ECLI:NL:RBZWB:2026:1121

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/4561
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging en verklaring van erfrecht

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 februari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2022. Het beroep was ingesteld door een gemachtigde namens de erven van een overledene.

De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was omdat de gemachtigde geen machtiging en geen verklaring van erfrecht had overgelegd, ondanks twee schriftelijke verzoeken om dit verzuim te herstellen. De gemachtigde had bovendien geen verontschuldiging voor het niet indienen van deze stukken gegeven, ook niet na een verzoek om uitstel.

Omdat het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard, heeft de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeeld en blijft het bestreden besluit van de inspecteur van de Belastingdienst in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging en verklaring van erfrecht, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/4561

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

de erven van [naam] , uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 juli 2025. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2022 met [aanslagnummer] .H.26.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging en geen verklaring van erfrecht heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Daarnaast dient gesteld gemachtigde in dit geval tevens een verklaring van erfrecht in te dienen. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Zij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Zij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging en geen verklaring van erfrecht bijgevoegd waaruit blijkt dat zij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft haar bij brief van 13 oktober 2025 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 21 november 2025 gesteld gemachtigde nogmaals in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 25 november 2025 om 20:46 uur is bezorgd. Gesteld gemachtigde heeft binnen die termijn geen machtiging en geen verklaring van erfrecht ingediend.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
5. Gesteld gemachtigde heeft om uitstel verzocht en aangegeven de verklaring van erfrecht niet te willen opsturen, omdat bij de post veel misgaat. Dat is geen verontschuldiging voor het verzuim gebleken, omdat door de rechtbank is aangegeven dat gesteld gemachtigde voldeed aan het verzoek indien zij een kopie van het stuk zou opsturen. Het origineel exemplaar blijft zo bij gesteld gemachtigde. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.