Op 23 maart 2025 vond op station Tilburg een incident plaats waarbij verdachte [verdachte] betrokken was. Hij bedreigde twee personen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en mishandelde één van hen met een vuistslag. De rechtbank oordeelde dat niet met redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat het gebruikte wapen een echt vuurwapen was, waardoor verdachte werd vrijgesproken van poging tot moord of doodslag.
De rechtbank achtte de bedreiging met het nepvuurwapen en de mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan, maar de rechtbank verwierp deze verweren omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op het moment van de feiten.
De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden op, rekening houdend met de ernst van de feiten, de impact op omstanders en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en blanco strafblad. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot immateriële schadevergoeding, die bij de burgerlijke rechter kunnen worden ingediend.
Het in beslag genomen imitatiepistool werd onttrokken aan het verkeer. De voorlopige hechtenis van verdachte werd opgeheven met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde straf. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda op 27 februari 2026.