4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vrijspraak feiten 2 en 4
De verdenking omvat twee incidenten in een bepaalde pleegperiode. Op 1 juli 2024, gelegen binnen de tenlastegelegde pleegperiode, is de wet gewijzigd. Om die reden heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om de twee incidenten die verdachte worden verweten in vier afzonderlijke feiten ten laste te leggen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder de feiten 2 en 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu het dossier geen aanknopingspunten biedt dat de incidenten in de daarin ten laste gelegde pleegperiode zouden zijn begaan. Verdachte wordt dan ook van deze feiten vrijgesproken.
Feiten 1 en 3
Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte vanaf 5 april 2024 als bewegingscoach werkzaam is geweest op basisschool xxxxx. In die hoedanigheid heeft hij ondersteuning gegeven aan een groepje kinderen met een bewegingsachterstand. De jongen, op dat moment 5 jaar, was één van die kinderen. Verdachte heeft vanaf begin april vier keer een ondersteuningsles gegeven aan de jongen. Op twee van deze momenten zou volgens de jongen iets zijn voorgevallen. De verklaringen van verdachte en de jongen over wat er op deze momenten is voorgevallen lopen uiteen.
Volgens de jongen heeft verdachte bij het eerste moment in het invalidetoilet met zijn piemel over verschillende delen van het lichaam van de jongen gewreven. Dit deed verdachte volgens de jongen om het “gif” van de beestjes uit de boom weg te halen. Verdachte zou het “gif” vervolgens in de wasbak uit zijn piemel hebben geschud. Dat “gif” zou een gelige kleur hebben. Bij het tweede moment, in de speelzaal, heeft verdachte weer met zijn piemel over het lichaam van de jongen gewreven, waarna verdachte het op een kussen in de speelzaal eruit gooide.
Verdachte ontkent nadrukkelijk dat sprake is geweest van de door de jongen gestelde ontuchtige handelingen. Wel heeft hij in de speelzaal gemasturbeerd, waarbij hij werd betrapt door de jongen. Het was echter niet zijn bedoeling dat iemand dit zag. Tijdens het eerste incident heeft hij tegen de jongen, die in een boom zat en er niet uit wilde komen, over ziekmakende beestjes in de boom gesproken, maar dit was alleen met het doel om de jongen uit de boom te laten komen.
Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het feit dat zij zich voordoen in een situatie waarbij slechts twee personen aanwezig zijn: een verondersteld slachtoffer en een veronderstelde dader. Als de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. De bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De Hoge Raad heeft het belang van deze bepaling bij herhaling onderstreept door te overwegen dat deze strekt ter waarborging van de
deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat hij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daar staat echter tegenover dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaring van de aangever voldoende wettig bewijs kan opleveren. Ook geldt dat niet elk onderdeel van de tenlastelegging door twee bewijsmiddelen hoeft te worden bevestigd. De vraag of aan voormeld bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden.
Betrouwbaarheid
Naar aanleiding van een boswandeling met het gezin, waarbij de jongen beestjes heeft gezien op een boom heeft de jongen op eigen initiatief en spontaan aan zijn ouders verteld dat een meneer met zijn raketpiemel het gif van de beestjes bij hem had weggehaald. De jongen benoemt daarbij de handelingen, zoals deze onder feit 1 ten laste zijn gelegd. Ruim een maand later wordt de jongen verhoord door de politie in een zogenoemd studioverhoor. Daar heeft hij over dit moment hetzelfde verteld. De rechtbank is van oordeel dat de jongen consistent heeft verklaard over de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze handelingen zouden hebben plaatsgevonden. Ook is hij in zijn verklaring heel specifiek en gedetailleerd geweest. Hij heeft duidelijk aangegeven wat er wel en wat er niet is gebeurd. Dat de jongen in eerste instantie ten overstaan van zijn ouders niet over het tweede moment in de speelzaal heeft verklaard en hier later tijdens het studioverhoor wel iets over zegt, maakt zijn verklaring niet onbetrouwbaar en komt de rechtbank niet vreemd voor. Het gaat om een zeer jong kind en het is een gegeven dat politieambtenaren die gespecialiseerd zijn om jonge en kwetsbare kinderen te verhoren, met hun opstelling en vragen meer ruimte kunnen bieden aan een slachtoffer om te verklaren. Ook heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het verhaal van de jongen is gevoed door anderen. Dit alles bij elkaar maakt dat de verklaring van de jongen geloofwaardig en authentiek overkomt en daarmee betrouwbaar is en als bewijsmiddel gebruikt kan worden.
Steunbewijs
De rechtbank is voorts van oordeel dat de verklaring van de jongen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Na eerst gezwegen te hebben, heeft verdachte bekend dat hij zichzelf in de speelzaal heeft bevredigd en daarna op een mat is klaargekomen. Zijn DNA is ook op die mat aangetroffen. Vervolgens geeft verdachte aan dat, nadat de jongen de sperma zag liggen en vroeg of het plas was, hij geantwoord heeft dat dat het gif van de beestjes was en dat het er even uit moest. Deze verklaring is in lijn met de verklaring van de jongen over het uitschudden van het gif uit zijn piemel in de wasbak van het invalidetoilet tijdens het eerste incident. Dat er tijdens dit eerste incident is gesproken over beestjes en gif wordt ook bevestigd door verdachte.
Overtuiging
Ten slotte heeft de rechtbank ook de overtuiging dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De jongen heeft tegenover zijn ouders en de politie verklaard over de seksuele handelingen die bij hem zijn verricht en de gedragingen waarvan hij getuige is geweest. In deze verklaringen ziet de rechtbank een duidelijke rode draad. De verklaringen over de twee incidenten zijn consistent, specifiek, heel gedetailleerd, en komen op essentiële punten overeen. Daarnaast zijn door de jongen bij zijn studioverhoor ook bewegingen gemaakt die passen bij de handelingen van verdachte op de twee momenten waarover hij heeft verklaard. Handelingen, die een kind van 5 jaar niet zou moeten kunnen beschrijven of voordoen, nu deze zien op seksueel expliciete handelingen, tenzij hij hiervan getuige is geweest. De rechtbank acht de verklaringen van de jongen over wat er tijdens beide incidenten heeft plaatsgevonden dan ook geloofwaardig.
De verklaring van verdachte dat er, op het masturberen na, geen seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet geloofwaardig. Dat verdachte consistent is in zijn ontkenning en dat het aangetroffen DNA op de mat ook bij zijn uitleg over het tweede incident past, maakt dit niet anders. In dit verband heeft de rechtbank ook gekeken naar de uitleg van verdachte over wat er tijdens dit incident op de mat is gekomen, toen de jongen hem daarnaar vroeg. Hij bevestigde, ook naar eigen zeggen, niet de door de jongen geopperde mogelijkheid dat het urine was, maar kwam met het verhaal dat dit gif van de beestjes was. Ter zitting heeft verdachte hierover gezegd dat hij deze verklaring in een “split second” heeft bedacht omdat hij in paniek was en dat hij ook niet weet waarom hij dit heeft verzonnen. Dit acht de rechtbank niet geloofwaardig, temeer nu deze uitleg past bij hetgeen zich volgens de jongen tijdens het eerste incident heeft voorgedaan; het incident dat door verdachte wordt betwist.
De rechtbank gaat dan ook niet mee in het verhaal van verdachte en schuift dit terzijde.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de jongen niet alleen geloofwaardig en betrouwbaar is, maar ook voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Aan het wettelijk bewijsminimum wordt aldus voldaan. Daarnaast heeft de rechtbank ook de overtuiging dat verdachte de ten laste gelegde ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Daarom acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de onder de feiten 1 en 3 tenlastegelegde ontuchtige handelingen bij de toen aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.