Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande recreatiewoning die op 13 oktober 2022 werd gekocht voor €551.000 inclusief roerende zaken. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2023 vast op €541.000 en legde de aanslag onroerendezaakbelasting op. Belanghebbende betwistte de waarde en stelde dat deze maximaal €400.000 zou moeten zijn.
De rechtbank beoordeelde de juistheid van de objectkenmerken en de waardebepaling. De heffingsambtenaar baseerde zich op gegevens uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen en een taxatiematrix die de waarde op €557.063 bepaalde. De rechtbank vond de gebruikte objectgegevens betrouwbaar en verwierp de door belanghebbende aangevoerde afwijkingen.
De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde in dit geval het beste kan worden vastgesteld aan de hand van de eigen aankoopsom van belanghebbende, omdat deze kort voor de waardepeildatum plaatsvond en een goede marktwaarde weerspiegelt. Argumenten over overlast en een groenstrook werden niet als waardeverlagend erkend omdat deze factoren in de aankoopprijs waren verdisconteerd.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de door belanghebbende genoemde vergelijkingswoningen niet voldoende gelijkwaardig waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en de aanslag OZB, en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.