ECLI:NL:RBZWB:2026:1025

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
02-150365-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36d SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 63 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor twee keer poging tot doodslag met mes in Tilburg

Op 1 mei 2024 heeft de verdachte, een minderjarige, in het centrum van Tilburg met een groot mes twee jongens, aangeduid als aangever 1 en aangever 2, meerdere keren gestoken tijdens een vechtpartij. Aangever 1 liep ernstige verwondingen op, waaronder een open onderarm met zichtbare botten en een slagaderlijke bloeding, en een litteken van circa 10 cm in het gezicht. Aangever 2 werd met krachtige steken in de richting van zijn rug en onderlichaam bedreigd.

De rechtbank oordeelde dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde, aangezien hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zijn steken dodelijk zouden kunnen zijn. De verdediging voerde aan dat er geen opzet op de dood was, maar dit werd verworpen. De rechtbank achtte de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte werd veroordeeld tot een jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 285 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod met aangever 1. Daarnaast werd een werkstraf van 200 uur opgelegd, met een vervangende jeugddetentie van 100 dagen bij niet-naleving. De rechtbank hield rekening met een overschrijding van de redelijke termijn van zes maanden en mat de straf dienovereenkomstig.

De benadeelde partij aangever 1 kreeg een schadevergoeding van €7.500,- toegekend voor immateriële schade, met wettelijke rente vanaf 1 mei 2024. Het mes werd onttrokken aan het verkeer. De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en bepaalde dat de opgelegde voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar zijn.

De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 19 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen jeugddetentie, waarvan 285 voorwaardelijk, en 200 uur werkstraf voor twee pogingen tot doodslag.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-150365-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedag] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
raadsvrouw mr. M.A. Stoffijn, advocaat te Waalwijk.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 5 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:heeft geprobeerd om [aangever 1] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes in de onderarm en het gezicht te steken;
feit 2:heeft geprobeerd om [aangever 2] van het leven te beroven, dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van zijn lichaam.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair en feit 2 primair heeft begaan, zijnde een poging tot doodslag op [aangever 1] respectievelijk [aangever 2] .
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de primair ten laste gelegde feiten, omdat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als poging tot doodslag. Bovendien heeft verdachte met zijn handelen geen (voorwaardelijk) opzet op de dood gehad.
De verdediging is van mening dat de subsidiair ten laste gelegde feiten wel bewezen kunnen worden verklaard.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststelling feiten
Vast staat dat verdachte op 1 mei 2024 omstreeks 22.00 uur samen met [persoon] in het centrum van Tilburg was. Op een betonnen verhoging zaten de aangevers [aangever 1] en [aangever 2] en nog wat vrienden. [persoon] liep naar de groep, omdat hij naar eigen zeggen met één van die jongens “beef” had. Nadat [persoon] aan één van die jongens een klap had gegeven, ontstond tussen hem en de groep vrienden van [aangever 1] en [aangever 2] een vechtpartij. De rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat verdachte het mes al bij zich had op het moment dat de vechtpartij begon. Vervolgens is verdachte zich in de vechtpartij gaan mengen en heeft hij met dat mes stekende en zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van het onderlichaam, de benen en de middel van [aangever 2] . Daarna heeft verdachte met datzelfde mes soortgelijke bewegingen in de richting van [aangever 1] gemaakt en heeft hij hem in zijn gezicht en onderarm geraakt. Als gevolg van deze geweldshandelingen heeft [aangever 1] een flinke verwonding in zijn gezicht opgelopen en had hij zo’n grote verwonding aan zijn arm dat zijn bot zichtbaar was en hij een slagaderlijke bloeding kreeg.
Poging tot doodslag
De vraag is of verdachte met zijn handelen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [aangever 1] en [aangever 2] . Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte de bedoeling heeft gehad om [aangever 1] en [aangever 2] van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van zogenoemd ‘vol opzet’ op de dood van hun beiden. Voorwaardelijk opzet op de dood kan bewezen worden geacht als verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangever 1] en [aangever 2] door het steken zouden komen te overlijden.
De rechtbank stelt vast dat verdachte met kracht met een mes in de wang en onderarm van [aangever 1] heeft gestoken. Als gevolg hiervan lag de onderarm van [aangever 1] helemaal open en kreeg hij een slagaderlijke bloeding die ter plekke werd gestelpt met een tourniquet. Ook had hij een flinke verwonding in zijn gezicht van circa 10 cm. Dat verdachte met kracht moet hebben gestoken, blijkt niet alleen uit het letsel, maar ook uit de omstandigheid dat zelfs het bot in de onderarm van [aangever 1] zichtbaar was. Ook uit de ter zitting getoonde camerabeelden blijkt dat verdachte met krachtige, haast hakkende bewegingen, met een groot mes achter [aangever 1] aan ging. De verklaring van verdachte dat het om een mes van een terras was, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Immers, op de camerabeelden is te zien dat het om een groot mes gaat en eerder sprake is van een groot keukenmes. Het geconstateerde letsel past daar ook meer bij. Voorts blijkt niet dat verdachte een mes van het terras heeft opgeraapt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door op deze wijze te handelen, het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [aangever 1] . Het hoofd is een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam waarin zich belangrijke en vitale functies bevinden, en ook in de arm bevinden zich belangrijke slagaderen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan [aangever 1] dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg daarvan, te weten de dood van [aangever 1] , ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag op [aangever 1] dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank komt tot ditzelfde oordeel ten aanzien van de gedragingen van verdachte richting [aangever 2] . Verdachte heeft immers met diezelfde gerichte en krachtige bewegingen met datzelfde mes op de rug en het onderlichaam van [aangever 2] in willen steken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de romp kwetsbare en vitale organen van het menselijk lichaam en belangrijke (slag)aderen bevinden. Door met een groot keukenmes krachtig richting de romp van [aangever 2] te steken, bestaat de aanmerkelijke kans dat één of meer van deze vitale organen of aderen zouden worden geraakt. De rechtbank weegt hierbij mee dat [aangever 1] ook daadwerkelijk ernstig gewond is geraakt door diezelfde handelingen van verdachte. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan [aangever 2] dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg daarvan, te weten de dood van [aangever 2] , ook bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht daarom ook de primair tenlastegelegde poging tot doodslag op [aangever 2] wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op 1 mei 2024 te Tilburg , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [aangever 1] met een mes in de wang en in de onderarm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
op 1 mei 2024 te Tilburg , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes stekende bewegingen in de richting de rug, de middel en het been van die [aangever 2] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 300 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 285 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daarbij de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met slachtoffer [aangever 1] . Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 200 uur, te vervangen door 100 dagen jeugddetentie. Zij heeft daarbij rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een werkstraf, met aftrek van voorarrest aan verdachte op te leggen. Daarnaast verzoekt de verdediging een voorwaardelijke jeugddetentie met de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen en rekening te houden met een overschrijding van de redelijke termijn.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan twee keer een poging tot doodslag op [aangever 1] en [aangever 2] , jongens die gewoon buiten zaten in het centrum van Tilburg en die bij een vechtpartij betrokken zijn geraakt. Verdachte heeft [aangever 1] meerdere keren gestoken en ook heeft hij geprobeerd [aangever 2] met datzelfde mes te steken. Het handelen van verdachte staat niet in verhouding tot wat er gaande was. Slachtoffer [aangever 1] heeft ernstig en blijvend letsel opgelopen en ondervindt daarvan zowel lichamelijk als geestelijk nog steeds de gevolgen. Dit blijkt uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dat het niet slechter met slachtoffer [aangever 1] is afgelopen, is een omstandigheid die geenszins aan verdachte is te danken. Verdachte is zelfs weggerend nadat hij door had dat hij hem had geraakt. Daarnaast neemt de rechtbank mee dat een dergelijk feit ook voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving zorgt. Het steekincident vond plaats midden in het centrum van Tilburg , waar op dat moment ook veel mensen en jongeren aanwezig waren. Dat verdachte ter zitting geen volledige openheid van zaken heeft gegeven, zoals het antwoord op de vraag waarom hij een mes bij zich had, vindt de rechtbank teleurstellend.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 25 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van de Raad en de toelichting hierop ter zitting. De Raad vindt het zeer ernstig en zorgelijk dat verdachte op deze jonge leeftijd in een dergelijke situatie terecht is gekomen en op deze heftige wijze heeft gereageerd. Na zijn verblijf in de JJI heeft verdachte zes maanden huisarrest gehad met elektronische monitoring en sindsdien wordt hij begeleid door de jeugdreclassering.
Vanuit onderzoek van Fivoor komen aandachtspunten naar voren, onder meer gericht op disfunctionele oplossingsvaardigheden. De delictanalyse van Fivoor is positief afgerond door verdachte, maar hij was weinig gemotiveerd voor een psychologisch onderzoek en onderzoek naar zijn capaciteiten. Zorgelijk is dat verdachte in 2025 twee keer betrokken is geweest bij een vechtpartij. De disfunctionele oplossingsvaardigheden lijken daaraan ten grondslag te liggen en dit behoeft nog aandacht, omdat de kans op herhaling anders groot is. Het contact met de jeugdreclassering verloopt goed en hij heeft het dagbestedingstraject positief afgerond. Inmiddels volgt verdachte een MBO BBL-opleiding op niveau 1 en is de verwachting dat hij in de zomer van 2026 zijn diploma haalt. Ook is er zicht gekomen op het middelengebruik van verdachte en was er tijdens de controles geen middelengebruik meer zichtbaar. De Raad adviseert een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie met daarbij als bijzondere voorwaarden de meldplicht, het volgen van onderwijs en inzet voor dagbesteding en het meewerken aan hulp, behandeling en/of onderzoek. De Raad betwijfelt of dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden nog noodzakelijk is en laat de beslissing daarover aan de rechtbank.
Strafoplegging
Bij de bepaling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Vanwege de ernst van de strafbare feiten ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Hoewel de rechtbank ziet dat verdachte zich de afgelopen tijd positief heeft ontwikkeld, acht zij net als alle betrokkene begeleiding van de jeugdreclassering noodzakelijk. Ook de overige geadviseerde bijzondere voorwaarden acht de rechtbank in het belang van verdachte. De rechtbank zal daarnaast als bijzondere voorwaarde een contactverbod opleggen met slachtoffer [aangever 1] . Voorts acht de rechtbank een werkstraf van aanzienlijke duur passend.
Redelijke termijn
De rechtbank zal ook rekening houden met een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 2 mei 2024, omdat verdachte op dat moment in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 22 maanden verstreken.
Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak zestien maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden met zes maanden. Daarom zal als compensatie de straf worden gematigd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 77za Sr om dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden te bevelen. Door de Raad en de jeugdreclasseerder is toegelicht dat er het afgelopen half jaar geen (gewelds)incidenten meer zijn voorgevallen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er géén sprake is van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een geweldsmisdrijf zal begaan. Gelet hierop zal de rechtbank geen dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het jeugdreclasseringstoezicht bevelen.
Conclusie
Alles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie van 300 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 285 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daarbij de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden en het contactverbod passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank op dezelfde gronden aan verdachte opleggen een werkstraf van 200 uur.

7.Het beslag

7.1.
De onttrekking aan het verkeer
Het inbeslaggenomen voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer. Het voorwerp, te weten hashish, is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om dat voorwerp te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 7.500,- voor feit 1 primair.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen is dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 7.500,-, bestaande uit immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij de schade voldoende heeft onderbouwd en dat is gebleken dat de arm van de benadeelde partij niet meer volledig zal herstellen. Bovendien is sprake van een blijvend litteken in het gezicht van circa 10 cm en op de arm van de benadeelde partij.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 1 mei 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Omdat verdachte minderjarig was ten tijde van de gepleegde feiten, zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36d, 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair en feit 2 primair: poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 285 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
* dat verdachte gedurende de proeftijd onderwijs volgt en/of zich (in overleg met de gecertificeerde instelling) inzet voor een zinnige dagbesteding;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan hulp / behandeling en/of onderzoek wanneer dit nodig geacht wordt door de gecertificeerde instelling;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangever 1] , geboren op [2007] , zo lang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht;
van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- draagt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, afdeling jeugdreclassering te [plaats] , op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 200 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
100 dagen;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1 primair
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 7.500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangever 1] , € 7.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart aan het verkeer onttrokken het volgende voorwerp:
3 STK Hashish (G2723913)
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Toekoen, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en
mr. N. van der Hoeven, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 19 februari 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Tilburg , althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] opzettelijk van het leven te beroven,
die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de wang, althans in het gezicht en/of in de (onder)arm heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Tilburg , althans in Nederland, aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een ontsierend litteken in het gezicht en/of een steekwond in de arm, heeft toegebracht door die voornoemde [aangever 1] , meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de wang, althans in het gezicht en/of in de (onder)arm te steken en/of te snijden;
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Tilburg , althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voonverp in de wang, althans in het gezicht en/of in de (onder)arm heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
2.
hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Tilburg , althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 2] opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp stekende bewegingen in de richting de rug, de middel en/of het been, althans van het lichaam van die [aangever 2] heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 mei 2024 te Tilburg , althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp stekende bewegingen in de richting de rug, de middel en/of het been, althans van het lichaam van die [aangever 2] heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)