ECLI:NL:RBZWB:2026:1044

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
BRE 26/595
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 5:31 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen bestuursdwang burgemeester Tilburg wegens ontbreken spoedeisend belang

Op 9 januari 2026 organiseerde Stichting Frontrunners een bijeenkomst in een kerkgebouw in Tilburg, die door de politie op last van de burgemeester werd beëindigd vanwege het ontbreken van een vergunning. Verzoekers maakten bezwaar tegen de bestuursdwang en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter constateerde dat er feitelijk bestuursdwang was toegepast door de burgemeester, ondanks het ontbreken van een schriftelijk besluit. De rechter ging ervan uit dat het connexiteitsvereiste was vervuld om het verzoek te beoordelen.

Echter, omdat de bijeenkomst feitelijk was beëindigd en toekomstige bijeenkomsten op andere locaties gepland stonden, ontbrak het aan een spoedeisend belang. Verzoeken tot schorsing en andere voorzieningen werden daarom afgewezen.

De burgemeester werd wel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht vanwege de ontstane rechtsonzekerheid door het nalaten van een schriftelijk besluit.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen bestuursdwang wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/595

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026 in de zaak tussen

Stichting Frontrunners, verzoekster

[verzoeker] , verzoeker,
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en

de burgemeester van de gemeente Tilburg

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er voorafgegaan aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening?
2. Op 9 januari 2026 vond een door verzoekers georganiseerde bijeenkomst plaats in een gebouw aan de [adres] . Volgens verzoekers betrof het een kerkdienst in een kerkgebouw.
2.1
De politie heeft op 9 januari 2026 alle in het pand aanwezige personen gelast het pand te verlaten. Verzoeker is vervolgens buiten aangehouden door de politie. Verzoekers stellen dat er sprake is geweest van bestuursdwang toegepast door de burgemeester. Hiertegen hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij aan de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Connexiteitsvereiste
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1
Gelet op dit artikel moet er sprake zijn van een besluit en een bezwaar tegen dat besluit voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste.
3.2
De burgemeester heeft zich in een brief van 13 februari 2026 op het standpunt gesteld dat niet voldaan is aan het connexiteitsvereiste omdat er geen sprake is van een besluit. Bij die brief heeft de burgemeester ook een aantal stukken overgelegd.
3.3
Uit de overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat het ingrijpen door de politie bij de bijeenkomst op 9 januari 2026 op initiatief van de burgemeester heeft plaatsgevonden. Zo blijkt uit het proces-verbaal van toezichthouder [naam 1] dat zij van haar teamleider de opdracht heeft gekregen om naar de bijeenkomst aan de [adres] te gaan om aan verzoeker mee te delen dat het om een illegaal evenement gaat, dat dit niet door mag gaan en dat de politie hiervan ook al op de hoogte was gesteld. Ook in de weergave van het telefoongesprek dat op 9 januari 2026 heeft plaatsgevonden tussen een medewerker van de gemeente en verzoeker is vermeld dat aan verzoeker, namens de burgemeester, is meegedeeld dat de bijeenkomst is gekwalificeerd als een vergunningplichtig evenement waarvoor geen vergunning was verleend. Aan verzoeker is vervolgens meegedeeld dat dit evenement daarom niet mocht doorgaan. Van belang is verder ook nog de brief aan de gemeenteraad van 13 januari 2026, opgesteld onder andere door de destijds waarnemend burgemeester [naam 2] , waarin expliciet is gesteld dat sprake was van een vergunningplichtig evenement op grond van de APV en dat de burgemeester is overgegaan tot handhaving. Ook uit berichten in de media, waarbij onder andere gesproken is met waarnemend burgemeester [naam 2] , blijkt dat het ingrijpen door de politie was ingegeven door een besluit van de burgemeester.
3.4
Uit dit alles kan de voorzieningenrechter niet anders opmaken dan dat de politie handhavend heeft opgetreden namens de burgemeester waarbij deze (spoedeisende) bestuursdwang heeft toegepast omdat sprake was van een, volgens de burgemeester, op grond van de APV niet toegestaan evenement waarvoor geen vergunning was aangevraagd. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit betekent dat de burgemeester toepassing heeft gegeven aan artikel 5:31, tweede lid, van de Awb.
3.5
Ingevolge dat artikellid zal de burgemeester vervolgens zo spoedig mogelijk na 9 januari 2026 een besluit moeten bekendmaken.
3.6 De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester geen besluit op schrift heeft gesteld en bekendgemaakt. Uit het verweerschrift blijkt dat de burgemeester ook niet voornemens is om dit alsnog te doen. Als reden daarvoor is aangegeven dat er volgens de burgemeester geen sprake is geweest van bestuursdwang. Zoals uit overweging 3.4 blijkt, kan de voorzieningenrechter dit standpunt niet volgen.
3.7
Uit het voorgaande volgt dat er formeel nog geen besluit is bekendgemaakt door de burgemeester. Dit betekent echter in dit geval niet zonder meer dat niet voldaan is aan het connexiteitsvereiste. Het doel van de bepaling in artikel 5.31, tweede lid, van de Awb, dat een beslissing tot toepassing van bestuursdwang zo spoedig mogelijk op schrift wordt gesteld en bekendgemaakt, is immers om de betrokkene de gelegenheid te geven om in bezwaar en beroep de rechtmatigheid van het besluit te laten toetsen. [1] De voorzieningenrechter acht het niet acceptabel dat de burgemeester aan een betrokkene deze rechtsbescherming zou kunnen onthouden enkel en alleen door het niet afgeven van een besluit. Nu het ervoor gehouden moet worden dat er feitelijk bestuursdwang is toegepast en verzoekers ook (prematuur) bezwaar daartegen hebben aangetekend, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, voor de beoordeling van dit verzoek, ervan uit te gaan dat aan het connexiteitsvereiste is voldaan. In het vervolg van deze uitspraak zal de op 9 januari 2026 toegepaste bestuursdwang worden aangeduid als ‘besluit’.
(Spoedeisend) belang
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. Verder is van belang dat de voorzieningenrechter alleen voorzieningen kan treffen die binnen de strekking en reikwijdte van het bestreden besluit vallen.
4.1
Verzoekers hebben de voorzieningenrechter, zakelijk weergegeven, gevraagd de volgende voorzieningen te treffen:
- het bestreden besluit te schorsen,
- verweerder te gelasten de handhaving te staken,
- verweerder te verbieden om handhavend op te treden tegen verzoekers,
- verweerder op te dragen binnen drie dagen na de uitspraak een besluit uit te reiken,
- te bepalen dat, zolang geen besluit is afgegeven, verweerder zich dient te onthouden van uitlatingen aan derden,
- te bepalen dat verweerder toekomstige vergelijkbare activiteiten moet faciliteren en niet mag dwarsbomen,
- de onjuistheid van het besluit te erkennen,
- te bepalen dat verweerder zijn uitlatingen moet rectificeren.
4.2
De voorzieningenrechter stelt vast dat de bijeenkomst op 9 januari 2026 feitelijk is beëindigd en dat een schorsing van het besluit tot toepassen van bestuursdwang daardoor geen feitelijke betekenis meer voor verzoekers kan hebben. Gelet hierop heeft de griffier per brief aan verzoekers gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten en daarbij tevens te motiveren in hoeverre hun vorderingen binnen de reikwijdte en strekking van het besluit vallen.
4.3
Verzoekers hebben in reactie hierop gesteld dat zolang het schriftelijke besluit nog niet is afgegeven zij niet weten of de handhaving is beëindigd. Het besluit zou volgens verzoekers ook kunnen inhouden dat geen enkele activiteit van verzoekers wordt getolereerd. Zonder duidelijkheid hierover is rechtsonzekerheid ontstaan. In het geval verzoekers opnieuw een kerkdienst in [plaats] willen houden, zou de situatie van 9 januari 2026 zich kunnen herhalen.
4.4
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van het verzoek uitsluitend de feitelijk toegepaste bestuursdwang op 9 januari 2026 ter beoordeling voorligt. Dat er mogelijk in het schriftelijke besluit over de toepassing van bestuursdwang afwijkende of aanvullende voorwaarden worden opgenomen betekent niet dat die voorwaarden ook al op 9 januari 2026 zijn opgelegd. Verzoekers worden dan ook niet gevolgd in hun stelling dat niet duidelijk is of de handhaving is beëindigd.
4.5
Uit de door de burgemeester overgelegde stukken blijkt dat bij de afweging of sprake was van een evenement zonder daarvoor benodigde vergunning, de plaats waar de bijeenkomst plaats zal vinden mede bepalend is geweest. Dit betekent dat uit de op 9 januari 2026 toegepaste bestuursdwang niet zondermeer opgemaakt kan worden dat de burgemeester bij soortgelijke bijeenkomsten die plaats vinden op een andere locatie, ook handhavend zal optreden. Bij de beoordeling of verzoekers een spoedeisend belang hebben zal de voorzieningenrechter daarom ook moeten betrekken waar de toekomstige bijeenkomsten zullen plaatsvinden.
4.6
Uit het door verzoekers overgelegde overzicht blijkt dat geen van de bijeenkomsten die in [plaats] zijn gepland op dezelfde locatie plaats zullen vinden als op 9 januari 2026. Alleen daarom al kunnen deze toekomstige bijeenkomsten niet leiden tot het aannemen van een spoedeisend belang.
4.7
De overige verzoeken vallen buiten de omvang en strekking van het bestreden besluit en/of buiten de omvang van het geding in een voorlopige voorzieningenprocedure, zodat de voorzieningenrechter daarover geen oordeel kan geven.
4.8
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.
Proceskosten en griffierecht5. Zoal eerder overwogen gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de burgemeester bestuursdwang heeft toegepast. De burgemeester heeft echter nagelaten deze beslissing schriftelijk te bevestigen aan verzoekers. Hierdoor is voor verzoekers de situatie ontstaan dat zij in onzekerheid verkeren waarom de burgemeester bestuursdwang heeft toegepast en hoe de burgemeester met toekomstige bijeenkomsten zal omgaan. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat verzoekers zich genoodzaakt hebben gevoeld om een voorlopige voorziening aan te vragen. Dit klemt te meer nu de burgemeester, zo blijkt uit het verweerschrift, zich op standpunt stelt dat er helemaal geen sprake is geweest van bestuursdwang en dus ook geen besluit hoeft af te geven. Pas door het verweerschrift – en de onderliggende stukken, met name de brief aan de gemeenteraad – is kenbaar geworden wat de onderliggende motivering is voor het handhavend optreden van de burgemeester.
5.1
Gelet op deze (rechts)onzekerheid, die met name is ontstaan door nalaten van de burgemeester, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de burgemeester te veroordelen tot het betalen van de proceskosten en het vergoeden van het griffierecht.
5.2
De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag van € 934,00 per proceshandeling vergoed. Er is sprake van 1 proceshandeling (namelijk het indienen van het verzoekschrift), zodat een bedrag van € 934,00 voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

De voorzieningenrechtere:
  • wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af:
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 397,00 aan verzoekers moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 19 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.