ECLI:NL:RBZWB:2026:1055

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2178
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:55c AwbArt. 236 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar forensenbelasting en toekenning dwangsom

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een navorderingsaanslag forensenbelasting over 2023. De heffingsambtenaar heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, waardoor belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar pas op 27 mei 2025 een beslissing op bezwaar heeft genomen, ruim na de wettelijke termijn.

Hoewel het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is, is het beroep tegen de inhoudelijke uitspraak op bezwaar ongegrond omdat belanghebbende daartegen geen gronden heeft aangevoerd. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende recht heeft op een dwangsom wegens de overschrijding van de beslistermijn en legt deze op aan de heffingsambtenaar.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak is gedaan door rechter A.H.W. Steijn en griffier W. Dekkers op 23 februari 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep is gegrond voor het niet tijdig beslissen en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2178

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr.drs. J.C. Scherff),
en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 9 februari 2024 tegen de navorderingsaanslag forensenbelasting over het jaar 2023 met aanslagnummer [aanslagnummer] .
1.1.
Gemachtigde heeft de dag voor de zitting om 23:53 uur verzocht om verdaging en zich afgemeld voor de zitting. De heffingsambtenaar heeft zich op de dag van de zitting telefonisch afgemeld voor de zitting. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank merkt op dat de heffingsambtenaar geen gedingstukken heeft overgelegd. Daarom gaat de rechtbank uit van de stukken die door belanghebbende zijn overgelegd.
2.1.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift ingediend op 9 februari 2024. De heffingsambtenaar moet op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. [2] Belanghebbende heeft op 6 maart 2025 de heffingsambtenaar in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar op 27 mei 2025 alsnog een beslissing op bezwaar heeft genomen.
3.1.
Nu alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan, ontvalt in de regel het belang aan het door belanghebbende ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Echter, in dit geval blijft belang bij het beroep bestaan vanwege het verzoek om een dwangsom. Omdat de heffingsambtenaar niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, is het beroep kennelijk gegrond.
Heeft belanghebbende recht op een dwangsom?
4. De heffingsambtenaar heeft de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld, ook niet in de uitspraak op bezwaar van 27 mei 2025. De rechtbank doet dit daarom op grond van artikel 8:55c van de Awb alsnog.
4.1.
Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De maximale dwangsom is in dit geval verschuldigd en bedraagt € 1.442,-.
Is het beroep tegen het alsnog genomen besluit ontvankelijk en gegrond?
5. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit. [3] Belanghebbende heeft geen gronden aangevoerd tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende, voor zover deze is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 27 mei 2025, kennelijk ongegrond.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond voor zover dit ziet op het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar en de dwangsom. De rechtbank kent aan belanghebbende een dwangsom toe van € 1.442,-. Het beroep is ongegrond voor zover het ziet op de uitspraak op bezwaar van 27 mei 2025.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op het beroep niet tijdig beslissen;
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover dit ziet op de uitspraak op bezwaar van 27 mei 2025;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in het betalen van een dwangsom van € 1.442,-;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 236 van Pro de Gemeentewet.
3.Dit staat in artikel 6:20 van Pro de Awb.