ECLI:NL:RBZWB:2026:1076

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/6745
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden te beslissen op bezwaar WIA-uitkering en legt dwangsom op

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen een wijziging van zijn WIA-uitkering. Hoewel eiser het beroep te vroeg indiende, verklaart de rechtbank het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond omdat het UWV nog steeds geen besluit heeft genomen.

De rechtbank overweegt dat het UWV vanwege een tekort aan verzekeringsartsen en grote werkvoorraden nog geen fysiek spreekuur heeft kunnen houden, waardoor besluitvorming vertraagd is. Desondanks acht de rechtbank het belang van een tijdige beslissing groot en stelt zij een termijn van vier maanden voor het UWV om alsnog te beslissen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Het griffierecht wordt aan eiser vergoed. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 20 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het UWV binnen vier maanden te beslissen op het bezwaar en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6745

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2025 over een wijziging van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van eiser.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Eiser heeft het UWV op
23 december 2025 een ingebrekestelling gestuurd, welke op 5 januari 2026 door het UWV is ontvangen. Eiser heeft op 25 december 2025 een beroepschrift ingediend. Eiser is te vroeg in beroep gegaan. De termijn die uit de ingebrekestelling volgde was namelijk nog niet voorbij toen eiser het beroep indiende. Die termijn is namelijk twee weken en eiser heeft al na twee dagen beroep ingesteld. De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank acht in dit geval het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. De termijn voor het UWV is inmiddels wel verstreken en er is nog steeds geen besluit genomen.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het UWV heeft in het verweerschrift van 4 februari 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is en de daarmee gepaard gaande grote werkvoorraden. Hierdoor heeft er nog geen fysiek spreekuur kunnen plaatsvinden. Daarna is mogelijk nog onderzoek door een arbeidsdeskundige noodzakelijk. Het UWV geeft aan dat een besluit gelet hierop de eerstkomende maanden nog niet aan de orde lijkt.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 20 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.