ECLI:NL:RBZWB:2026:1197

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
C/02/435646 / FA RK 25-2612
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:20e BWArt. 1:20g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Raadsonderzoek naar erkenning, omgang en consultatieregeling voor minderjarige kinderen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een zaak waarin de man vervangende toestemming tot erkenning van zijn twee minderjarige kinderen verzocht, alsmede een omgangsregeling en een informatie- en consultatieregeling. De vrouw verzette zich tegen erkenning en omgang vanwege een turbulente relatie, huiselijk geweld en verslavingen van de man, en vreesde voor haar welzijn en dat van de kinderen.

De bijzondere curator concludeerde dat het biologische verwantschap niet ter discussie stond, maar dat zowel de vrouw als het oudste kind weerstand toonden tegen erkenning en omgang. Het kind wilde geen erkenning en geen omgang met de man. De curator achtte een raadsonderzoek noodzakelijk om de draagkracht van de vrouw, de ontwikkeling van de kinderen en de mogelijkheden tot omgang te onderzoeken.

De Raad voor de Kinderbescherming onderschreef de noodzaak van een uitgebreid onderzoek vanwege de gespannen verhoudingen en onduidelijkheden. De rechtbank achtte zich onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen over erkenning en omgang en stelde een raadsonderzoek in. Wel werd de door de vrouw niet bestreden informatieregeling toegewezen, waarbij de vrouw de man tweemaandelijks schriftelijk informeert over belangrijke aangelegenheden van de kinderen.

De behandeling van erkenning, omgang en consultatieregeling werd aangehouden tot ontvangst van het rapport van de Raad, met een pro forma datum van 18 augustus 2026 voor het indienen van het rapport en advies. Partijen krijgen gelegenheid te reageren op het rapport en het gewenste procesverloop kenbaar te maken.

Uitkomst: Verzoek tot erkenning en omgang aangehouden voor raadsonderzoek, informatieregeling toegewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/435646 / FA RK 25-2612
datum uitspraak: 19 februari 2026
beschikking betreffende erkenning, omgang en informatie-/consultatieregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.W.J. Hijnen te Beverwijk,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C. Buntsma te Middelburg.
-
mr. E. Sijnesael, advocaat te Middelburg, in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2021.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 11 november 2025 en de daarin vermelde stukken;
- het op 1 december 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- het op 6 januari 2026 ingekomen verslag van de bijzondere curator;
- het op 13 januari 2026 van mr. Hijnen ontvangen aanvullend verzoek met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 2 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig mr. Sijnesael in haar hoedanigheid van bijzondere curator en een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3
De rechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover afzonderlijk een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2021.
2.2
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
2.3
De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, na aanvulling:
I vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ;
II bij toewijzing van het verzoek onder I de griffier ex artikel 1:20e BW op te dragen een afschrift van de uitspraak betreffende de vervangende toestemming tot erkenning, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan, te zenden aan de ambtenaren van de burgerlijke stand te [plaats 1] (ten aanzien van [minderjarige 1] ) en [plaats 2] (ten aanzien van [minderjarige 2] ), met het verzoek aan deze ambtenaren ex artikel 1:20g BW aan de geboorteakten van de kinderen een latere vermelding betreffende erkenning toe te voegen en dit te melden aan de bewaarder van het gezagsregister, met afschrift aan de griffier, waarna de griffier partijen daarvan een afschrift verstrekt;
III een contact-/omgangsregeling vast te stellen, inhoudende:
1.
Basisregeling:
De kinderen zijn één keer in de veertien dagen in het weekend van de even weken bij hun vader, van vrijdagmiddag 15:00 uur tot zondag 18:00 uur. De vader haalt de kinderen op vrijdagmiddag rond de klok van 15:00 uur bij hun moeder thuis op en brengt ze dan zondag rond de klok van 18:00 uur weer bij hun moeder thuis.
2.
Zomervakantie:
De zes weken durende zomervakantie wordt bij helfte verdeeld, in die zin dat de kinderen drie weken bij hun moeder en drie weken bij hun vader zijn.
In de even jaren zijn de kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie bij hun moeder en de laatste drie weken bij hun vader. In de oneven jaren zijn de kinderen de eerste drie weken bij hun vader en de laatste drie weken van de zomervakantie bij hun moeder. Het wisselmoment is de vrijdagmiddag van de derde week om 12:00 uur.
3.
1-weekse vakanties(herfst- en voorjaarsvakantie, soms meivakantie):
De vakanties waarin de kinderen één week vakantie hebben worden bij helfte verdeeld met als wisselmoment de woensdagmiddag. Mocht de 1-weekse vakantie aansluiten op het weekend waarin de kinderen bij hun vader zijn, dan zij van vrijdagmiddag tot woensdagmiddag bij hun vader. Wanneer de vakantie niet aansluit op het omgangsweekend van de vader, dan begint het deel van de vakantie waarbij de kinderen bij hun vader zijn op woensdagmiddag tot aan het eind van de vakantie op zondag, waarbij de kinderen door hun vader rond de klok van 18:00 uur bij de vrouw worden teruggebracht.
4. 2
-weekse vakanties(kerstvakantie, soms meivakantie):
De 2-weekse vakanties worden bij helfte verdeeld, jaarlijks omgedraaid. In de even jaren zijn de kinderen de eerste week bij hun moeder en in de tweede week bij hun vader. In de oneven jaren is dat omgekeerd. Voor de kerstvakantie geldt dat de kinderen tijdens de kerstdagen het ene jaar volledig bij de ene ouder zijn en met oud en nieuw bij de andere ouder. Het jaar daarop is dat omgedraaid. Wanneer de kinderen in het jaar dat zij met kerst volgens schema volledig bij de ene ouder zijn, zijn zij in ieder geval op één van de kerstdagen ook bij de andere ouder, zodat deze ouder ook met de kinderen kerst kan vieren. Tenzij ouders dit in onderling overleg anders invullen, geldt dat de kinderen in de week waarop zij met kerst bij de ene ouder zijn, zij op tweede kerstdag van 11:00 uur in de ochtend tot de dag erna 12:00 uur bij de andere ouder zijn.
5.
Pasen en Pinksteren:
In de Paas- en Pinksterweekenden wordt het basisrooster gevolgd. Wanneer de kinderen een regulier omgangsweekend bij hun vader zijn waarin de Paas- of Pinksterdagen vallen, zijn zij de maandag aansluitend (2e Paas- of 2e Pinksterdag) nog bij hun vader tot 18:00 uur;
althans een dusdanige regeling als de rechtbank het meest in het belang van de kinderen acht;
IV op grond van het bepaalde in artikel 810 Rv Pro, met het oog op de beoordeling van de belangen van de kinderen, met oproeping van de Raad voor de Kinderbescherming, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming inwinnen, al dan niet na het gelasten van een raadsonderzoek, en in het belang van de kinderen die beslissing te nemen als de rechtbank geraden voorkomt;
V een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, waarbij de vrouw de man eenmaal per twee maanden, de eerste keer direct daags na een te deze te wijzen (tussen)beschikking en vervolgens op iedere eerste van de tweede maand schriftelijk per e-mail informatie verschaft over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van de kinderen, schoolkeuzes, schoolprestaties, sportactiviteiten/sportclubs, vakanties/weekendjes weg, bijbaantjes, stageplekken etc. alsmede
VI te bepalen dat de vrouw gehouden is de man direct te informeren over de gezondheid van de kinderen betreffende medische aangelegenheden, hem dient te consulteren/raadplegen en te bepalen dat de vrouw gehouden is de man de contactgegevens van medische behandelaars te verstrekken, alsmede
VII een regeling vast te stellen waarbij de vrouw (tenminste) eens in de twee maanden op iedere eerste van de (tweede) maand een recente goedgelijkende en duidelijk zichtbare/scherpe foto van de kinderen zal verstrekken aan de man, via toezending per post of per e-mail;
althans een dusdanige informatieregeling die de rechtbank in de gegeven stand van zaken het meest in het belang van alle betrokkenen acht;
VIII deze beschikking, voor zover de wet dit mogelijk maakt, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man ten aanzien van de erkenning en de verzochte omgangsregeling en verzoekt deze verzoeken af te wijzen. De vrouw voert geen verweer ten aanzien van de door de man verzochte informatieregeling.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
De man wil graag met zijn verzoeken bewerkstelligen dat hij een geregeld contact kan hebben met zijn kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw weigert haar medewerking aan de erkenning en het contactherstel met de kinderen. Zij laat blijken de man zoveel mogelijk uit het leven van de kinderen te willen weren. De man begrijpt dit niet, omdat de vrouw eerder steeds een beroep op hem heeft gedaan voor wat betreft de kinderen. [minderjarige 1] genoot altijd erg van het contact met de vader en zijn familie en dat hij nu het contact met de man afhoudt komt volgens de man voort uit een loyaliteitsconflict. De man is erg geschrokken van het negatieve beeld dat [minderjarige 1] heeft van de man en in welke mate hij inmiddels (al dan niet bewust) is beïnvloed door de vrouw. De man betwist het door de vrouw gestelde huiselijk geweld. Hij heeft nooit de kans gekregen om een vaderrol op zich te nemen. De man ziet geen grond om af te wijken van het algemene uitgangspunt dat kinderen recht hebben om zoveel mogelijk op te groeien in contact met beide ouders.
4.2
De vrouw stelt dat er sprake is geweest van een zeer turbulente verhouding tussen partijen als gevolg van de agressie, huiselijk geweld en de verslavingen van de man en waarbij de politie zelfs betrokken is geweest en [minderjarige 1] ook slachtoffer is geworden. De man heeft nooit een vaderrol vervuld. De kinderen werden sporadisch door de man opgehaald en dan vooral ondergebracht bij familie. Voor [minderjarige 1] is rust en voorspelbaarheid belangrijk. Hij kan zich niet verbaal uiten als hij zich niet op zijn gemak voelt. De man erkent deze problemen van [minderjarige 1] niet en wordt dan boos. Hij geeft [minderjarige 1] een gevoel van onveiligheid. Ondanks dat [minderjarige 1] weet dat de man zijn vader is, geeft hij aan niet door hem erkend te willen worden. Volgens de vrouw is de erkenning niet in het belang van de kinderen vanwege het risico op klem en verloren raken. De man wil de kinderen alleen erkennen om zo macht uit te kunnen oefenen op de vrouw. De man verkrijgt hierdoor juridische rechten, die hij zal inzetten jegens de vrouw. De vrouw had de man het contact met de kinderen gegund, maar dit mag niet ten koste gaan van haar welzijn en zelfs haar leven.
4.3
In het kader van het verzoek van de man om de kinderen te mogen erkennen, is bij beschikking van 11 november 2025 mr. Sijnesael als bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] benoemd om de rechtbank te adviseren ten aanzien van dit verzoek. De rechtbank heeft op 6 januari 2026 een verslag van haar bevindingen ontvangen. De bijzondere curator is tot de conclusie gekomen dat het biologische verwantschap van de man met beide kinderen niet ter discussie staat tussen ouders. De man heeft naar de bijzondere curator uitgesproken dat hij de omgang met de kinderen belangrijker vindt dan de mogelijkheid om hen te erkennen. De bijzondere curator heeft geconstateerd dat zowel de vrouw als [minderjarige 1] veel weerstand tonen jegens de man. De vrouw en [minderjarige 1] vrezen ervoor dat na de erkenning de man het recht op omgang zal gaan opeisen. Daarbij is de vrouw ook bang dat de man haar lastig gaat vallen en een onveilig gevoel zal geven. [minderjarige 1] heeft de bijzondere curator verteld dat hij niet wil dat de man hem erkent en ook dat hij geen omgang met hem wil. [minderjarige 1] lijkt geen enkel vertrouwen te hebben in de man als vader. De bijzondere curator vindt het lastig in te schatten of de erkenning een dusdanige impact op de vrouw zal hebben dat de ontwikkeling van de kinderen in het gedrang komt. De bijzondere curator acht een raadsonderzoek noodzakelijk om meer zicht te krijgen op de persoon van de man, de draagkracht van de vrouw als gevolg van de erkenning en de ontwikkeling van de kinderen. Naar verwachting zal ook onderzoek gedaan moeten worden naar de mogelijkheden tot omgang van de man met de kinderen, waardoor uitbreiding van dit onderzoek met de vraagstelling ten aanzien van de erkenning geen extra belasting vormt voor de kinderen.
4.4
De Raad maakt zich zorgen over de uitspraken die worden gedaan in de overgelegde berichten tussen partijen. De Raad vindt het moeilijk om hier context aan te geven en vindt het aanleiding geven om te gaan onderzoeken wat het meest in het belang van de kinderen is. Op basis van de informatie die er nu ligt, is het voor de Raad niet mogelijk om de rechtbank een passend advies te geven dat aansluit bij het belang van de kinderen. De Raad vindt het passend om een uitgebreid onderzoek te doen en dit zal inclusief de wachttijd ongeveer zes maanden gaan duren.
4.5
De rechtbank stelt vast dat de verstandhouding tussen partijen erg gespannen is en dat beiden tegengestelde visies kennen over wat er tussen hen is gebeurd en wat de kinderen hiervan hebben meegekregen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat zij geen verweer voert tegen de door de man verzochte informatieregeling. De rechtbank zal dan ook het hiertoe strekkende verzoek van de man als zodanig toewijzen. Ten aanzien van de verzoeken van de man voor het overige acht de rechtbank zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op deze verzoeken een beslissing te kunnen geven. De rechtbank acht daarom een raadsonderzoek aangewezen en zal de Raad dan ook verzoeken een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:
  • Bestaat er een onaanvaardbaar risico dat de erkenning door de man de relatie tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan verstoren en daarmee de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan schaden?
  • Zijn er contra-indicaties voor omgang tussen de man en [minderjarige 1] en tussen de man en [minderjarige 2] en zo ja, welke?
  • In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen: hoe, onder welke voorwaarden?
  • Indien omgang mogelijk is, hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
  • Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn
gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van
belang om te vermelden?
De rechtbank zal in afwachting van de rapportage en het advies van de Raad de behandeling van de zaak ten aanzien van de erkenning, de contact-/omgangsregeling alsmede de consultatieregeling aanhouden. De Raad wordt verzocht om het rapport met bijbehorend advies uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum in de procedure in te brengen, onder gelijktijdige verstrekking aan partijen. Partijen zullen voorts in de gelegenheid gesteld worden om te reageren op de bevindingen van de Raad alsmede om zich uit te laten over het door hen gewenste procesverloop.
4.6
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
bepaalt dat de vrouw éénmaal per twee maanden de man schriftelijk per e-mail informeert omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , schoolkeuzes, schoolprestaties, sportactiviteiten/sportclubs, vakanties/weekendjes weg, bijbaantjes, stageplekke etc.; de eerste keer zal zijn direct daags na afgifte van deze (tussen)beschikking en vervolgens op iedere eerste van de tweede maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen in rechtsoverweging 4.5 en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan tot
18 augustus 2026 PRO FORMA, in afwachting van het rapport en bijbehorend advies van de Raad, de reactie van partijen hierop en het door hen gewenste procesverloop.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.