ECLI:NL:RBZWB:2026:1008

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
BRE 24/8313 en 25/5218
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 sub e WhtArt. 7 lid 1 WhtArt. 1a WhtArt. 16 lid 1 AwirArt. 16 lid 5 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen nihilstelling huurtoeslag wegens overschrijding vermogensgrens 2023-2024

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen besluiten van de Dienst Toeslagen die het recht op huurtoeslag voor de jaren 2023 en 2024 hebben vastgesteld op nul euro vanwege overschrijding van de vermogensgrens. De Dienst Toeslagen had eerder voorschotten verleend, die later werden herzien en teruggevorderd.

De rechtbank overweegt dat de huurtoeslag inkomensafhankelijk is en dat de vermogensgrens voor 2023 en 2024 respectievelijk €33.748 en €36.952 bedraagt. Eiser erkent niet dat hij deze grenzen overschrijdt, maar de gegevens uit de Basisregistratie Inkomen tonen aan dat zijn vermogen deze grenzen overschrijdt. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht de toeslag nihil gesteld en de te veel betaalde bedragen teruggevorderd.

Eiser betoogt dat terugvordering onrechtvaardig is gezien zijn lage inkomen en moeilijke omstandigheden. De rechtbank stelt echter vast dat geen bijzondere omstandigheden zijn die matiging van de terugvordering rechtvaardigen. De Dienst Toeslagen heeft eiser meerdere malen gewezen op de mogelijkheid de toeslag stop te zetten en op betalingsregelingen. De beroepen worden ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitkomst: De beroepen tegen de nihilstelling van de huurtoeslag en terugvordering zijn ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/8313 en 25/5218

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het recht van eiser op huurtoeslag over de toeslagjaren 2023 en 2024 en de daarmee verband houdende terugvorderingen. Volgens de Dienst Toeslagen was het vermogen van eiser over die jaren te hoog om recht te hebben op huurtoeslag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het recht van eiser op huurtoeslag over de jaren 2023 en 2024.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht de definitieve berekening huurtoeslag 2023 en de voorlopige berekening huurtoeslag 2024 op € 0,- heeft vastgesteld en het over die toeslagenjaren te veel betaalde bedrag terecht terugvordert van eiser
.Eiser krijgt geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Huurtoeslag 2023 (zaaknummer 24/8313)
2. Met het besluit van 28 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen een voorschot huurtoeslag van € 4.479,- voor het jaar 2023 aan eiser verleend. Met het besluit van 25 oktober 2023 is dit voorschot opnieuw berekend op € 4.051,- na verhuizing van eiser en daardoor gewijzigde huurkosten per oktober 2023.
2.1.
Op 3 juni 2024 ontvangt de Dienst Toeslagen een melding vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI) waaruit blijkt dat voor het jaar 2023 de grondslag sparen en beleggen van eiser € 78.289,- bedraagt.
2.2.
Met het besluit van 6 september 2024 is het recht van eiser op huurtoeslag voor het jaar 2023 definitief berekend op € 0,-. Er is uitgegaan van een vermogen van € 78.289,-. Dit betekent dat eiser te veel voorschot huurtoeslag heeft ontvangen en een bedrag van € 4.080,- moet terugbetalen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3.
Met het bestreden besluit van 31 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de definitieve berekening van de huurtoeslag op € 0,- en de terugvordering gebleven.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] namens de Dienst Toeslagen. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2.6.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn in de zaak 24/8313 verlengd.
Huurtoeslag 2024 (zaaknummer 25/5218)
2.7.
Met het besluit van 28 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen een voorschot huurtoeslag van € 3.177,- voor het jaar 2024 aan eiser verleend.
2.8.
Met het besluit van 23 augustus 2024 heeft de Dienst Toeslagen het voorschot huurtoeslag 2024 opnieuw berekend op € 0,- nadat het op 19 juli 2024 een melding van eiser ontving over een geschat vermogen van € 78.000,-. Met de brief van 17 augustus 2024 heeft de Dienst Toeslagen aan eiser medegedeeld dat dit betekent dat hij te veel huurtoeslag heeft ontvangen en een bedrag van € 2.154,- moet terugbetalen. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
2.9.
Met het bestreden besluit van 31 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen gebleven bij de voorlopige berekening van de huurtoeslag op € 0,- en de terugvordering.
2.10.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.11.
Op 14 oktober 2025 ontving de Dienst Toeslagen een melding vanuit de BRI waaruit blijkt dat voor het jaar 2024 het toetsingsinkomen van eiser is vastgesteld op € 35.036,- en de grondslag sparen en beleggen € 80.118,- bedraagt.
2.12.
De rechtbank heeft partijen op 3 december 2025 laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en partijen in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De rechtbank sluit hierbij het onderzoek in de zaak 25/5218 en doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De huurtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van het huren van een woning. [1] De hoogte hiervan is afhankelijk van iemands draagkracht, waaronder begrepen het vermogen. [2] Dit betekent dat de huurtoeslag een inkomensafhankelijke regeling is. De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is daarom hierop van toepassing. [3]
3.1.
In het wettelijk systeem van de toeslagen verleent de Dienst Toeslagen op aanvraag eerst een voorschot op de toeslag, waarna een definitieve berekening volgt. Het voorschot wordt verleend tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld. [4] De Dienst Toeslagen is bevoegd (de hoogte van) dit voorschot te herzien tot het moment waarop de toekenning definitief plaatsvindt. [5] Voor herziening is bijvoorbeeld aanleiding als uit door de belanghebbende verstrekte gegevens blijkt dat het voorschot tot een hoger of lager bedrag is verleend dan dat waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een herziening van het voorschot kan leiden tot een terug te vorderen bedrag. [6]
3.2.
Om na verlening van het voorschot vervolgens het recht op een toeslag definitief vast te kunnen stellen, baseert de Dienst Toeslagen zich op de inkomensgegevens zoals vastgesteld door de inspecteur voor de inkomstenbelasting en opgenomen in de BRI. [7] Ook bij de definitieve berekening kan blijken dat de verrekening van het voorschot met de toegekende tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag. [8]
Beroepsgronden
4. Eiser voert in beroep aan dat hij het uitermate onrechtvaardig vindt dat hij de huurtoeslag over 2023 en 2024 volledig moet terugbetalen. Hij stelt dat zijn inkomsten ver onder bijstandsniveau waren en dat hij decennialang aan het overleven was zonder verwarming, warm water of enige vorm van luxe.
Overwegingen van de rechtbank
5. De rechtbank overweegt dat geen aanspraak op huurtoeslag bestaat, wanneer de rendementsgrondslag voor de inkomstenbelasting aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 33.748,- voor het jaar 2023, respectievelijk € 36.952,- voor het jaar 2024 (de zogenoemde vermogensgrens). [9] Eiser bestrijdt niet dat hij de vermogensgrenzen voor de huurtoeslag in 2023 en 2024 overschrijdt. Dit blijkt ook uit de gegevens in de BRI. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht het recht van eiser op huurtoeslag voor het jaar 2023 definitief berekend op € 0,- en het voorschot op huurtoeslag voor het jaar 2024 herzien naar € 0,-.
5.1.
Dit betekent dat de Dienst Toeslagen over de jaren 2023 en 2024 een te hoog bedrag aan voorschot huurtoeslag aan eiser heeft betaald. Uitgangspunt van de wet is dat de Dienst Toeslagen deze bedragen volledig van eiser terugvordert. De Dienst Toeslagen kan een lager bedrag terugvorderen, voor zover de nadelige gevolgen voor eiser van de terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen. [10] De rechtbank gaat ervan uit dat eiser met de aangevoerde beroepsgronden heeft willen betogen dat in dit geval sprake is van onevenredige terugvorderingen.
5.2.
In het Verzamelbesluit Toeslagen is beleid vastgesteld over de terugvordering van toeslagen. Daarin is opgenomen dat in beginsel geen sprake is van een onevenredige terugvordering, als de terugvordering het gevolg is van overschrijding van een vermogensgrens. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, kan er bij aanwezigheid van aanvullende omstandigheden na een belangenafweging toch reden zijn de terugvordering te matigen.
5.3.
Het is de rechtbank niet gebleken dat zich in dit geval specifieke omstandigheden voordoen, die de Dienst Toeslagen aanleiding hadden moeten geven om de terugvordering te matigen. Voorop staat het algemeen belang bij terugbetaling van ten onrechte uitbetaalde publieke middelen. Na een eerdere terugvordering is eiser er meermaals (blijkens de telefoonnotitie van 20 juli 2023 en de brief van 19 juli 2024) door de Dienst Toeslagen op gewezen dat hij om nieuwe terugvorderingen te voorkomen de huurtoeslag stop kon zetten, als zijn vermogen boven de grens blijft. Ook de financiële situatie van eiser is geen omstandigheid die noodzaakt tot matiging van de terugvorderingen. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een betalingsregeling.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de besluiten van de Dienst Toeslagen over de definitieve berekening van de huurtoeslag 2023, het voorschot huurtoeslag 2024 en de daarmee samenhangende terugvorderingen in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 18 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Artikel 1 sub e van Pro de Wet op de huurtoeslag (Wht).
2.Artikel 7, eerste lid, van de Wht.
3.Artikel 1a van de Wht.
4.Artikel 16, eerste lid, van de Awir.
5.Artikel 16, vijfde lid, van de Awir.
6.Artikel 16, zes lid, van de Awir.
7.Artikel 19 van Pro de Awir.
8.Artikel 24, derde lid, van de Awir.
9.Artikel 7, derde lid, van de Awir.
10.Artikel 26, tweede lid, van de Awir.