Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen besluiten van de Dienst Toeslagen die het recht op huurtoeslag voor de jaren 2023 en 2024 hebben vastgesteld op nul euro vanwege overschrijding van de vermogensgrens. De Dienst Toeslagen had eerder voorschotten verleend, die later werden herzien en teruggevorderd.
De rechtbank overweegt dat de huurtoeslag inkomensafhankelijk is en dat de vermogensgrens voor 2023 en 2024 respectievelijk €33.748 en €36.952 bedraagt. Eiser erkent niet dat hij deze grenzen overschrijdt, maar de gegevens uit de Basisregistratie Inkomen tonen aan dat zijn vermogen deze grenzen overschrijdt. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht de toeslag nihil gesteld en de te veel betaalde bedragen teruggevorderd.
Eiser betoogt dat terugvordering onrechtvaardig is gezien zijn lage inkomen en moeilijke omstandigheden. De rechtbank stelt echter vast dat geen bijzondere omstandigheden zijn die matiging van de terugvordering rechtvaardigen. De Dienst Toeslagen heeft eiser meerdere malen gewezen op de mogelijkheid de toeslag stop te zetten en op betalingsregelingen. De beroepen worden ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.