Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1009

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
02-125807-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zeer onvoorzichtig rijden onder invloed met ernstig verkeersongeval

Op 10 augustus 2024 veroorzaakte verdachte een ernstig eenzijdig verkeersongeval op de Rondweg-Oost te Steenbergen. Hij reed onder invloed van THC en mogelijk lachgas, waarbij hij de controle over het voertuig verloor, de dubbel doorgetrokken streep overschreed, spookrijdend was en tegen een houten vangrail en boom botste. Twee passagiers raakten zwaar en ernstig lichamelijk letsel op.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden in strijd met artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en onder invloed was van THC in strijd met artikel 8 van Pro dezelfde wet. De verklaringen van de slachtoffers en het sporenbeeld bevestigden het rijgedrag en de omstandigheden van het ongeval.

Verdachte had een strafblad met eerdere verkeersovertredingen en een patroon van verkeersregels overtreden, maar geen eerdere soortgelijke veroordelingen. De reclassering beoordeelde het recidiverisico als laag tot gemiddeld en adviseerde een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De rechtbank volgde de strafeis van de officier van justitie en legde een taakstraf van 240 uur op, met vervangende hechtenis van 120 dagen, een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar, en een rijontzegging van vier jaar. De straf houdt rekening met de ernst van het letsel, het gedrag van verdachte en zijn jonge leeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 240 uur, voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en rijontzegging van vier jaar wegens zeer onvoorzichtig rijden onder invloed met ernstig verkeersongeval.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-125807-25
vonnis van de meervoudige kamer van 18 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats]
wonende in [woonadres]
raadsman mr. J.H.E.M Kersemaekers, advocaat te Breda

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1. na het gebruik van THC een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, hebben opgelopen, dan wel
dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt;
2. een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed van THC - al dan niet
in combinatie met het gebruik van een andere stof - was.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primaire feit 1 en feit 2.
Ten aanzien van het primaire feit 1 stelt de officier van justitie dat kan worden vastgesteld dat verdachte op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen, waarbij hij de dubbel doorgetrokken streep heeft overschreden, dat hij het verloop van de weg niet heeft gevolgd en dat hij zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast aan de situatie ter plaatse en niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tijdig tot stilstand te brengen, waardoor hij de houten vangrail aan de linkerzijde van de weg bij het viaduct heeft geraakt en van het talud is afgeschoten, terwijl hij onder invloed was van THC, en waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] letsel hebben opgelopen. De combinatie hiervan kan worden gekwalificeerd als grove schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
Het letsel van [slachtoffer 1] kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel en het letsel van [slachtoffer 2] als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van het primaire feit 1. De verdediging stelt hiertoe dat slechts kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gereden onder invloed van THC en het enkel rijden onder invloed van THC levert geen schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro op.
Het dossier bevat geen objectief bewijs op grond waarvan kan worden vastgesteld dat hij de maximum toegestane snelheid heeft overschreden, slingerend rijgdrag heeft vertoond en/of tegen het verkeer in is gereden. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verschillen op die onderdelen significant van elkaar.
Ten aanzien van het subsidiaire feit 1 en feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld worden de bewijsmiddelen uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht
4.3.2
De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Feiten en omstandigheden
Op 10 augustus 2024 omstreeks 03:34 uur heeft er op de Rondweg-Oost in Steenbergen een eenzijdig verkeersongeval plaatsgevonden met een personenauto.
Niet ter discussie staat dat verdachte de bestuurder was van dit voertuig en dat hij reed over de Rondweg-Oost, komende uit de richting van Dinteloord. [slachtoffer 1] zat voorin als bijrijder in het voertuig en [slachtoffer 2] achterin als passagier. Vast staat ook dat de Rondweg-Oost uit twee rijstroken bestaat, waarvan één in de richting van Dinteloord en één in de richting van Halsteren, en dat er ter plaatse sprake is van een dubbel doorgetrokken streep op het wegdek tussen de twee rijstroken, inhoudende dat daar niet van rijstrook mag worden gewisseld en niet mag worden ingehaald.
Verder staat vast dat verdachte op enig moment de controle over het voertuig is verloren en aan de linkerzijde van de weg in de berm is terechtgekomen. Aan de linkerzijde van de weg in de berm is een bandenspoor te zien van ongeveer 30 meter lang dat loopt tot aan het begin van het viaduct. Vervolgens heeft hij met het voertuig de houten vangrail en een boom aan de linkerzijde van de weg bij het viaduct geraakt en is het voertuig daar het talud afgereden en onderaan het talud in de sloot terechtgekomen. Alle drie de inzittenden hebben hierbij fors letsel opgelopen en zijn die nacht met de ambulance naar het ziekenhuis overgebracht.
Uit onderzoek is gebleken dat verdachte onder invloed van cannabis was. In het bloed van verdachte is een forse hoeveelheid van twaalf microgram THC per liter bloed gemeten.
Ten slotte heeft de politie aan de rand van de sloot waar het voertuig was terechtgekomen een lachglasfles aangetroffen.
Feit 1 - primair artikel 6 WVW Pro
De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro en zo ja, in welke mate.
Bij de beoordeling daarvan komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding(en) en de overige omstandigheden van het geval. Het rijgedrag van verdachte moet worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van een aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen door verdachte.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich over de toedracht van het verkeersongeval niet of nauwelijks meer iets kan herinneren. Voor de vaststelling van de gedragingen van verdachte neemt de rechtbank dan ook de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als uitgangspunt. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] op belangrijke onderdelen overeenkomt met de verklaring van [slachtoffer 2] . Beiden hebben verklaard dat verdachte aan het slingeren en aan het spookrijden was en dat tegen verdachte is gezegd dat hij normaal moest doen en op zijn eigen baan moest blijven rijden. Beiden verklaren ook dat [slachtoffer 1] op enig moment aan het stuur heeft getrokken om het voertuig weer op de juiste baan te krijgen. Daarna raakte verdachte opnieuw op de linkerweghelft met de auto en vervolgens van de weg. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over het rijgedrag van verdachte sluiten aan bij de na het ongeval geconstateerde schade en het sporenbeeld. Zowel de houten vangrail en de boom die beschadigd zijn geraakt, als het bandenspoor in de berm, bevinden zich immers aan de linkerzijde van de weg.
Op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het aangetroffen sporenbeeld staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast dat verdachte onvoldoende rechts heeft gehouden, dat hij heeft gereden op het weggedeelte dat was bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, dat hij de dubbel doorgetrokken streep heeft overschreden en dat hij het verloop van de weg niet heeft gevolgd. Hoewel niet kan worden vastgesteld met welke snelheid verdachte heeft gereden, acht de rechtbank wel bewezen dat hij zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast en geregeld dat hij het voertuig tijdig tot stilstand kon brengen. In plaats van tijdig te kunnen remmen is hij immers door de houten vangrail en vervolgens van het talud naar beneden gereden.
Gelet op het geheel van de hiervoor beschreven gedragingen en verkeersovertredingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat hij zeer onvoorzichtig heeft gereden in de zin van artikel 6 WVW Pro.
Letsel slachtoffers
Als gevolg van het ongeval had [slachtoffer 1] onder meer meerdere breuken in haar halswervels opgelopen, waardoor zij acht weken een nekkraag heeft omgehad. Verder had [slachtoffer 1] een longkneuzing opgelopen en een ingescheurde pees in haar knie, hetgeen met een ingreep is hersteld en waarvoor zij drie maanden een kniebrace heeft moeten dragen. Met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat dit letsel juridisch kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
[slachtoffer 2] had als gevolg van het ongeval een gebroken sleutelbeen, meerdere ribbreuken, een kleine klaplong en een longkneuzing opgelopen. Zij heeft hiervoor geen operatie hoeven te ondergaan en de geschatte geneesduur bedroeg zes weken. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat dit letsel kan worden gekwalificeerd als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden was ontstaan.
Conclusie
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2 – rijden onder invloed
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder invloed van THC - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - heeft gereden.
Hoewel het gebruik van lachgas niet met een meting is aangetoond en dit ook alleen zinvol is vlak na het gebruik, acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte, naast cannabis, ook lachgas heeft gebruikt. [slachtoffer 1] , die naast hem als bijrijder in het voertuig zat, heeft verklaard dat hij niet alleen vóór, maar ook tijdens het autorijden lachgas heeft gebruikt. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij aan verdachte zou hebben gevraagd om daarmee te wachten totdat [slachtoffer 2] en zij thuis waren, maar hij zou hebben gezegd dat hij prima kon rijden met lachgas op. De rechtbank ziet geen reden om aan de geloofwaardigheid van haar verklaring te twijfelen. Bij het voertuig is immers een lachgastank aangetroffen en verdachte heeft ter zitting verklaard dat de lachgastank uit het voertuig afkomstig was. Daar komt bij dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij enkele dagen na het ongeval haar kamer in het ziekenhuis is binnengekomen en haar heeft gevraagd om haar verklaring aan te passen en niet meer te vertellen over de ballonnen. Dat dit voorval in het ziekenhuis heeft plaatsgevonden, heeft verdachte ter zitting ook bekend. Daarnaast zou [slachtoffer 2] in een gezamenlijk telefoongesprek met verdachte en [slachtoffer 1] hebben gehoord dat verdachte vertelde dat hij lachgas had gebruikt. Verder heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij in het voertuig een ballon heeft gezien. [slachtoffer 2] heeft weliswaar ook verklaard dat zij niet weet of verdachte de ballon tijdens het rijden in zijn mond heeft gehad, maar [slachtoffer 2] zat, anders dan [slachtoffer 1] , niet naast verdachte in het voertuig, maar achterin als passagier.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van middelen de rijvaardigheid negatief beïnvloedt, onder meer door vermindering van reactie- en beoordelingsvermogen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte onder invloed van middelen niet in staat was zijn voertuig behoorlijk te besturen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
primair
1.
op 10 augustus 2024 te Steenbergen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rondweg-Oost zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig op de in twee rijstroken verdeelde rijbaan van die weg onvoldoende rechts te houden en (deels) te rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer en hierbij een dubbel doorgetrokken streep te overschrijden en niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig te regelen dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die voornoemde weg kon overzien en waarover deze vrij was en niet het verloop van de weg te volgen maar links, gezien verdachtes rijrichting, geheel naast de weg te raken, waardoor een ander genaamd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten voor die [slachtoffer 1] een snijwond op haar behaarde hoofdhuid en een snijwond op haar linker knie met partiele (gedeeltelijke) peesruptuur (inscheuring pees) en breuken van de bovenzijde van de wervels ter hoogte van thoracale 2,3,4 en 5 (net onder de halswervels) en een longkneuzing aan de voorzijde, met mogelijk ook een beginnend lucht gezwel aan de onderzijde van de long en een kleine breuk van eindgewricht van de 4e vinger van de rechterhand
, werd toegebrachten voor die [slachtoffer 2] een gebroken sleutelbeen, met tintelingen in de onderarm en vingers en meerdere gebroken ribben en een klaplong en een longkneuzing en een seatbelt sign en een snijverwonding aan de rechter hand,
zijndezodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, zulks terwijl hij, verdachte dat voertuig heeft bestuurd na gebruik van THC en verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
op 10
augustus2024 te Steenbergen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op te leggen voor een periode van vier jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, bepleit de verdediging te volstaan met het opleggen aan verdachte van een taakstraf en, indien de rechtbank dat noodzakelijk acht, een ontzegging van de rijbevoegdheid die verdachte in staat stelt binnen een aanvaardbare termijn weer deel te nemen aan het verkeer.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft op 10 augustus 2024 in Steenbergen een ernstig eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt door op zeer onvoorzichtige manier aan het verkeer deel te nemen. Hij heeft onder invloed van een forse hoeveelheid THC slingerend en meerdere momenten spookrijdend over de Rondweg-Oost gereden, waarbij hij ook de dubbel doorgetrokken streep heeft overschreden, waarna hij vervolgens aan de linkerzijde van de weg in de berm is terechtgekomen en de macht over het stuur is kwijtgeraakt. Vervolgens heeft verdachte aldaar de houten vangrail en een boom bij het naderende viaduct geraakt en is hij van het talud afgereden en onderaan het talud in de sloot terechtgekomen. Verdachte heeft hierdoor niet alleen zijn eigen veiligheid, maar ook die van zijn twee jonge medepassagiers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , voor wie hij als bestuurder de verantwoordelijkheid droeg, ernstig in gevaar gebracht. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onaanvaardbare risico’s heeft genomen. en van geluk mag spreken dat zij allen levend uit het voertuig zijn gekomen. [slachtoffer 1] heeft door het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder breuken in meerdere halswervels, een ingescheurde pees in haar knie en een longkneuzing. [slachtoffer 2] heeft als gevolg van het ongeval een gebroken sleutelbeen, meerdere ribbreuken, een kleine klaplong en een longkneuzing opgelopen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 23 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijk feiten is veroordeeld. Wel heeft hij meerdere overtredingen begaan in het kader van de verkeersveiligheid, waaronder het rijden met een te hoge snelheid en het negeren van een stopteken.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 29 januari 2026. In dit rapport spreekt de reclassering over een patroon in het overtreden van verkeersregels, omdat verdachte inmiddels voor € 12.000,- aan WAHV-boetes (Wet administratief-rechtelijke handhaving verkeersvoorschriften) heeft openstaan. De leefgebieden “middelengebruik” en “houding” worden als delictgerelateerd beschouwd. Ten tijde van het ongeval verkeerde verdachte onder invloed van middelen en in het verleden heeft hij veelvuldig verkeersregels overtreden en het opleggen van boetes heeft bij verdachte kennelijk niet tot gedragsverandering geleid. De reclassering acht forensische interventies echter niet passend. De reclassering ziet weliswaar ook zorgen op de praktische leefgebieden als “dagbesteding” en “financiën”, maar deze zijn niet delict-gerelateerd. Een rijontzegging kan hem direct confronteren met de consequenties van zijn handelen en draagt ook bij aan de verkeersveiligheid. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag tot gemiddeld. Bij een veroordeling heeft de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin is vermeld welke straffen doorgaans worden opgelegd voor overtreding van artikel 6 WVW Pro.
Nu verdachte in ieder geval onder invloed van THC was, ziet de rechtbank reden om aan te sluiten bij de oriëntatiepunten voor alcoholgebruik onder de 570 ug/l. Bij ernstige mate van schuld, waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en waarbij er sprake was van alcoholgebruik onder de 570 ug/l, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar, als uitgangspunt genomen.
Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank deze straf in beginsel ook passend.
Hoewel de rechtbank wil benadrukken dat verdachte zeer onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond, vindt de rechtbank net als de officier van justitie niet dat hij naar de gevangenis moet, mede gelet op zijn nog jonge leeftijd. Ook weegt de rechtbank hierbij mee dat de reclassering het recidiverisico heeft ingeschat als laag tot gemiddeld. Ten slotte zal de rechtbank rekening houden met het feit dat de feiten 1 en 2 in eendaadse samenloop zijn begaan.
Alles afwegende zal de rechtbank, in afwijking van de oriëntatiepunten en overeenkomstig de strafeis, aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar kiezen voor een andere strafmodaliteit. De rechtbank zal de strafeis van de Officier van Justitie volgen en aan verdachte opleggen een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Hierbij heeft de rechtbank ook meegenomen dat verdachte niet één, maar twee slachtoffers heeft gemaakt. Nu verdachte, gelet op zijn strafblad en het reclasseringsrapport, al veel overtredingen heeft begaan die raken aan de verkeersveiligheid, zal de rechtbank, in overeenstemming met de strafeis, een langere rijontzegging opleggen dan de oriëntatiepunten voorschrijven, te weten van vier jaar.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de eendaadse samenloop van:
feit 1, primair:overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet, meermalen gepleegd;
en
feit 2:overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
120 dagen;
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf
niet ten uitvoerwordt gelegd, tenzij de rechter de tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Bijkomende straf
- veroordeelt verdachte tot
een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van vier jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. V.M. Schotanus, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 februari 2026.
Mr. Schotanus en Schnitzler zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Steenbergen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rondweg-Oost zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, op de (in twee rijstroken verdeelde) rijbaan van die weg onvoldoende rechts te houden en/of (deels) te rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer en/of (hierbij) een dubbel doorgetrokken streep te overschrijden, en/of te rijden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was, althans, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig te regelen dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die voornoemde weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of niet het verloop van de weg te volgen maar links, gezien verdachtes rijrichting, geheel naast de weg te raken, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten voor die [slachtoffer 1] een snijwond op haar behaarde hoofdhuid en/of een snijwond op haar linker knie met partiele (gedeeltelijke) peesruptuur (inscheuring pees) en/of breuken van de bovenzijde van de wervels ter hoogte van thoracale 2,3,4 en 5 (net onder de halswervels) en/of een longkneuzing aan de voorzijde, met mogelijk ook een beginnend lucht gezwel aan de onderzijde van de long en/of een kleine breuk van eindgewricht van de 4e vinger van de rechterhand en/of voor die [slachtoffer 2] een gebroken sleutelbeen, met tintelingen in de onderarm en vingers en/of meerdere gebroken ribben en/of een klaplong en/of een longkneuzing en/of een seatbelt sign en/of een snijverwonding aan de rechter hand, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, zulks terwijl hij, verdachte dat voertuig heeft bestuurd na gebruik van THC en/of verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede, derde lid of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
(Artikel art 6 Wegenverkeerswet Pro 1994)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te Steenbergen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Rondweg-Oost, - na het gebruik van THC heeft gereden - op de (in twee rijstroken verdeelde) rijbaan van die weg onvoldoende rechts heeft gehouden en/of (deels) te heeft gereden op het weggedeelte dat bestemd is voor het aan hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer en/of (hierbij) een dubbel doorgetrokken streep heeft overschreden, en/of heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was, althans, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die voornoemde weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of niet het verloop van de weg heeft gevolgd maar links, gezien verdachtes rijrichting, geheel naast de weg is geraakt, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
(Artikel art 5 Wegenverkeerswet Pro 1994)
2.
hij op of omstreeks 10-08-2024 te Steenbergen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten THC, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
(Artikel art 8 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994)