bende dat ze uiteindelijk maar op is gaan ruimen. In eerste instantie vond ze het niet raar, omdat ze een flink aantal bossen rozen naar het mortuarium hadden gebracht om bij de vader van [medeverdachte 1] te leggen. Toch kreeg ze een onderbuikgevoel, want het was ook raar. Ze heeft gevraagd wat dit nou was, maar kreeg geen antwoord. Daarom had ze ook maar niet verder gevraagd. Ze dacht dat het vuurwerk was, gezien de vorm en omdat er op het etiket Litouwen stond. Er komt immers ook vuurwerk uit Litouwen. Er staat daar ook een vuurwerkfabriek. Ze had echt geen idee dat het coke was. Ze heeft daar een ander beeld bij, in de vorm van blokken ofzo, aldus verdachte.
Op 16 december 2025 heeft verdachte herhaald dat ze in de loods kwam voor haar spullen. Haar map van de opleiding tot voedingsdeskundige lag daar nog en die had ze nodig. Ze wilde [medeverdachte 1] ook niet alleen laten, omdat zijn vader twee dagen ervoor was overleden. Hij vroeg haar wel wat dingen aan te geven en dat heeft ze ook gedaan. Toen ze op de bakwagen klom kreeg ze wel een onderbuikgevoel en heeft ze gevraagd wat het was, maar ze kreeg geen antwoord. Ze dacht dat het vuurwerk was. Haar hoofddoel was om de studiemap te halen, maar ze wilde ook weten welke andere spullen er nog lagen. De buizen waren raar. Ze dacht dat het illegaal vuurwerk was vanwege de vorm. Ze dacht dat omdat ze op het etiket Litouwen zag staan en omdat er in de loods ook vuurwerk lag. Volgens haar lagen in de bakwagen de rozenblaadjes. Wat er verder in lag weet ze niet. Ze heeft er niet op gelet wat [medeverdachte 1] met de blaadjes en de stengels deed. [medeverdachte 1] vroeg haar een hark te pakken en ze heeft de rozenblaadjes in de bakwagen bij elkaar geveegd. Over de zwarte tas kan ze verklaren dat [medeverdachte 1] haar vroeg die aan te geven. Verder weet ze het niet.
Waar zij de grote zwarte tas bij de politie niet thuis kon brengen, heeft ze op zitting
- na confrontatie met de beelden - verklaard dat [medeverdachte 1] en zij de grote zwarte tas nieuw hadden gekocht. Volgens verdachte om hun persoonlijke spullen vanuit de loods in mee te nemen.
Conclusie rechtbank wetenschap en eindconclusie
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte dat zij in de loods was om persoonlijke spullen uit te zoeken en dat zij enkel wat dozen heeft verplaatst om bij die persoonlijke spullen te kunnen komen, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder door de camerabeelden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met [medeverdachte 1] is meegegaan om hem te helpen bij het uit elkaar halen van de bundels rozen en het verzamelen van de stengels met cocaïne. Werkzaamheden waar [medeverdachte 1] al twee dagen eerder mee bezig was geweest. Hoewel verdachte vooral het afval heeft opgeruimd dat door het uitpakken van de dozen en het scheiden van de deklading (de rozen) van de met cocaïne gevulde stengels was ontstaan, heeft zij ook andere wezenlijke bijdragen geleverd. De rechtbank wijst daarbij op de gloednieuwe rode kist die verdachte op enig moment op de bakwagen legt en die door [medeverdachte 1] gevuld wordt met stengels. Alsook de door verdachte en [medeverdachte 1] gekochte grote zwarte tas, die blijkens de camerabeelden niet bestemd was voor het vullen met persoonlijke spullen, maar om de cocaïnestengels in te doen. De rechtbank acht het daarbij van belang dat deze tas door verdachte en [medeverdachte 1] is gekocht nog voordat verdachte in de loods vol met dozen ’Flowers product of Colombia’ was geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders dan dat het verdachte vooraf al duidelijk is geweest wat de bedoeling van die aankoop was: vullen met (cocaïne)stengels. Bovendien liegt verdachte aantoonbaar in haar laatste politieverklaring van 16 december 2025 dat ze er niet op heeft gelet wat [medeverdachte 1] met de blaadjes en de stengels deed. Niet alleen heeft ze uren met haar neus er bovenop gestaan, maar ze geeft hem al tijdens hun eerste loodsbezoek op 10 augustus 2025 kort na binnenkomst een stanleymes om de bundels los te snijden. Tot slot is verdachte pas op 10 november 2025 met haar ‘alternatief scenario’ gekomen dat ze dacht dat het om illegaal vuurwerk ging. Net als de politie haar heeft voorgehouden, is ook de rechtbank geen vuurwerk bekend dat eruitziet als de (ruim tweeduizend) lange dunne groene plastic stengels die verstopt zaten in de rozenbundels. Bovendien staat [medeverdachte 1] regelmatig met een brandende sigaret, terwijl hij de stengels scheidt van de rozen, waardoor het voor verdachte toch ook duidelijk moet zijn geweest dat deze stengels geen vuurwerk konden bevatten.
De rechtbank concludeert dat de verklaringen van verdachte over het doel van haar loodsbezoek en de door haar in die loods verrichte activiteiten in strijd zijn met de waarheid. De enige reden daarvoor moet zijn dat zij heeft willen verbloemen dat zij wel degelijk wist dat het om stengels gevuld met cocaïne ging. Daarom kan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne wettig en overtuigend bewezen worden, zoals hierna onder 4.4. wordt weergegeven.