ECLI:NL:RBZWB:2026:1094

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 februari 2026
Zaaknummer
C/02/443858 / JE RK 26-43
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij gezaghebbende ouder toegewezen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de andere gezaghebbende ouder, de vader. De minderjarige woont momenteel bij de vader, terwijl de moeder de zorg draagt maar wordt geconfronteerd met ernstige zorgen over haar opvoedsituatie.

De moeder wordt verweten overmatig alcohol- en middelengebruik in het bijzijn van de minderjarige, suïcidale uitspraken, het onttrekken aan hulpverlening en het niet naleven van veiligheidsafspraken. De moeder betwist enkele feiten, zoals het drinken van alcohol op 9 januari 2026, en stelt dat zij openstaat voor hulpverlening en bereid is mee te werken aan veiligheidsafspraken.

De vader ondersteunt het verzoek tot uithuisplaatsing en benadrukt dat hij stabiliteit en veiligheid kan bieden aan de minderjarige. De kinderrechter concludeert dat de situatie bij de moeder onveilig is en dat continuering van de plaatsing bij de vader noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De machtiging wordt verleend voor de duur van 26 januari 2026 tot 8 september 2026 en wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het verzoek voor het resterende deel van de spoedmachtiging wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De moeder krijgt de gelegenheid om haar situatie te verbeteren alvorens terugplaatsing kan worden overwogen.

Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader voor de duur van 26 januari 2026 tot 8 september 2026 en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443858 / JE RK 26-43
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Schiettekatte te Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. J.T.M. Sengers te Rotterdam

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 12 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • de stelbrief van mr. Sengers van 14 januari 2026;
  • de stelbrief van mr. Schiettekatte van 15 januari 2026;
  • het bericht met als bijlagen productie 1 tot en met 3 van mr. Sengers van 20 januari 2026.
1.2.
Op 22 januari 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • twee vertegenwoordigsters van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder, maar verblijft op dit moment bij de vader.
2.3.
Bij beschikking van 8 september 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 september 2025 tot 8 september 2026.
2.4.
Bij beschikking van 12 januari 2026 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader met ingang van 12 januari 2026 tot 26 januari 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.Het resterende verzoek

3.1.
De GI verzoekt onverwijld een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag te verlenen, te weten bij de vader, voor de duur van vier weken. Daarbij verzoekt de GI deze machtiging aansluitend te verlenen de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] op dit moment bij de vader verblijft. In het kader van de ondertoezichtstelling ligt er een plan. Bij de moeder wordt een patroon van middelen- en alcoholgebruik, ook in het bijzijn van [minderjarige] , gezien. Ook zijn er meer dan 65 politiemeldingen met betrekking tot de moeder en personen om haar heen. De moeder heeft zich teruggetrokken uit de hulpverlening. Vanwege de bejegening van de moeder richting de hulpverlening is het de vraag welke instantie deze zaak nog wil oppakken. De moeder erkent de zorgen die er zijn niet en legt de schuld buiten zichzelf. Hierdoor is er sprake van een impasse en lukt het niet om met de moeder tot uitvoering van het plan te komen. Op dit moment wordt gekeken naar de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder.
4.2.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat het resterende deel van de spoedmachtiging voor de duur van twee weken dient te worden toegewezen en het verzoek voor het overige dient te worden afgewezen. De moeder betwist dat zij op 9 januari 2026 alcohol heeft gedronken. Zij heeft alles gedaan om die dag mee te werken aan de alcoholtests. De suïcidale gedachten kwam voort uit de pittige situatie van de moeder, zij zou zichzelf echter nooit iets aandoen. Het is voor de moeder onbegrijpelijk dat direct een spoedverzoek is ingediend terwijl ook minder ingrijpende alternatieven zoals een schriftelijke aanwijzing of een zogenoemd 1 voor 12 gesprek mogelijk was geweest. [minderjarige] is pas negen maanden oud en was voorafgaand aan de uithuisplaatsing elke dag bij de moeder. Thans is er al twee weken geen contact en dit is niet goed voor de hechting. De moeder wil er alles aan doen om er voor te zorgen dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen waarbij hij in de weekenden naar de vader gaat. In de komende twee weken kunnen opnieuw veiligheidsafspraken worden gemaakt, zo is de moeder bereid om mee te werken aan dagelijks alcoholtests en staat zij open voor ambulante spoedhulp. De moeder mist vanuit de GI een plan over hoe vanuit de uithuisplaatsing terug gewerkt gaat worden naar een thuisplaatsing.
4.3.
Door en namens de vader is in aangevoerd dat de situatie bij de moeder onveilig is. De zorgen zijn groot. Zo is er is sprake van middelengebruik, suïcidale uitingen en het schenden van de veiligheidsafspraken. Deze zorgen worden de moeder niet erkend. Bij aanvang van de ondertoezichtstelling hoopte de vader dat de moeder zou meewerken aan de hulpverlening, dat er meer zicht zou komen op de situatie en dat deze uiteindelijk zou verbeteren. De moeder gaat echter overal tegenin, onttrekt zich aan de hulpverlening en bestookt een ieder die betrokken is, waaronder de vader en zijn familie. De vader heeft een goede samenwerking met de jeugdbeschermer en heeft vertrouwen in haar. Hij ondersteunt het verzoek tot het verlenen van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij hem. Dat is de enige manier waarop de veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling van [minderjarige] gewaarborgd wordt. De vader heeft de maanden voorafgaand aan de plaatsing ieder weekend en ook soms langer voor [minderjarige] gezorgd. Anders dan de moeder stelt is er dus geen sprake van een hechtingsbreuk, [minderjarige] heeft immers ook een hechtingsrelatie met de vader. De vader vindt het wel belangrijk dat [minderjarige] contact heeft met de moeder en de oma moederszijde.

5.De beoordeling

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Bij beschikking van 12 januari 2026 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader met ingang van 12 januari 2026 tot 26 januari 2026. De GI en de belanghebbenden zijn thans door de kinderrechter gehoord. Uit de overgelegde stukken en hetgeen bij de mondelinge behandeling is besproken, zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel dan reeds is verwoord in de voornoemde beschikking. Nu hierna beslist zal worden op het reguliere verzoek zal het resterende deel van het spoedverzoek bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid
5.4.
Uit de overlegde stukken en wat is besproken tijdens de zitting, is gebleken dat er sprake is van een zeer zorgelijke situatie. De moeder zou overmatig alcohol drinken en middelen gebruiken in het bijzijn van [minderjarige] . De moeder betwist dit, maar in ieder geval op 9 januari 2026 heeft zij geen geldende negatieve test kunnen of willen overleggen en is gezien dat zij wankel op haar beneden stond. Daarnaast heeft zij eerder suïcidale uitspraken gedaan. De moeder bejegent de hulpverlening onjuist. Zij onttrekt zich ook aan de hulpverlening en houdt zich niet aan de veiligheidsafspraken. Hierdoor is de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige] ernstig in gedrang gekomen, temeer nu [minderjarige] een baby is en dus volledig afhankelijk is van zijn opvoeder(s). Met de GI maakt de kinderrechter zich hierover grote zorgen. Sinds 12 januari 2026 verblijft [minderjarige] bij de vader. De vader kan [minderjarige] op dit moment stabiliteit en veiligheid bieden. De kinderrechter acht continuering van de plaatsing van [minderjarige] bij de vader op dit moment dan ook in zijn belang noodzakelijk. Daarbij is het natuurlijk wel van belang dat er zo mogelijk structureel contact wordt gerealiseerd tussen de moeder en [minderjarige] . Het is aan de GI om hierin de regierol te vervullen.
5.5
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal het verzoek toewijzen voor de verzochte duur, nu er gelet op de ernst van de situatie geen aanleiding is om de machtiging in duur te beperken. De komende periode is aan het de moeder om te laten zien dat zij in staat is om de spreekwoordelijke knop om te zetten en hard met zichzelf aan de slag te gaan. Het is positief dat zij zegt open te staan voor hulpverlening, maar voordat er sprake kan zijn van een terugplaatsing moet de moeder haar leven bestendig op de rit hebben en in staat zijn om [minderjarige] een stabiele, veilige opvoedsituatie te bieden.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter zal de toewijzende beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen beroep wordt ingesteld.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader met ingang van 26 januari 2026 tot 8 september 2026;
6.2.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en schriftelijk vastgesteld op 6 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.