Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1201

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
24/8658
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 2.2 WaboArt. 2.18 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning wegens verlaten grondslag en onvoldoende motivering

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van meerdere eisers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge over de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van 15 tiny/medium houses.

De rechtbank oordeelt dat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten door vergunning te verlenen voor activiteiten die niet waren aangevraagd, namelijk het aanleggen van uitwegen en het uitvoeren van overige werkzaamheden. Daarnaast is het besluit op meerdere onderdelen onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd, onder meer ten aanzien van stedenbouwkundige inpassing, waterberging en geluidsbelasting.

De rechtbank vernietigt het besluit van 5 november 2024 en draagt het college op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8658

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

1.
[eiseres 1], eiseres 1,
2.
[eiser 2], eiser 2,
3.
[eiser 3], eiser 3,
4.
[eisers 4], eisers 4,
5.
[eiser 5], eiser 5,
6.
[eiseres 6], eiseres 6, en
7.
[eiser 7], eiser 7,
allen uit [woonplaats] , hierna samen te noemen ‘eisers’,
(gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge

(gemachtigde: mr. R. Timmermans).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
UArchitects B.V.uit Eindhoven (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college terecht een omgevingsvergunning heeft verleend aan vergunninghouder voor het plaatsen van 15 tiny/medium houses op de [adressen] in [woonplaats] . Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten door een omgevingsvergunning te verlenen voor twee activiteiten die niet zijn aangevraagd. Daarnaast is het besluit op meerdere onderdelen onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. Eisers krijgen gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 5 november 2024 (bestreden besluit) van het college waarbij een omgevingsvergunning is verleend aan vergunninghouder voor het bouwen van 15 tiny/medium houses op de [adressen] in [woonplaats] .
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres 1, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Namens het college waren ook aanwezig [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Vergunninghouder heeft op 11 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van 15 tiny/medium houses op de [adressen] in [woonplaats] .
3.1.
Het college heeft een ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning met alle daarbij behorende stukken met ingang van 7 maart 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegd en heeft de bekendmaking daarvan gepubliceerd. Tegen dat ontwerpbesluit zijn zienswijzen ingediend door – onder andere – eisers.
3.2.
Op 5 november 2024 heeft het college een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor de activiteiten: het bouwen van een bouwwerk; [1] het uitvoeren van een werk of werkzaamheden; [2] het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan; [3] en het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan veranderen. [4]

Wettelijk kader

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold voor 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [5]
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het in geding zijnde project in strijd is met de planregels omdat het in strijd is met de enkelbestemming ‘Bedrijf’. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 3°, van de Wabo kan in dat geval een omgevingsvergunning worden verleend, mits is voldaan aan de voorwaarden die in dat artikel zijn opgenomen. Dat betekent onder meer dat een goede ruimtelijke onderbouwing is vereist en dat het besluit is overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank toetst of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de omgevingsvergunning te verlenen.
Had de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen moeten afgegeven?
6. Het college heeft de omgevingsvergunning wat betreft de afwijking van het bestemmingsplan verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 3°, van de Wabo. Uit de wet [6] volgt dat een dergelijke omgevingsvergunning niet wordt verleend voordat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft. De gemeenteraad kan ook categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. [7]
7. Eisers hebben ter zitting betoogd dat de door de gemeenteraad vastgestelde lijst met categorieën waarin geen verklaring van geen bedenkingen is vereist, onverbindend is verklaard omdat deze niet op voorgeschreven wijze zou zijn bekendgemaakt.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad bij besluit van 19 december 2019, categorieën van gevallen heeft aangewezen waarin een verklaring niet is vereist. Dit besluit is bekendgemaakt door publicatie in het Gemeenteblad van Halderberge en via officielebekendmakingen.nl. [8] Daarmee is voldaan aan de wettelijke bekendmakingsvereisten. Voor het oordeel dat de aanwijzing onverbindend is, bestaat dan ook geen grond.
8. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het project valt binnen de aangewezen categorie waarvoor de gemeenteraad ruimtelijk beleid heeft vastgesteld. In dit verband heeft het college gewezen op de door de gemeenteraad vastgestelde Woonvisie Halderberge 2021-2025, waarin expliciet het vergroten van variatie op de woningmarkt door de inzet van nieuwe woonvormen wordt benoemd. In dit geval is volgens het college sprake van een nieuwe woonvorm doordat het hier gaat om biobased woningen.
8.1.
De rechtbank overweegt dat de Woonvisie door de gemeenteraad is vastgesteld en dat daarin onder meer wordt ingezet op het vergroten van variatie op de woningmarkt door de inzet van nieuwe woonvormen. Tiny houses worden daarbij expliciet genoemd als voorbeeld van een dergelijke woonvorm. Voor zover het college ter zitting heeft toegelicht dat het project moet worden aangemerkt als een ontwikkeling met biobased woningen, geldt dat ook dit kan worden beschouwd als een nieuwe woonvorm in de zin van de Woonvisie. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project valt binnen de aangewezen uitzonderingscategorie. Een verklaring van geen bedenkingen was daarom niet vereist.
Heeft het college de grondslag van de aanvraag verlaten?
9. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning mede is verleend voor het aanleggen van uitwegen en het uitvoeren van overige werken of werkzaamheden, terwijl voor die activiteiten geen aanvraag is ingediend. Zij wijzen erop dat uit het aanvraagformulier van 11 mei 2023 en de daarbij behorende stukken niet blijkt dat een vergunning is aangevraagd voor deze activiteiten. Bovendien kan volgens eisers uit de aanvraag, de daarbij gevoegde stukken en de beschikking niet worden afgeleid voor welke uit te voeren 'werken of werkzaamheden' de vergunning is gevraagd of verleend. Volgens eisers heeft het college de grondslag van de aanvraag verlaten door activiteiten te verlenen die niet zijn aangevraagd.
9.1.
Het college stelt dat sprake is van een aanvraag voor de bouw van 15 woningen met bijbehorende voorzieningen. Volgens het college is bij de beoordeling van de aanvraag naar de gehele ontwikkeling gekeken en naar het daarbij behorende beleid. Onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing stelt het college dat alle relevante aspecten in ogenschouw zijn genomen en dat alle onderdelen van het project vergund zijn.
10. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat er in het stelsel van de Wabo geen plaats is voor een beslissing over een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Uitgangspunt van de Wabo is dat het, behoudens de situatie als bedoeld in artikel 2.7 van die wet, de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is. [9] Voor de beantwoording van de vraag waar de aanvraag op ziet, zijn de aanvraag zelf en de daarbij behorende stukken doorslaggevend. [10]
10.1.
De rechtbank stelt vast dat op het aanvraagformulier van 11 mei 2023 niet is vermeld dat de aanvraag mede betrekking heeft op de activiteiten ‘het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ en ‘het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan veranderen’. Ook uit de bij de aanvraag behorende stukken blijkt niet dat voor deze activiteiten een vergunning is aangevraagd. Door desondanks voor deze activiteiten een omgevingsvergunning te verlenen, heeft het college meer vergund dan is aangevraagd en daarmee de grondslag van de aanvraag verlaten. Deze beroepsgrond slaagt.
10.2.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal daarom de overige beroepsgronden niet bespreken, behalve voor zover dit richtinggevend is voor het nemen van een nieuw besluit.
Stedenbouwkundige inpassing
11. Ten aanzien van de stedenbouwkundige inpassing overweegt de rechtbank het volgende. In het stedenbouwkundig advies van 20 april 2021 is de geschiktheid van de locatie voor het beoogde gebruik uitdrukkelijk ter discussie gesteld. Uit het bestreden besluit en de ruimtelijke onderbouwing blijkt onvoldoende hoe het college deze eerdere kanttekeningen heeft gewogen en waarom nu wel sprake zou zijn van een geschikte locatie. Daarnaast blijkt uit het stedenbouwkundig advies van 20 oktober 2023 dat de groene inrichting een wezenlijk onderdeel vormt van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. In de ruimtelijke onderbouwing is echter niet kenbaar gemaakt op welke wijze de aanleg en het duurzaam beheer daarvan planologisch zijn geborgd. De enkele verwijzing ter zitting naar een anterieure overeenkomst is daartoe onvoldoende, reeds omdat deze overeenkomst geen onderdeel uitmaakt van het besluit of de ruimtelijke onderbouwing en voor derden geen planologische zekerheid biedt. Daarnaast is onvoldoende kenbaar gemotiveerd hoe bij de situering van de woningen rekening is gehouden met de belangen van aangrenzende percelen, mede in het licht van de privacy en de beperkte afstand tot de erfgrenzen. Ook is niet inzichtelijk gemaakt hoe is omgegaan met de in het advies van 20 oktober 2023 gesignaleerde aandachtspunten ten aanzien van de dichtheid van het plan en de verkeersontsluiting. Het college zal bij het nemen van een nieuw besluit op deze punten expliciet moeten ingaan.
Geluidsbelasting
12. Ten aanzien van het aspect geluid overweegt de rechtbank dat uit het rapport van [expertisebureau] blijkt dat op de te realiseren woningen (tiny house nummer 13 en 14) overschrijdingen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau van de richtwaarde uit de VNG-publicatie optreden. In het rapport wordt vermeld dat het bevoegd gezag een bestuurlijke afweging kan maken om hogere niveaus toe te staan. Het college heeft ter zitting bevestigd dat geen afzonderlijke hogere waardenbesluit is genomen. Uit het bestreden besluit blijkt evenmin dat een kenbare afweging is gemaakt waarom de geconstateerde overschrijdingen ruimtelijk aanvaardbaar worden geacht. Het college zal bij het nemen van een nieuw besluit alsnog moeten bezien of een hogere waardenbesluit is vereist.
Waterberging en -afvoer
13. Ten aanzien van de waterhuishouding overweegt de rechtbank dat uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de benodigde waterberging is berekend op basis van bepaalde aannames over het verhard oppervlak en de inrichting van het terrein. Niet inzichtelijk is gemaakt in hoeverre deze aannames overeenkomen met de feitelijk voorziene inrichting. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit op welke wijze de realisatie en instandhouding van de vereiste waterberging planologisch zijn geborgd. Het college zal bij het nemen van een besluit concreet moeten onderbouwen dat de waterberging en -afvoer toereikend zijn en dat deze ook daadwerkelijk zijn verzekerd.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond omdat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten. Daarnaast is het besluit op onderdelen onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, omdat het college een vergunning heeft verleend voor activiteiten die niet zijn aangevraagd en daarnaast meerdere inhoudelijke punten opnieuw zal moeten beoordelen en motiveren. Gelet op de aard en de omvang van de gebreken acht de rechtbank het ook niet doelmatig om het college in de gelegenheid te stellen deze gebreken binnen deze lopende procedure te herstellen (de bestuurlijke lus).
14.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor twaalf weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Algemene wet bestuursrecht pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
14.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 5 november 2024;
  • draagt het college op binnen twaalf weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 24 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.
3.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wabo.
4.Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, en artikel 2.18 van de Wabo en artikel 2.12 Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Halderberge.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3566.
6.Dit volgt uit artikel 2.27 eerste lid, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 6.5, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
7.Dit is bepaald in artikel 6.5, derde lid, van het Bor.
8.Gemeenteblad 2021, 103130 en https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2021-103130.html.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4265 en 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2701.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1789,