ECLI:NL:RBZWB:2026:1209

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
25/2709
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenECLI:NL:CRVB:2013:CA0342
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen wijziging WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid afgewezen

Eiseres, voormalig intercedent, viel op 6 februari 2020 uit wegens psychische klachten en ontving vanaf 2 juni 2022 een loongerelateerde WIA-uitkering. Het UWV wijzigde haar uitkering per 2 mei 2023 naar een vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%, waarna eiseres bezwaar maakte. Het bezwaar werd gegrond verklaard en het UWV stelde het percentage bij naar 55-65%.

De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) als zorgvuldig en vond geen aanleiding voor een aanvullend psychologisch of psychiatrisch onderzoek. De arbeidsdeskundige b&b gebruikte passende functies voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid, wat de rechtbank onderschreef. De berekende mate van arbeidsongeschiktheid bedroeg 61,9%.

Eiseres stelde dat zij volledig arbeidsongeschikt was en dat het UWV onterecht geen verdere urenbeperking had aangenomen, maar kon dit niet onderbouwen met medische gegevens. Ook haar beroep op aanzegjurisprudentie faalde omdat die jurisprudentie niet van toepassing is bij een verhoging van de arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar veroordeelde het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres, waarbij partijen overeenstemming bereikten over de hoogte van de proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het UWV-besluit over haar WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2709 WIA

uitspraak van 24 februari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),verweerder.

Procesverloop

1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 mei 2025 (bestreden besluit).
1.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 19 februari 2026. Partijen zijn -met voorafgaand bericht- niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als intercedent bij [bedrijf] . Voor dat werk is zij op 6 februari 2020 uitgevallen vanwege psychische klachten. Aan eiseres is met ingang van 2 juni 2022 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Het UWV heeft met een besluit van 25 april 2024 (primaire besluit) aan eiseres meegedeeld dat haar WIA-uitkering vanaf 2 mei 2023 wijzigt naar een vervolguitkering waarbij het UWV ervan uitgaat dat eiseres 45 tot 55% arbeidsongeschikt is. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2.1.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Het UWV heeft besloten dat eiseres per 2 mei 2023 behoort tot de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%. Aan eiseres is een proceskostenvergoeding van € 647,- toegekend.
3. Aan het bestreden besluit heeft het UWV een rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en eiseres onderzocht op het spreekuur van 4 maart 2025. Volgens de verzekeringsarts b&b is de belastbaarheid van eiseres afgenomen op 2 mei 2023. In aanvulling op de beperkingen die geldig zijn per 2 juni 2022 (weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 13 maart 2025) is eiseres volgens de verzekeringsarts b&b beperkt te achten op het item verdelen van aandacht. Om diezelfde reden dient eiseres in werk zo min mogelijk afgeleid te worden door activiteiten van anderen en is zij beperkt in het omgaan met veelvuldige storingen en onderbrekingen omdat zij verminderd in staat is haar aandacht te verleggen. In het sociaal functioneren is er reden om eiseres verder te beperken in het omgaan met klanten en patiënten/hulpbehoevenden en kan zij geen leidinggevende taken verrichten.
4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met het vastgestelde percentage arbeidsongeschiktheid. Volgens eiseres is zij volledig arbeidsongeschikt. Het UWV had een expertise door een onafhankelijk psycholoog of psychiater moeten laten uitvoeren. Ten onrechte is geen verdere urenbeperking aangenomen dan 4 uur per dag en 20 uur per week.
5. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat hij op de hoogte was van de door eiseres gestelde klachten, waaronder de psychische klachten. Eiseres heeft geen medische gegevens overgelegd die aanknopingspunten bieden om te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsarts b&b heeft aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voor de UWV daarom geen aanleiding om een deskundige in te schakelen.
6. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 mei 2023: medewerker input diensten (SBC-code 315140), coupeuse (SBC-code 272042) en medewerker binderij handmatig (SBC-code 268030).
6.1.
De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de voor eiseres geselecteerde
functies in medisch opzicht niet passend zijn. Haar standpunt dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit haar opvatting dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 5. heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
6.2.
Voor zover eiseres stelt dat in bezwaar nieuwe functies zijn geduid die ten onrechte niet met haar zijn besproken voordat een beslissing op bezwaar werd genomen overweegt de rechtbank dat zij deze stelling aldus begrijpt dat een beroep wordt gedaan op de zogenoemde aanzegjurisprudentie. De aanzegjurisprudentie ziet uitsluitend op een situatie waarin een uitkering wordt herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (zie uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:
CA0342). Dit is hier niet het geval. Reeds om deze reden faalt deze beroepsgrond.
6.3.
Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 61,9%. Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
7. Naar aanleiding van de stelling van eiseres in haar beroepschrift dat de in het bestreden besluit toegekende proceskostenvergoeding van € 647,- te laag is, heeft het UWV in haar verweerschrift aangegeven dat aan eiseres een bedrag van € 1.941 had moeten worden toegekend. Eiseres heeft vervolgens aangegeven dat zij zich hiermee kan verenigen. Dit onderwerp behoeft dus geen verdere bespreking meer.
Conclusie
8. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Gelet op rechtsoverweging 7. ziet de rechtbank aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Daarnaast moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep ongegrond;
-bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
-veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 24 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.