De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij de grootouders vaderszijde. De kinderen verblijven sinds juli 2025 bij de grootouders op basis van een eerdere machtiging. De GI verzoekt verlenging tot juli 2026, met het oog op een geleidelijke terugplaatsing naar de moeder.
Tijdens de zitting waren de moeder, haar advocaat, een vertegenwoordiger van de GI en de grootouders aanwezig; de vader was afwezig. De moeder werkt actief aan haar herstel en opvoedcapaciteiten, met ondersteuning van hulpverlening en een goede samenwerking met de pleegouders. De grootouders bieden stabiele zorg en stemmen in met het verzoek, waarbij zij benadrukken dat terugplaatsing niet overhaast moet gebeuren.
De vader heeft het contact met de kinderen verbroken en toont zich onbetrouwbaar, hoewel er een gepland gesprek staat om contactherstel te bespreken. De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de kinderen, met het doel om stapsgewijs toe te werken naar thuisplaatsing bij de moeder. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de moeder en grootouders worden geprezen voor hun inzet.