ECLI:NL:RBZWB:2026:1242

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
11710336 CV EXPL 25-1779 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Sierkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling verzekeringspremie wegens niet vaststaande autoverzekeringsovereenkomst

Unigarant vordert betaling van een verzekeringspremie van €375,86 van gedaagde op grond van een vermeende autoverzekeringsovereenkomst. Gedaagde betwist gemotiveerd dat hij een dergelijke overeenkomst is aangegaan en voert aan dat sprake is van identiteitsfraude met zijn gegevens.

Unigarant baseert haar vordering op een online ingevuld polisaanvraagformulier met gegevens die overeenkomen met gedaagde, maar gedaagde ontkent het formulier te hebben ingevuld en overlegt bewijs dat hij niet woonachtig was op het opgegeven adres, geen eigenaar was van het verzekerde voertuig en het opgegeven rekeningnummer niet van hem is. Unigarant kan niet met zekerheid aantonen dat de overeenkomst door gedaagde is gesloten.

De rechtbank oordeelt dat Unigarant onvoldoende bewijs heeft geleverd om de overeenkomst vast te stellen en wijst de vordering af. Tevens worden de proceskosten aan Unigarant opgelegd, omdat gedaagde terecht verweer heeft gevoerd en de communicatieproblemen niet aan hem zijn toe te rekenen.

Uitkomst: De vordering tot betaling van de verzekeringspremie wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het bestaan van de verzekeringsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11710336 \ CV EXPL 25-1779
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
UNIGARANT N.V., MEDE H.O.D.N. ANWB VERZEKEREN,
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: Unigarant,
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.J.W. Raas.
De zaak in het kort
Unigarant vordert betaling van de verzekeringspremie op grond van een autoverzekering die [gedaagde] met Unigarant zou hebben gesloten. [gedaagde] betwist gemotiveerd dat hij een autoverzekering is aangegaan. Er komt niet vast te staan dat partijen een verzekeringsovereenkomst met elkaar zijn overeengekomen. De vordering van Unigarant wordt daarom afwezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 24 april 2025 met producties,
  • de conclusie van antwoord met producties,
  • de conclusie van repliek met één productie,
  • de conclusie van dupliek met één productie,
  • de akte uitlating productie van Unigarant.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
Unigarant vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 375,86, vermeerderd met rente en kosten. Unigarant legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] zijn betalingsverplichting uit de autoverzekeringsovereenkomst niet is nagekomen.
2.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Unigarant, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Unigarant, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Unigarant in de kosten van deze procedure, vermeerderd met rente. [gedaagde] betwist dat hij een autoverzekeringsovereenkomst is aangegaan.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Unigrant wil dat [gedaagde] de premie betaalt op grond van een verzekeringsovereenkomst die partijen met elkaar zijn aangegaan. [gedaagde] betwist dat hij een overeenkomst met Unigarant is aangegaan. De bewijslast van de stelling dat partijen een overeenkomst met elkaar zijn aangegaan op grond waarvan [gedaagde] verplicht is om de premie te betalen, ligt bij Unigarant.
3.2.
Volgens Unigarant is op 17 december 2020 een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen via de website van Unigarant. Unigarant onderbouwt haar stelling met een (online ingevuld) polis aanvraagformulier. Hierop staan gegevens van [gedaagde] , zoals onder meer zijn naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres en de gegevens van de auto die wordt verzekerd.
3.3.
[gedaagde] betwist dat hij het aanvraagformulier heeft ingevuld. Volgens hem is er identiteitsfraude gepleegd met zijn gegevens. Hij geeft aan dat zijn naam en geboortedatum op het aanvraagformulier juist zijn, maar dit geldt niet voor de overige gegevens. Zo voert hij aan dat hij nooit woonachtig is geweest op het ingevulde adres in [plaats 2]. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een BRP-uittreksel met zijn adreshistorie overgelegd waaruit dit blijkt. Daarnaast is het voertuig waarvoor de verzekering is afgesloten, een Ford Ka, hem ook onbekend. Ter onderbouwing hiervan overlegt hij een RDW-overzicht waaruit volgt dat [gedaagde] de afgelopen 9 jaar nooit eigenaar is geweest van een dergelijk voertuig en waaruit ook blijkt dat hij rond december 2020 geen auto op zijn naam had staan. Verder is het vermelde e-mailadres [gedaagde] onbekend. Ook het opgegeven rekeningnummer is hem niet bekend en ook nooit bij hem in gebruik geweest. Ter onderbouwing hiervan overlegt hij een afschrift van een IBAN-check met het betreffende rekeningnummer.
3.4.
Unigarant heeft vervolgens aangegeven dat zij verder niet met 100% zekerheid kan onderbouwen dat zij een overeenkomst met [gedaagde] is aangegaan. De kantonrechter is van oordeel dat Unigarant hiermee tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld dat de overeenkomst daadwerkelijk door [gedaagde] is aangegaan.
Dat het lastig is voor Unigarant om de ingevulde gegevens van een aanvrager van een verzekering te controleren en dat zij wel vaker tegen vormen van identiteitsfraude aanloopt is erg vervelend, maar dit komt nu helaas voor haar rekening en risico in deze procedure.
3.5.
De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat op 17 december 2020 een autoverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen tussen Unigarant en [gedaagde] . Dit betekent dat er ook geen betalingsverplichting bestaat voor [gedaagde] en dus dat de vorderingen van Unigarant moeten worden afgewezen.
Proceskosten
3.6.
Volgens Unigarant was het niet noodzakelijk voor [gedaagde] om een advocaat in te schakelen en moeten de proceskosten daarom voor zijn rekening komen, maar hier gaat de kantonrechter niet in mee. Zoals Unigarant zelf ook al zegt is de keuze van procesvertegenwoordiging in deze kantonprocedure het goed recht van [gedaagde] .
3.7.
Unigarant heeft ook nog aangevoerd dat [gedaagde] pas inhoudelijk verweer heeft gevoerd in deze procedure en dat als hij dit in het minnelijke traject al had gedaan, deze procedure voorkomen had kunnen worden. [gedaagde] heeft hierop aangegeven dat hij pas door ontvangst van de dagvaarding bekend is geraakt met de vordering van Unigarant, omdat eerdere communicatie telkens werd gestuurd naar het (e-mail)adres uit het aanvraagformulier waarmee [gedaagde] niet bekend is. De brief van juni 2021 is wel naar het juiste adres van [gedaagde] gestuurd, maar deze brief heeft hem nooit bereikt. Dit laatste wordt door Unigarant niet meer betwist. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van nodeloos veroorzaakte kosten die meebrengen dat bepaalde (proces)kosten voor rekening van [gedaagde] moeten komen.
3.8.
Unigarant is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
43,50
Totaal
217,50
3.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen van Unigarant af,
4.2.
veroordeelt Unigarant in de proceskosten van € 217,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.3.
veroordeelt Unigarant tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sierkstra en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.