De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 februari 2026 uitspraak gedaan over de beroepen van belanghebbende tegen de niet-ontvankelijkverklaring van bezwaren tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelastingen (OZB) over de jaren 2020, 2021 en 2022 door de heffingsambtenaar van de gemeente Moerdijk.
De rechtbank oordeelt dat de bezwaren te laat zijn ingediend, namelijk op 1 oktober 2024, terwijl de bezwaartermijnen respectievelijk eindigden op 13 april 2020, 9 april 2021 en 8 april 2022. De overschrijding van de termijnen is niet verontschuldigbaar, ondanks de door belanghebbende aangevoerde persoonlijke omstandigheden zoals het verlies van een kind, een relatiebreuk, een buitenlandse juridische procedure en financiële problemen door Covid-19. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat bezwaar gedurende de lange overschrijdingsperioden onmogelijk was.
Daarnaast verklaart de rechtbank zich onbevoegd om te oordelen over de ambtshalve beslissingen van de heffingsambtenaar en over invorderingsmaatregelen, omdat deze niet voor bezwaar en beroep vatbaar zijn en civiele kwesties betreffen. De rechtbank wijst erop dat voor civiele procedures soms advocaatvertegenwoordiging verplicht is.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond voor zover deze zien op de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren en onbevoegd voor het overige. De bestreden besluiten blijven daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.