ECLI:NL:RBZWB:2026:1027

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
02-226922-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 SrArt. 359 SvArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met bedreiging met mes en onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Op 24 augustus 2025 heeft verdachte onder bedreiging met een mes een bedrag van 487 euro gestolen van een bedrijf te [plaats]. Hij dwong twee vijftienjarige medewerkers de kassa te openen en bedreigde hen met het mes, waarna hij vluchtte met het geld.

Tijdens de zitting van 5 februari 2026 legde verdachte een bekennende verklaring af. De rechtbank achtte het feit wettig en overtuigend bewezen op basis van deze verklaring en de aangiften van de medewerkers. De verdediging voerde geen bewijsverweer.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de impact op de slachtoffers en de samenleving, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een verstandelijke beperking en ernstige verslavingsproblematiek. Verdachte heeft een strafblad met soortgelijke veroordelingen.

Hoewel de verdediging een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden verzocht, oordeelde de rechtbank dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twee jaar op, met aftrek van het voorarrest, en sprak verdachte vrij van wat meer of anders was ten laste gelegd.

De rechtbank hield geen rekening met een eerder opgelegde ISD-maatregel omdat hierover nog hoger beroep loopt bij het gerechtshof.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar voor diefstal met bedreiging met een mes.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-226922-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 februari 2026
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
nu gedetineerd in PI [locatie] ,
raadsvrouw: mr. J.E. de Glopper, advocaat in Goes.

1.Het onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in 't Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Kort en feitelijk weergegeven komt de verdenking erop neer dat verdachte op 24 augustus 2025 geld heeft gestolen van [bedrijf] onder bedreiging met geweld.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Het bewijs
Omdat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de:
- bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 februari 2026;
- aangifte van [aangever 1] van 24 augustus 2025, pagina’s 9 tot en met 11 van het eindproces-verbaal;
- aangifte van [aangever 2] van 24 augustus 2025, pagina’s 14 tot en met 16 van het eindproces-verbaal.
3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 24 augustus 2025 te [plaats] , een geldbedrag van in totaal 487 euro dat aan [bedrijf] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen de heer [aangever 1] en [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door een mes te tonen aan die [aangever 1] en [aangever 2] en met dat mes in de richting van die [aangever 1] en [aangever 2] te lopen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid

De strafbaarheid van het feitEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
De strafbaarheid van verdachteVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5.De strafoplegging

5.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 32 maanden met aftrek van het voorarrest. Het feit kan in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
Het feit kan verdachte in verminderde mate worden toegerekend. De verdediging verzoekt de rechtbank een deels voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen, zoals huisvesting bij [accommodatie] , verslavingsbehandeling (door opname bij Emergis) en reclasseringstoezicht. Bij een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf is het verzoek om rekening te houden met de ISD-maatregel die deze rechtbank heeft opgelegd, waarover het gerechtshof ’s-Hertogenbosch nog moet oordelen.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft een diefstal gepleegd onder bedreiging met geweld. Hij heeft een mes getrokken en onder dreiging daarvan twee vijftienjarige medewerkers van [bedrijf] gedwongen de kassa te openen. Vervolgens heeft verdachte een bedrag van 487 euro buitgemaakt en is hij weggerend. Uit de aangiftes van deze medewerkers is gebleken dat zij zich bang en bedreigd voelden en zijn geschrokken. In het algemeen geldt dat een overval grote gevolgen kan hebben voor slachtoffers en dat niet ondenkbaar is dat zij daarvan nog lange tijd last zullen ondervinden. Kennelijk heeft verdachte daarbij niet stilgestaan. Dat heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om op deze wijze – ten koste van anderen – snel aan geld te komen om drugs te kunnen kopen. Verder geldt dat een feit als dit gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving veroorzaakt.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij meerdere keren eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, waaronder een veroordeling op 30 augustus 2023 voor een diefstal met geweld. Dit weegt de rechtbank mee in het nadeel van verdachte.
De rechtbank houdt ook rekening met het advies van de reclassering en het trajectconsult van de psychiater, opgesteld in het kader van een eerdere strafzaak tegen verdachte. De reclassering schrijft in haar advies van 15 juli 2025 dat verdachte een verstandelijke beperking en forse verslavingsproblematiek heeft. Door de jaren heen zijn meerdere zorg- en hulpverleningsinstanties bij verdachte betrokken geweest. Dit heeft nooit geleid tot een verandering in zijn gedrag. Ook de huidige begeleiding door [accommodatie] is onvoldoende om de bij verdachte bestaande patronen te kunnen doorbreken. De reclassering ziet geen mogelijkheid om binnen een ambulant forensisch kader te zorgen voor een gedragsverandering. Verdachte kan of wil zich niet houden aan afspraken waardoor inzet van de reclassering en bijzondere voorwaarden niet haalbaar of zelfs contraproductief worden geacht. De kans op recidive en het risico op onttrekking aan voorwaarden schat de reclassering in als hoog.
De psychiater schrijft in zijn trajectconsult van 11 februari 2025 dat bij verdachte sprake lijkt te zijn van zeer ernstige verslavingsproblematiek en een verstandelijke beperking. Verdachte zou ook bekend zijn met schizofrenie, maar op het moment van onderzoek waren er geen aanwijzingen voor psychotische belevingen of daarbij passend gedrag. Verder schrijft de psychiater dat verdachte zeer waarschijnlijk niet (langdurig) de noodzakelijke en passende zorg zal accepteren.
Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoon van verdachte en zijn problematiek in strafmatigende zin meeweegt, is zij niet van oordeel dat het bewezen verklaarde feit verminderd aan verdachte moet worden toegerekend. De rechtbank heeft hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Daarbij merkt de rechtbank op dat het vonnis van 15 augustus 2025 in de strafzaak tegen verdachte haar ambtshalve bekend is. In dat vonnis zijn dezelfde rapporten gebruikt als in deze zaak. De rechtbank heeft ook toen geen aanleiding gezien om de feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen. De omstandigheden die de verdediging heeft aangevoerd, zoals het ontbreken van de benodigde medicatie en de emotionele toestand van verdachte naar aanleiding van het laatstgenoemde vonnis, brengen, wat daar verder ook van zij, geen verandering in dit oordeel.
De strafGelet op het voorgaande en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, is een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden. De rechtbank houdt geen rekening met de ISD-maatregel die deze rechtbank bij vonnis van 15 augustus 2025 heeft opgelegd. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Het is dan ook aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om over de ISD-maatregel te oordelen. De rechtbank zal geen voorwaardelijk strafdeel opleggen. Gelet op het reclasseringsadvies en het trajectconsult is een voorwaardelijk kader niet passend en niet toereikend.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.

6.Het wettelijke voorschrift

De beslissing berust op artikel 312 van Pro het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

7.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 2 (twee) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Akdikan, voorzitter,
en mr. G.H. Nomes en mr. L.W. Louwerse, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken op de openbare zitting van 19 februari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te [plaats] , in elk geval in
Nederland, een geldbedrag van in totaal 487 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen de heer [aangever 1] en/of [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door een mes te tonen aan en/of met dat mes in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] te lopen.