ECLI:NL:RBZWB:2026:1011

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
02-375507-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontuchtige handelingen met minderjarige en getuige laten zijn van seksuele handelingen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor twee feiten van ontuchtige handelingen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige van vijf jaar oud. Daarnaast heeft verdachte de minderjarige getuige laten zijn van seksuele handelingen. De feiten vonden plaats in de periode van 1 april tot en met 30 juni 2024, terwijl verdachte als bewegingscoach werkzaam was op een basisschool.

De rechtbank sprak verdachte vrij van twee andere tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs. De verklaring van het jonge slachtoffer werd als consistent, specifiek en betrouwbaar beoordeeld, mede ondersteund door het bekende DNA-bewijs en de bekentenis van verdachte over masturbatie in het zicht van het kind. De rechtbank oordeelde dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de vertrouwensrelatie en de lichamelijke en geestelijke integriteit van het kind ernstig heeft geschonden.

De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van 367 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur met vervangende hechtenis van 120 dagen. Verdachte kreeg aftrek van het voorarrest. De rechtbank legde geen beroepsverbod op gezien het blanco strafblad en het lage recidiverisico. Tevens werd een immateriële schadevergoeding van €2.500,- toegekend aan het slachtoffer, te storten op een spaarrekening met een BEM-clausule ter bescherming van het minderjarige slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 367 dagen gevangenisstraf, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uur voor ontuchtige handelingen met een minderjarige en het laten getuige zijn van seksuele handelingen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-375507-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
raadsman mr. M. Houweling, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 05 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. E. van Aalst en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige;
feit 2: een persoon onder de 12 jaar, die aan zijn zorg was toevertrouwd, heeft aangerand;
feit 3: een minderjarige persoon, waarvan verdachte weet dat hij jonger dan 16 jaar is en die aan zijn zorg was toevertrouwd, getuige heeft laten zijn van seksuele handelingen;
feit 4: een kind beneden de leeftijd van 16 jaar getuige heeft laten zijn van een handeling van seksuele aard op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van 16 jaar.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert ten aanzien van de feiten 2 en 4 vrijspraak, nu de tenlastegelegde pleegperiode niet bewezen kan worden verklaard op grond van het dossier. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is met de officier van justitie van mening dat verdachte van de feiten 2 en 4 vrijgesproken moet worden, nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat ten aanzien van de tenlastegelegde pleegperiode.
Ten aanzien van feit 1 ontkent verdachte de ten laste gelegde ontuchtige handelingen. Van een ontuchtig oogmerk, zoals bedoeld in feit 3, is geen sprake, aangezien verdachte er niet willens en wetens op uit was dat iemand getuige zou zijn van zijn zelfbevredigingshandelingen.
De verdediging acht de verklaring van de jongen over de vermeende gedragingen van verdachte niet betrouwbaar. Het steunbewijs dat in het dossier aanwezig is, past ook bij de verklaring van verdachte. Er is dus geen objectief bewijs dat alleen past bij de verklaring van de jongen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vrijspraak feiten 2 en 4
De verdenking omvat twee incidenten in een bepaalde pleegperiode. Op 1 juli 2024, gelegen binnen de tenlastegelegde pleegperiode, is de wet gewijzigd. Om die reden heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om de twee incidenten die verdachte worden verweten in vier afzonderlijke feiten ten laste te leggen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder de feiten 2 en 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu het dossier geen aanknopingspunten biedt dat de incidenten in de daarin ten laste gelegde pleegperiode zouden zijn begaan. Verdachte wordt dan ook van deze feiten vrijgesproken.
Feiten 1 en 3
Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte vanaf 5 april 2024 als bewegingscoach werkzaam is geweest op basisschool xxxxx. In die hoedanigheid heeft hij ondersteuning gegeven aan een groepje kinderen met een bewegingsachterstand. De jongen, op dat moment 5 jaar, was één van die kinderen. Verdachte heeft vanaf begin april vier keer een ondersteuningsles gegeven aan de jongen. Op twee van deze momenten zou volgens de jongen iets zijn voorgevallen. De verklaringen van verdachte en de jongen over wat er op deze momenten is voorgevallen lopen uiteen.
Volgens de jongen heeft verdachte bij het eerste moment in het invalidetoilet met zijn piemel over verschillende delen van het lichaam van de jongen gewreven. Dit deed verdachte volgens de jongen om het “gif” van de beestjes uit de boom weg te halen. Verdachte zou het “gif” vervolgens in de wasbak uit zijn piemel hebben geschud. Dat “gif” zou een gelige kleur hebben. Bij het tweede moment, in de speelzaal, heeft verdachte weer met zijn piemel over het lichaam van de jongen gewreven, waarna verdachte het op een kussen in de speelzaal eruit gooide.
Verdachte ontkent nadrukkelijk dat sprake is geweest van de door de jongen gestelde ontuchtige handelingen. Wel heeft hij in de speelzaal gemasturbeerd, waarbij hij werd betrapt door de jongen. Het was echter niet zijn bedoeling dat iemand dit zag. Tijdens het eerste incident heeft hij tegen de jongen, die in een boom zat en er niet uit wilde komen, over ziekmakende beestjes in de boom gesproken, maar dit was alleen met het doel om de jongen uit de boom te laten komen.
Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het feit dat zij zich voordoen in een situatie waarbij slechts twee personen aanwezig zijn: een verondersteld slachtoffer en een veronderstelde dader. Als de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. De bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De Hoge Raad heeft het belang van deze bepaling bij herhaling onderstreept door te overwegen dat deze strekt ter waarborging van de
deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat hij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daar staat echter tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaring van de aangever voldoende wettig bewijs kan opleveren. Ook geldt dat niet elk onderdeel van de tenlastelegging door twee bewijsmiddelen hoeft te worden bevestigd. De vraag of aan voormeld bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden.
Betrouwbaarheid
Naar aanleiding van een boswandeling met het gezin, waarbij de jongen beestjes heeft gezien op een boom heeft de jongen op eigen initiatief en spontaan aan zijn ouders verteld dat een meneer met zijn raketpiemel het gif van de beestjes bij hem had weggehaald. De jongen benoemt daarbij de handelingen, zoals deze onder feit 1 ten laste zijn gelegd. Ruim een maand later wordt de jongen verhoord door de politie in een zogenoemd studioverhoor. Daar heeft hij over dit moment hetzelfde verteld. De rechtbank is van oordeel dat de jongen consistent heeft verklaard over de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze handelingen zouden hebben plaatsgevonden. Ook is hij in zijn verklaring heel specifiek en gedetailleerd geweest. Hij heeft duidelijk aangegeven wat er wel en wat er niet is gebeurd. Dat de jongen in eerste instantie ten overstaan van zijn ouders niet over het tweede moment in de speelzaal heeft verklaard en hier later tijdens het studioverhoor wel iets over zegt, maakt zijn verklaring niet onbetrouwbaar en komt de rechtbank niet vreemd voor. Het gaat om een zeer jong kind en het is een gegeven dat politieambtenaren die gespecialiseerd zijn om jonge en kwetsbare kinderen te verhoren, met hun opstelling en vragen meer ruimte kunnen bieden aan een slachtoffer om te verklaren. Ook heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het verhaal van de jongen is gevoed door anderen. Dit alles bij elkaar maakt dat de verklaring van de jongen geloofwaardig en authentiek overkomt en daarmee betrouwbaar is en als bewijsmiddel gebruikt kan worden.
Steunbewijs
De rechtbank is voorts van oordeel dat de verklaring van de jongen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Na eerst gezwegen te hebben, heeft verdachte bekend dat hij zichzelf in de speelzaal heeft bevredigd en daarna op een mat is klaargekomen. Zijn DNA is ook op die mat aangetroffen. Vervolgens geeft verdachte aan dat, nadat de jongen de sperma zag liggen en vroeg of het plas was, hij geantwoord heeft dat dat het gif van de beestjes was en dat het er even uit moest. Deze verklaring is in lijn met de verklaring van de jongen over het uitschudden van het gif uit zijn piemel in de wasbak van het invalidetoilet tijdens het eerste incident. Dat er tijdens dit eerste incident is gesproken over beestjes en gif wordt ook bevestigd door verdachte.
Overtuiging
Ten slotte heeft de rechtbank ook de overtuiging dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De jongen heeft tegenover zijn ouders en de politie verklaard over de seksuele handelingen die bij hem zijn verricht en de gedragingen waarvan hij getuige is geweest. In deze verklaringen ziet de rechtbank een duidelijke rode draad. De verklaringen over de twee incidenten zijn consistent, specifiek, heel gedetailleerd, en komen op essentiële punten overeen. Daarnaast zijn door de jongen bij zijn studioverhoor ook bewegingen gemaakt die passen bij de handelingen van verdachte op de twee momenten waarover hij heeft verklaard. Handelingen, die een kind van 5 jaar niet zou moeten kunnen beschrijven of voordoen, nu deze zien op seksueel expliciete handelingen, tenzij hij hiervan getuige is geweest. De rechtbank acht de verklaringen van de jongen over wat er tijdens beide incidenten heeft plaatsgevonden dan ook geloofwaardig.
De verklaring van verdachte dat er, op het masturberen na, geen seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet geloofwaardig. Dat verdachte consistent is in zijn ontkenning en dat het aangetroffen DNA op de mat ook bij zijn uitleg over het tweede incident past, maakt dit niet anders. In dit verband heeft de rechtbank ook gekeken naar de uitleg van verdachte over wat er tijdens dit incident op de mat is gekomen, toen de jongen hem daarnaar vroeg. Hij bevestigde, ook naar eigen zeggen, niet de door de jongen geopperde mogelijkheid dat het urine was, maar kwam met het verhaal dat dit gif van de beestjes was. Ter zitting heeft verdachte hierover gezegd dat hij deze verklaring in een “split second” heeft bedacht omdat hij in paniek was en dat hij ook niet weet waarom hij dit heeft verzonnen. Dit acht de rechtbank niet geloofwaardig, temeer nu deze uitleg past bij hetgeen zich volgens de jongen tijdens het eerste incident heeft voorgedaan; het incident dat door verdachte wordt betwist.
De rechtbank gaat dan ook niet mee in het verhaal van verdachte en schuift dit terzijde.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de jongen niet alleen geloofwaardig en betrouwbaar is, maar ook voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Aan het wettelijk bewijsminimum wordt aldus voldaan. Daarnaast heeft de rechtbank ook de overtuiging dat verdachte de ten laste gelegde ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Daarom acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de onder de feiten 1 en 3 tenlastegelegde ontuchtige handelingen bij de toen aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op tijdstippen in de periode van 1 april 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige xxxx, geboren op xxxx, door met zijn, verdachtes, erecte geslachtsdeel over de buik en/of rug en/of billen en benen van voornoemde xxxx te wrijven en/of te vegen;
3
op tijdstippen in de periode van 1 april 2024 tot en met 30 juni 2024 te [plaats] , een aan hem, verdachtes, zorg en waakzaamheid toevertrouwd persoon, te weten xxxx, van wie hij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft/is verdachte in het zicht van voornoemde xxxx, geboren op xxxx,
- zijn volledige onderkleding uitgetrokken en
- zijn erecte geslachtsdeel getoond en zichzelf afgetrokken en
- in een wasbak en/of op een kussen klaargekomen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie een ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van leerkracht, begeleider, instructeur of verzorger van minderjarigen voor de duur van vijf jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Een straf gelijk aan het voorarrest met een voorwaardelijk strafdeel en daarnaast eventueel een taakstraf wordt als passende strafmaat door de verdediging voorgesteld.
Het door de officier van justitie gevorderde beroepsverbod moet worden afgewezen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft twee keer ontucht gepleegd met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige van op dat moment vijf jaar oud. Daarbij heeft verdachte hem getuige laten zijn van seksuele handelingen door zijn penis te ontbloten en zichzelf af te trekken in het zicht van die minderjarige. Deze handelingen heeft verdachte gepleegd terwijl hij, als medewerker van een organisatie die ondersteuning biedt op basisscholen, werkzaam was op de basisschool van het slachtoffer. De basisschool had bij uitstek een veilige plek voor het slachtoffer moeten zijn. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke en geestelijke integriteit van de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige ernstig geschonden en misbruik gemaakt van de vertrouwens- en afhankelijkheidsrelatie die er tussen hen was. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelwijze schade aan zijn beroepsgroep toegebracht en ernstig inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat ouders in scholen stellen. Het is algemeen bekend dat jonge slachtoffers van dergelijke delicten daarvan later ernstige nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. De vader van het slachtoffer heeft hierover ter zitting ook verklaard bij het spreekrecht. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij niet heeft stilgestaan bij wat de gevolgen kunnen zijn voor het slachtoffer, maar dat hij kennelijk zijn eigen lustgevoelens en behoefte voorop heeft gesteld.
Gelet op de ernst van de feiten en de zeer jonge leeftijd van de minderjarige, is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf passend en geboden.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het blanco strafblad van verdachte en ook van het reclasseringsrapport van 15 april 2025. Uit dit rapport leidt de rechtbank onder meer af dat de reclassering geen risicosignalen ziet en dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. Het advies wordt gegeven om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdachte ontkent en de reclassering ziet om die reden geen mogelijkheden om met interventies of toezicht eventuele risico's te beperken.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het psychologisch rapport van drs. [persoon] van 10 april 2025. Volgens de psycholoog is verdachte niet lijdende aan een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische stoornis. Weliswaar ervoer hij tijdens het onderzoek psychische klachten, maar deze waren echter sterk door de situatie ingegeven en konden niet als een stoornis worden geduid. Anderzijds kon de psycholoog een parafiele stoornis of seksuele disfunctie niet uitsluiten. De psycholoog heeft zich om die reden voorzichtigheidshalve van een advies over de toerekeningsvatbaarheid onthouden.
De rechtbank stelt vast dat verdachte met ingang van 30 mei 2025 uit de voorlopige hechtenis is geschorst met schorsingsvoorwaarden waaraan hij zich tot de zitting heeft gehouden. Ook stelt de rechtbank vast dat de gevolgen van het handelen van verdachte niet alleen voor hemzelf, maar ook voor zijn gezin ernstig zijn geweest. De gezinsleden hebben te kampen gehad met bedreigingen. Dit heeft er zelfs toe geleid dat het gezin noodgedwongen is verhuisd.
De rechtbank weegt ook mee dat verdachte zelf nog jong is en dat de tijd in voorarrest, te weten 187 dagen, een flinke indruk op hem heeft gemaakt.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 367 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van het voorarrest. Dit houdt in dat verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft. De rechtbank vindt een voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats, enerzijds om de ernst van het feit te benadrukken en anderzijds als stok achter de deur. Ondanks het als laag ingeschatte recidiverisico en het feit dat er geen stoornis is vastgesteld, is het voor de rechtbank onduidelijk gebleven wat verdachte heeft bewogen om deze feiten te plegen. Om de ernst van de feiten te benadrukken, acht de rechtbank ook de oplegging van een maximale taakstraf op zijn plaats.
Beroepsverbod
De rechtbank kan een beroepsverbod opleggen als de wet daarin voorziet en de verdachte het strafbare feit in de uitoefening van dat beroep heeft begaan. Daarvan is in deze zaak sprake. Gelet op het blanco strafblad van verdachte en het door de reclassering als laag ingeschatte recidiverisico acht de rechtbank een dergelijke bijkomende straf echter niet op zijn plaats.

7.Het beslag

7.1.
De teruggave
Ten aanzien van het hierna genoemde in beslag genomen geldbedrag van € 10.000,- wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte..

8.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij xxxx vordert een schadevergoeding van € 3.500,- voor de tenlastegelegde feiten 1 en 3.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Vergoeding van de immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of “op ander wijze” in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon “op andere wijze” in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon “op andere wijze” volgen uit de aarde en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschendingen, is de rechtbank van oordeel dat de nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zo voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Verdachte heeft met zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de benadeelde partij.
Gelet op het voorgaande en de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding billijk is. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade toe tot een bedrag van
€ 2.500,- en verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Nu niet precies bekend is op welke data de tenlastegelegde feiten zich precies hebben voorgedaan, maar wel duidelijk is dat het binnen de tenlastegelegde periode is geweest, zal de rechtbank uit gaan van de uiterste datum van die periode, te weten 30 juni 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
BEM-clausule
De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding die betaald moet worden als gevolg van deze uitspraak zal worden gestort op een ten behoeve van xxxx (geboren op xxxx) te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot hij achttien jaar is.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 248d en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
feit 3: een persoon, van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
Gevangenisstraf
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 367 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Taakstraf
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
120 dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij xxxx van €2.500,-, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
xxxxte betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
25 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
BEM-clausule
- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij xxxx (geboren op xxxx) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten
€ 10.000,- :
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.F. Vliegenberg, voorzitter,
en mr. C.H.M. Pastoors en mr. S.C.S. van Bree, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 19 februari 2026.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.