ECLI:NL:RBZWB:2025:9755

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
RK 25-019131
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a SrOpiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand na sepot wegens ten onrechte verdachte

Verzoekster, werkzaam als beveiliger, werd op 6 februari 2025 verdacht van een overtreding van de Opiumwet na een indicatieve drugstest die later als foutief werd aangemerkt. Zij werd direct op non-actief gesteld en is inmiddels niet meer werkzaam bij haar werkgever.

De strafzaak tegen verzoekster werd op 20 mei 2025 geseponeerd omdat zij ten onrechte als verdachte was aangemerkt. Verzoekster heeft vervolgens een verzoek ingediend op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, waaronder declaraties van haar advocaat en een forfaitaire vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek integraal kan worden toegewezen. De kosten van rechtsbijstand van € 3.527,15 worden als voldoende onderbouwd en billijk beschouwd, mede gelet op de aard van de verdenking en de werkzaamheden van de advocaat. Daarnaast wordt een forfaitaire vergoeding van € 680,00 toegekend voor de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer.

De totale vergoeding van € 4.207,15 wordt toegewezen en zal worden overgemaakt aan de advocaat van verzoekster. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open voor zowel het Openbaar Ministerie als verzoekster.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand na sepot wordt integraal toegewezen tot een bedrag van € 4.207,15.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-154401-25
raadkamernummer : 25-019131
datum : 2 december 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster],
geboren op [datum] 1984 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam (Laan op Zuid 386, 3071 AA Rotterdam),
hierna te noemen: verzoekster.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 8 augustus 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 3.527,15, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 20 mei 2025;
  • de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 4 november 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax en mr. G.A.J. Purperhart als gemachtigd advocaat van verzoekster, gehoord.
Verzoekster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoekster is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoekster heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat verzoekster als beveiliger werkzaam was [werkgever] en na een reguliere controle op 6 februari 2025 werd verdacht van overtreding van de Opiumwet en drugs binnen een inrichting brengen met alle gevolgen van dien. Verzoekster is direct daarna op non actief gesteld door de beveiligingsorganisatie en inmiddels ook niet meer werkzaam daar. Achteraf is gebleken dat er een menselijke fout is gemaakt bij de uitgevoerde indicatieve drugstest en dat verzoekster ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Begrijpelijkerwijs is er vanuit verzoekster veelvuldig contact met de advocaat gezocht om de zaak te bespreken. Er is nadien meermalen contact gezocht met het Openbaar Ministerie om na te gaan wat de stand van zaken is. Pas op 20 mei 2025 is de strafzaak tegen verzoekster geseponeerd. Verzoekster acht het billijk dat de verzochte vergoeding van de kosten in verband met de aan haar verleende rechtsbijstand wordt toegekend. Omdat de advocaat pas op 7 juni 2025 via verzoekster van de sepotbeslissing op de hoogte is gebracht, wordt het redelijk geacht dat de werkzaamheden die na de kennisgeving sepot zijn verricht ook worden vergoed.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer, anders dan bij de eerdere schriftelijke reactie, op het standpunt gesteld dat met de nadere toelichting van de advocaat, het verzoek integraal kan worden toegewezen.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv Pro kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 20 mei 2025 overgegaan tot een sepot omdat verzoekster ten onrechte als verdachte is aangemerkt.
Verzoeker heeft een bedrag ter hoogte van € 3.527,15 verzocht voor kosten van rechtsbijstand. In raadkamer heeft de advocaat nog een nadere toelichting gegeven op het aantal uren dat ten behoeve van de zaak is gedeclareerd. De rechtbank is van oordeel dat de advocaat het verzoek daarmee voldoende heeft toegelicht en acht – mede gelet op de aard van de verdenking in combinatie met de werkzaamheden die verzoekster uitvoerde - het aantal uren dat aan rechtsbijstand is besteed begrijpelijk. Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand acht zij in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing,

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 4.207,15, bestaande uit:
- € 3.527,15 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van
€ 4.207,15zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van St. Derdengelden Newoor & Purperhart Advocaten, onder vermelding van “[verzoekster]/OM schadevergoeding”.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 december 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.