ECLI:NL:RBZWB:2026:1140

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
24/7936, 24/7937 en 25/6624
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-tijdig ingediend bezwaar tegen WOZ-beschikkingen en OZB-aanslagen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 februari 2026 uitspraak gedaan over de beroepen van belanghebbende tegen de niet-ontvankelijkverklaring van bezwaren tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelastingen (OZB) over de jaren 2020, 2021 en 2022 door de heffingsambtenaar van de gemeente Moerdijk.

De rechtbank oordeelt dat de bezwaren te laat zijn ingediend, namelijk op 1 oktober 2024, terwijl de bezwaartermijnen respectievelijk eindigden op 13 april 2020, 9 april 2021 en 8 april 2022. De overschrijding van de termijnen is niet verontschuldigbaar, ondanks de door belanghebbende aangevoerde persoonlijke omstandigheden zoals het verlies van een kind, een relatiebreuk, een buitenlandse juridische procedure en financiële problemen door Covid-19. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat bezwaar gedurende de lange overschrijdingsperioden onmogelijk was.

Daarnaast verklaart de rechtbank zich onbevoegd om te oordelen over de ambtshalve beslissingen van de heffingsambtenaar en over invorderingsmaatregelen, omdat deze niet voor bezwaar en beroep vatbaar zijn en civiele kwesties betreffen. De rechtbank wijst erop dat voor civiele procedures soms advocaatvertegenwoordiging verplicht is.

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond voor zover deze zien op de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren en onbevoegd voor het overige. De bestreden besluiten blijven daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren zijn ongegrond verklaard wegens te late indiening en de rechtbank is onbevoegd over ambtshalve beslissingen en invordering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/7936, 24/7937 en 25/6624

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Moerdijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 november 2024. De beroepen zien op de WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelastingen over de jaren 2020, 2021 en 2022 van het object [adres] .
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn en de rechtbank voor het overige kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig waren ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Zijn de bezwaarschriften te laat ingediend?
3.2.
Vast staat dat de dagtekening van de aanslagen voor de belastingjaren 2020, 2021 en 2022 respectievelijk 29 februari 2020, 26 februari 2021 en 25 februari 2022 zijn. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die data heeft plaatsgevonden. De termijnen voor het indienen van een bezwaarschrift eindigden dus op respectievelijk 13 april 2020 [5] , 9 april 2021 en 8 april 2022.
3.3.
Het (in één geschrift vervatte) bezwaarschrift is bij de heffingsambtenaar op 1 oktober 2024 ontvangen. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
3.4.
Belanghebbende heeft als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijnen (onder meer) opgegeven dat hij vanwege ingrijpende, persoonlijke omstandigheden, waaronder het verlies van een kind, een relatiebreuk, een juridische procedure in het buitenland en het gebrek aan inkomsten vanwege Covid-19, niet in staat is geweest om op een eerder moment bezwaar te maken. Belanghebbende voert daarnaast aan dat door de heffingsambtenaar onvoldoende duidelijkheid is geboden over de bezwaarprocedure en de wettelijke termijnen hieromtrent.
3.5.
De rechtbank begrijpt dat belanghebbende een moeilijke periode heeft doorgemaakt vanwege ingrijpende, persoonlijke omstandigheden. Een termijnoverschrijding van respectievelijk ruim vier en een half jaar, drie en een half jaar en twee en een half jaar is echter een aanzienlijke periode. Wat belanghebbende aanvoert leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen. Zowel op de aanslagbiljetten als op de website van de heffingsambtenaar is een voldoende duidelijke rechtsmiddelenverwijzing opgenomen, waarbij de termijn voor het indienen van bezwaar is vermeld. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden heeft belanghebbende onvoldoende duidelijkheid geboden over in welke periode en tijdsbestek deze omstandigheden zich specifiek hebben voorgedaan. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het voor belanghebbende in de gehele periode van twee en een half jaar tot vier en een half jaar niet mogelijk was om bezwaar te maken. Van geringe verwijtbaarheid is daarom geen sprake. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om op een eerder moment, eventueel met hulp van iemand (anders), bezwaar te maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de overschrijding niet verschoonbaar is.
De rechtbank is onbevoegd te oordelen over de ambtshalve beoordeling
3.6.
In dezelfde brieven waarbij de uitspraken op bezwaar zijn gedaan, heeft de heffingsambtenaar ook beslist om ambtshalve niet aan de bezwaren tegemoet te komen. De rechtbank begrijpt uit de correspondentie van belanghebbende dat de beroepen ook op deze beslissingen zien. Deze beslissingen zijn echter niet voor (bezwaar en) beroep vatbaar. De rechtbank verklaart zich in zoverre kennelijk onbevoegd.
De rechtbank is onbevoegd te oordelen over de invordering
3.7.
De belastingrechter is niet bevoegd te oordelen over invorderingsmaatregelen, kwijtschelding van aanslagen of een betalingsregeling. Dit zijn civiele kwesties die aan de civiele rechter moeten worden voorgelegd. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de gronden van belanghebbende over de invordering en de gevolgen daarvan. De rechtbank heeft de stukken van belanghebbende niet doorgestuurd naar de bevoegde rechter. Voor een procedure bij de civiele rechter is, in een aantal gevallen, vertegenwoordiging door een advocaat verplicht.

Conclusie en gevolgen

4. De bezwaren zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. De rechtbank is verder onbevoegd om de ambtshalve beslissingen en de beslissingen in het kader van de invordering van de aanslagen te beoordelen. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven en de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van de aanslagen toekomt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond voor zover deze zich richten tegen het niet- ontvankelijk verklaren van de bezwaren;
  • verklaart zich voor het overige onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Met toepassing van de Algemene Termijnenwet is de termijn verlengd tot de eerste dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.