ECLI:NL:RBZWB:2026:1268

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
02-251899-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 lid 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen aanwezig hebben van 126 kilo cocaïne

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van ongeveer 126.000 gram cocaïne in een loods te Etten-Leur in de periode van 8 tot en met 9 augustus 2025. Verdachte was samen met zijn broer nauw betrokken bij het uitladen, organiseren en controleren van dozen met deklading en cocaïne.

De rechtbank baseerde haar oordeel op bewijsmiddelen waaronder verklaringen, observaties van verdachte die handschoenen klaargelegd had voordat de lading arriveerde, en zijn actieve deelname aan het scheiden van de rozen van de met cocaïne gevulde stengels. Verdachte gaf een ongeloofwaardige verklaring dat hij slechts stukadoorsspullen kwam halen en niet wist van de cocaïne.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne en dat hij een wezenlijke bijdrage leverde aan de drugshandel. Gezien de grote hoeveelheid drugs, de maatschappelijke impact van dergelijke misdrijven en het strafblad van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden op, met aftrek van het voorarrest.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het aanwezig hebben van circa 126 kilo cocaïne.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-251899-25
vonnis van de meervoudige kamer van 26 februari 2026
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
ingeschreven op het [adres 1] ,
ten tijde van het onderzoek op zitting preventief gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
raadsman mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 februari 2026 waarbij de officier van justitie mr. R. in ’t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (02-222628-25) en [medeverdachte 2] (0222265325).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 8 tot en met 11 augustus 2025 samen met anderen ongeveer 126.000 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, waarbij hij uitgaat van de periode 8 augustus 2025 tot en met 9 augustus 2025.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak, omdat verdachte geen wetenschap had van de cocaïne.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kaderVoor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van (hard)drugs moet kunnen worden vastgesteld dat die drugs zich in de machtssfeer van verdachte bevonden en hij daarvan ook wetenschap had. Onder wetenschap valt ook de situatie waarin verdachte de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van die drugs bewust heeft aanvaard. In dat verband stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast op basis van de bewijsmiddelen.
Feiten en omstandigheden
Op 8 augustus 2025 om 18:56 uur komt verdachte in een zwarte Skoda aangereden bij een loods aan de [adres 2] (hierna: de loods). Om 18:58 uur komt hij de loods binnen en legt daar een paar handschoenen op een zwart kastje. Op dat moment is zijn broer, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), al aanwezig in de loods. [medeverdachte 1] is een bakwagen aan het uitladen en daar bijna klaar mee. Verdachte heeft kort contact met [medeverdachte 1] en verlaat om 19:00 uur de loods, terwijl [medeverdachte 1] de inmiddels lege bakwagen naar buiten rijdt. Verdachte vertrekt in de zwarte Skoda en komt om 19:08 uur in de zwarte Skoda terug bij de loods, gevolgd door een witte Volkswagen Crafter met Litouws kenteken. [medeverdachte 1] steekt zijn duim op in de richting van deCrafter en wijst naar de loods, waarna de bestuurder de Crafter achteruit in de loods parkeert. Verdachte loopt de loods binnen en pakt de eerder door hem weggelegde handschoenen. Terwijl hij de handschoenen aan doet, kijkt hij in de richting van [medeverdachte 1] die op dat moment de chauffeur contant geld betaalt. Vervolgens begint [medeverdachte 1] met het uitladen van dozen uit de Crafter met de opdruk ‘Flowers product of Colombia’. Op basis van de etiketten op de dozen maakt [medeverdachte 1] een selectie: dozen die achterblijven en dozen die terug in de Crafter worden geladen. Verdachte helpt [medeverdachte 1] met het uitladen en organiseren van de dozen. Om 19:29 uur schudden verdachte en [medeverdachte 1] en de chauffeur elkaar de handen, waarna de chauffeur in de Crafter stapt en wegrijdt. Zodra de Crafter is vertrokken, parkeert [medeverdachte 1] de eerder door hem geleegde bakwagen in de loods en doet de roldeur dicht. Vanaf ongeveer 19:44 uur plaatst [medeverdachte 1] dozen in de laadbak van de bakwagen, opent ze en haalt er bundels met rozen uit. Verdachte is daar een groot deel van de tijd bij en kijkt al leunend over de bakwagen toe als [medeverdachte 1] de bundels uit elkaar haalt en de rozen weggooit waarna er (bundels met) stengels overblijven. Hij geeft [medeverdachte 1] daarvoor op enig moment ook gereedschap aan. Om 20:06 uur verlaten beiden het pand.
Op 9 augustus 2025 komen verdachte en [medeverdachte 1] om 19:47 uur samen de loods binnen. Verdachte doet bij binnenkomst handschoenen aan waarna hij en [medeverdachte 1] dozen met opdruk ‘Flowers product of Colombia’ verplaatsen. [medeverdachte 1] plaatst een aantal geopende dozen op de laadbak. Vervolgens kijken verdachte en [medeverdachte 1] uitgebreid naar een aantal stengels. Verdachte pakt een stengel beet en legt deze apart. Kort daarna breekt [medeverdachte 1] in het bijzijn van verdachte de stengel en bekijkt de inhoud ervan. Daarbij toont [medeverdachte 1] de inhoud meerdere keren aan verdachte. [medeverdachte 1] geeft verdachte een deel van de opengebroken stengel. Terwijl verdachte toekijkt, stopt [medeverdachte 1] zijn pink meerdere keren in de stengel waarna hij zijn pink naar zijn gezicht brengt. Om 20:09 uur stopt [medeverdachte 1] zijn pink in de stengel en vervolgens in zijn mond. Beiden verlaten de loods om 20:19 uur.
Op 11 augustus 2025 worden in de loods 2260 plastic buizen, gelijkend op bloemstengels, aangetroffen. In de stengels blijkt in totaal ongeveer 126.000 gram cocaïne te zitten.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat verdachte betrokken is geweest bij de aangetroffen cocaïne en dat de bijdrage van verdachte daarbij van groot gewicht is geweest. Verdachte komt op 8 augustus 2025 aan bij de loods als de bakwagen bijna leeg is en eruit gereden kan worden, zodat er ruimte is voor de Crafter met de dozen met deklading en cocaïne. Als de bakwagen door zijn broer uit de loods wordt gereden, gaat verdachte (de chauffeur van) de Crafter halen en helpt zijn broer na aankomst met het uitladen van de dozen. Dat verdachte bij aankomst op 8 augustus 2025 al wist dat dat stond te gebeuren, wordt voor de rechtbank bevestigd door zijn verklaring op zitting dat hij handschoenen aan deed om zich niet te snijden aan de dunne witte banden die om de dozen met ‘Flowers product of Colombia’ zaten. Verdachte had die handschoenen namelijk zelf meegenomen en klaargelegd toen er nog geen Crafter met dozen was. Nadat hij (de chauffeur van) de Crafter had gehaald en de Crafter de loods in was gereden, heeft verdachte de handschoenen aangedaan, terwijl hij nog niet de (complete) lading van de Crafter had gezien. Verdachte is vervolgens op 8 en 9 augustus 2025 ook aanwezig geweest bij het scheiden van de deklading bestaande uit rozen van de met cocaïne gevulde stengels door zijn broer. Daarbij hebben de stengels met cocaïne zich vanaf het moment van uitladen in de machtssfeer van verdachte bevonden en van zijn broer, met wie verdachte op 8 en 9 augustus 2025 nauw en bewust heeft samengewerkt. Gelet op de cruciale betrokkenheid van verdachte en het samen met zijn broer controleren van de inhoud van de stengels, kan het bovendien niet anders dan dat verdachte wist dat het om cocaïne ging.
Na eerder gezwegen te hebben, heeft verdachte op zitting - kort samengevat - verklaard dat hij op 8 augustus 2025 alleen even langs kwam om stukadoorsspullen te halen die in de loods lagen. Hij kon daar echter niet bij, omdat de bakwagen met zijn rechterkant de doorgang voor verdachte bij de rekken daar blokkeerde. Hij bevestigt dat hij nog even in de zwarte Skoda is weggereden. Niet om (de chauffeur van) de Crafter te halen, maar omdat hij nog “iets” bij “een vriend” op moest halen. Hij is teruggekomen en langer gebleven, omdat hij een behulpzaam type is en heeft niet aan zijn broer gevraagd waar het om ging. Na het breken van de stengel dacht hij dat het om gips ging om bloemen in te zetten. Gelet op de eerder vastgestelde feiten en omstandigheden en de conclusie hiervoor schuift de rechtbank deze verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde.
Gelet op het voorgaande kan het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen worden, zoals hierna onder 4.4. wordt weergegeven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 8 augustus 2025 tot en met 9 augustus 2025 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 126.000 gram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van het voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft samen met zijn broer 126 kilo cocaïne aanwezig gehad op 8 en 9 augustus 2025. De aangetroffen hoeveelheid harddrugs vertegenwoordigt een grote straatwaarde en ook de wijze waarop de harddrugs was verpakt doen vermoeden dat verdachte en zijn mededader een rol hebben gespeeld in de georganiseerde drugshandel, waarvan bekend is dat deze ernstige gevolgen heeft voor de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid. De productie, handel in en consumptie van harddrugs (of voorbereiding daarvan) veroorzaken regelmatig overlast en genereren andere vormen van criminaliteit, waaronder zelfs liquidaties. Bovendien investeren of spenderen dergelijke organisaties hun in de onderwereld illegaal behaalde winsten doorgaans in de bovenwereld, waardoor vermenging van de boven- en onderwereld plaatsvindt. Dergelijke misdrijven hebben dan ook een ontwrichtend en ondermijnend effect op de samenleving als geheel. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan een wezenlijke bijdrage geleverd.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in twee proeftijden van voorwaardelijke veroordelingen liep ten tijde van het plegen van het feit. Hem hing onder andere drie maanden gevangenisstraf boven het hoofd voor vuurwapenbezit. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich hierdoor niet heeft laten weerhouden van het plegen van het feit. Bovendien heeft hij geen openheid van zaken gegeven. Hij heeft bij de politie gezwegen en tegenover de rechtbank een ongeloofwaardige verklaring afgelegd. Verdachte heeft daarmee geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
De rechtbank houdt bij de strafmaat rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van de rechtbanken en hoven (LOVS). Voor het aanwezig hebben van meer dan 20 kilo harddrugs geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van op zijn minst 36 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank bij de strafmaat gekeken naar de procesafspraken die zijn gemaakt in de zaak van de broer van verdachte. Daarbij gold als uitgangspunt een gevangenisstraf van 54 maanden en een geldboete. Dit is in het kader van de procesafspraken verlaagd naar 42 maanden en een geldboete.
Evenals de officier van justitie neemt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden tot uitgangspunt. Gelet op de beperktere rol van verdachte ziet de rechtbank echter aanleiding om van de door de officier van justitie gevorderde straf af te wijken, wat resulteert in een matiging van de straf met een derde deel. Gelet op het strafblad en de proceshouding van verdachte is er geen reden voor een verdere matiging of een voorwaardelijk deel. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 36 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter,
en mr. R.J.H. de Brouwer en mr. P.K.J. van der Wal, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 februari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 8 augustus 2025 tot en met 11 augustus 2025 te Etten-Leur, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 126.000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
( art 10 lid 3 Opiumwet Pro, art 2 ahf Pro/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )